Boekbespreking
1983-03-18
F. L. Bos, Kruisdominees. Kok, Kampen.- Jaargang 27
- nummer 11
1982. 224 pp. f 29,50.
Kruisdragers, idem. 99 pp. f 14,90
Ongelooflijk!
"Heel typerend voor zijn zelfbewustzijn zijn de brieven, die hij vier dagen voor het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog in oktober 1970 schrijft aan de koning en koningin van Pruisen.
Frankrijk is als "de goddeloze, ongebonden Babyloniër", die door de koning van Pruisen als een nieuwe Kores zal worden "uitgeroeid" en in zijn rijk en heerschappij "vernietigd"; en als Edom, dat door David wordt overwonnen, Na het einde van de oorlog krijgt hij een dankschrijven met een bedrag in geld, waarvoor hij een mooie gaskroon koopt in zijn nieuwe kerk."
Aldus een stukje citaat (p. 194) over ds Cornelis van den Oever, een in onze kring zeer bekende predikant, die in de vorige eeuw als “de paus der kruisgezinden" gold. Het is een citaat uit het boek Kruisdominees. geschreven door de kerkhistoricus dr F. L. Bos. Dit boek is bijna 30 jaar na de eerste publicatie in herdruk bij uitgeverij Kok verschenen.
Kruisdominees gaat over een van de groepen afgescheidenen, die tussen 1838 en 1869 als aparte kerkformatie in ons land bestond.
Gingen al spoedig na de Afscheiding vele gemeenten over tot aanvraag van erkenning door de overheid, deze groepering stond daar uiterst kritisch tegenover. Wilde de overheid de erkenning wet verbinden aan bepaalde concessies? De nieuwe kerkformatie mocht het woord "Gereformeerd" niet voeren en ook geen aanspraak maken op de kerkenorde etc. van de grote Hervormde Kerk. Welnu, dan geen erkenning!
Probleem voor deze zeer-getrouwen was het feit dat men in de kring geen officieel bevestigde voorgangers had.
Weliswaar waren er heel wat ouderlingen en ook zgn. "oefenaars" die "naar het ambt van voorganger stonden", maar geen van hen werd via wettige handoplegging van een zelf rechtmatig-bevestigde voorganger in dit ambt gesteld.
En zo komen we ze tegen, de markante mannen van "de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis": de Noordwijker visser Cors Noorduyn, de Woerdense winkelier Abraham Flier, de Zwolse luitenant bij de artillerie Smitt, de vroegere varensgezel Cornelis van den Oever, de bekeerde jood Salomon Mozes Flesch en vele anderen. Een eeuw na hun dood veelal onbekend, zeker in onze kring, maar steeds boeiend en markant.
Niet altijd even sympathiek, overigens. Hebben sommigen een zeer ruim hart - en hebben ze bovendien vaak authentiek geleden - van anderen moet worden gezegd dat een latente (nou ja, latente?) drang tot despotisme en tirannie nauwelijks kan worden verholen.
Dr Bos tekent hen in al hun grootheid èn zwakheid, We komen men van wezenlijke integriteit tegen, maar ook gevallen van onvoorstelbaar veel "vlees en wereld". Ook al spreekt Bos lang niet altijd even expliciet, zijn pen is vaardig en het valt niet mee tot andere conclusies te komen dan hij impliceert.
Wonderlijke mensen soms ,eigenwijs, wispelturig; niet altijd onderscheidend tussen "de Geest" en hun geest.
Mensen met een Bijbelexegese die hier en daar werkelijk de spuigaten uitloopt.
Een weergegeven preek van de al geciteerde Van den Oever (pp. 98-100) is zo ongeveer het meest wonderlijke en onterechte gval van Schriftuitleg dat ik vele jaren heb gelezen.
Toch zou het tendentieus zijn alléén de aandacht te willen vragen voor het bizarre, dat inderdaad ruimschoots aanwezig is.
Het andere is er ook.
Ronduit tragisch vind ik de levensloop van veel voorgangers die beschreven worden in een tweede bundel verhalen, nu voor het eerst uitgebracht onder de titel Kruisdragers. Wat te denken van het gesol met "Oefenmeester Vijgeboom"? Inderdaad wordt terecht gesproken van "de tragiek van (Jan Roefs) Ananias", Wat is dominee Berent Fijnebuik een dubieus geval geweest, maar hoe verfrissend toch eigenlijk ds Pieter Zonne. In Kruisdragers gaat het vaak om mensen van het 2e plan. Ik moet toegeven dat ik behoudens Vijgeboom van geen van hen ooit geboord had. De kennismaking is voor mij niet steeds even intens geweest, maar toch, je krijgt wel zicht op "het wonder van de negentiende eeuw", zoals wijlen dr Algra het noemde. Wat een ongelooflijke hoeveelheid menselijke kleinheid! En wat is er, desondanks, toch nog véél van terechtgekomen!
Niet ieder zal beide boekjes willen aanschaffen, vermoed ik. Niet iedereen zal ook evenveel stichting erdoor ontvangen. Er is dan ook heel wat in de verhalen dat je niet trots op het gereformeerde verleden maakt. Eén les is dat er niet veel veranderd is op kerkelijk erf. De mensen zijn, wees ik, niet noemenswaardig béter, maar ook niet buitengewoon veel slèchter geworden dan ze toen waren. De lering is ook, nogmaals, dat er uit veel zwakte toch veel kracht is voortgekomen.
De boeken van dr Bos blijven de moeite waard voor wie de eigen kerkgeschiedenis wil bestuderen. Veel van de hier geboden informatie is niet snel ook in andere literatuur te vinden.