Gode meer gehoorzamen dan de mensen (Handelingen 5: 26-32)

1983-07-15
  • Jaargang 27
  • nummer 28
LEREN
Eén van de belangrijkste taken van de apostelen was het leren, het onderwijs geven. Dat had hun Meester ook gedaan toen Hij op aarde Zijn werk deed. Zijn onderwijs had op het volk grote indruk' gemaakt. We vinden in de Evangeliën verschillende voorbeelden van dat onderwijs.
En we lezen ook telkens, dat de Here leerde in de synagoge en het Evangelie van het Koninkrijk verkondigde.
Verkondigen, dat woord ziet op de aankondiging van het nieuwe dat met de Persoon en het werk van Christus gekomen was en leren ziet meer op de nadere en bredere onderwijzing van de aangekondigde boodschap.
Door rond te trekken en onder het volk te leren gedroeg de Here Jezus Zich als een Schriftgeleerde. In de synagoge mocht iedereen uit de Schrift voorlezen en iedere kundige Israëliet mocht preken, maar de Here Jezus maakte er bepaald Zijn werk van en dat deden de Schriftgeleerden ook. Zo lezen we: En Hij daalde af naar Kapernaüm, een stad in Galilea en Hij leerde hen geregeld op de sabbat (Lukas 4 : 31).

De Here Jezus leerde. Hij gaf onderwijs.
Dat deden Zijn apostelen ook, na de hemelvaart van hun Meester en de uitstorting van de Heilige Geest. En juist tegen dat leren maakte de Joodse Raad bezwaar.
De apostelen kregen een leerverbod : Zij bevalen hun in het geheel niet meer te spreken over of te leren in de naam van Jezus (Hand. 4: 18). Maar in Hand. 5 boren we hoe Christus het leerverbod van de Joodse Raad krachteloos maakte.

Het leerverbod
Toen ging de hoofdman met zijn dienaren er heen en nam hen mee, maar niet met geweld, want zij waren bevreesd, dat bet volk hen stenigen zou. Er waren in de tempel verschillende hoofdlieden, mannen die hoofdman genoemd werden. Maar hier horen we over dè hoofdman. Hij was commandant van de tempelpolitie. Deze hoofdman was na de hogepriester de machtigste man in de tempel.
Een hoge autoriteit in Jeruzalem.
Volgens de opdracht van Christus (Hand. 1 : 8) begonnen de apostelen hun getuigenis in Jeruzalem uit te spreken. Maar daar in Jeruzalem kregen ze een verbod om te spreken over Jezus of te leren op' gezag van de naam van Jezus. Die naam moest in het vergeetboek raken.
Vandaar dat de Joodse Raad de apostelen een leerverbod oplegde.
Alleen: dat verbod haalde niet veel uit. De apostelen werden wel gevangen gezet, maar een engel bevrijdde hen (vers 19) en er kwam iemand bij de hoofdman van de tempel en de overpriesters met het bericht: Zie, de mannen die gij hebt gevangen gezet, staan in de tempel en zij leren het volk (25).
Wat nu? Het volk is op de hand van de apostelen, maar de autoriteiten helemaal niet. Dan gaat het zoals het in zulke situaties vaak gaat: de leiders proberen de zaak te sussen. Toen ging de hoofdman met zijn dienaren erheen en nam hen mee, maar met met geweld, want zij waren bevreesd, dat het volk hen stenigen zou. Er was bij de overheid vrees voor het volk.
De apostelen worden dan voor de tweede maal op het matje geroepen.
De hogepriester ondervroeg heen, zeggende: Wij hebben u nadrukkelijk verboden in deze naam te leren; en zie, gij hebt Jeruzalem vervuld met deze leer en 'gij wilt het bloed van deze Mens op ons doen neerkomen.
Daar hebt u het punt, waar alles op vast zat, Er was een leerverbod (4: 18).

Waarom kregen de apostelen een leerverbod?
De Joodse Raad heeft de apostelen bevolen in 't geheel niet meer.
te reppen van of te leren op de naam van Jezus.
Leren - wat is dat?
De Here Jezus heeft de apostelen opgedragen: Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en leert hen onderhouden al wat ik u bevolen heb. Nu, dat hebben de apostelen in Jeruzalem gedaan: ze leerden hun volksgenoten alles wat de Here bevolen had.
Maar er was een nadrukkelijk verbod gegeven om op de naam van Jezus te leren. Aan dat verbod hebben de apostelen zich niet gestoord .: Ze hebben Jeruzalem met hun leer vervuld, Dat wil zeggen: Heel Jeruzalem sprak over de apostelen en hun prediking. Na de genezing van de verlamde bedelaar bij de Schone Poort van de tempel (Hand. 3) waren de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeën zeer verontwaardigd, omdat de apostelen het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden.
De eigenlijke reden waarom de Joodse leiders zo boos werden, was, dat de apostelen het volk leerden. Dat mocht niet. Leren was het werk van de erkende Schriftgeleerden.
Niemand mocht hen van hun leraarsplaats wegdringen en zo hun invloed op het volk ondermijnen.
Bovendien leerden de apostelen dat er opstanding is. Dat leerden de Farizeeën ook wel, maar de Farizeeën waren geleerden.
Met hen wilden de Sadduceeën, waartoe de voornaamste priesters behoorden Wel redetwisten, al geloofden ze niets van een toekomstige opstanding der doden (23 : 8). Maar de Sadduceeën duldden niet dat eenvoudige Galilese mannen een leer preekten, die In strijd was met hun leer.

Hoe de apostelen het leerverbod hebben getrotseerd
De apostelen zijn gewoon doorgegaan.
Het' boek Handelingen laat zien wat het betekent, dat de Here Jezus stierf voor Zijn volk, niet alleen voor Joden, maar ook voor heidenen. Petrus heeft voor de: oren van de Joodse laders uitgeroepen: Deze man, die bekend stond als een verlamde bedelaar, staat hier gezond vóór u, door de naam van Jezus Christus de Nazarener, die gij gekruisigd hebt, maar die God uit de doden-heeft opgewekt (4 : 10).
Het ging goed met de gemeente van Messiasbelijdende Joden in Jeruzalem.
De menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel. En met grote kracht gaven de apostelen hun getuigenis van de opstanding van de Here Jezus ener was grote genade over hen allen, Eigenaars van grond en huizen verkochten hun bezittingen en brachten de opbrengst van de verkoop en legden die aan de voeten der apostelen en aan een ieder wem uitgedeeld naar behoefte (4 : 32-34).
En nu wordt het Sanhedrin gedwongen tot een positiekeuze, De apostelen worden ter verantwoording geroepen en dan legt Petrus rekenschap af in een korte verdedigingstoespraak. Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen. En dan zegt Petrus wat er gebeurd is.
Hij vertelt de feiten. Dat is het apostolisch getuigenis: feiten vertellen God heeft Jezus opgewekt en verhoogd en wij zijn getuigen van deze dingen.
Dat was genoeg.
Er wordt vandaag druk gediscussieerd over "burgerlijke ongehoorzaamheid".
Dat is een term, waarin een zware revolutionaire lading meekomt, zullen we maar niet liever Petrus naspreken: We moeten God meer gehoorzamen dan de mensen? Als kerkelijke of burgerlenke machten de vrijheid van de profetie en van de exegese aantasten, dan past ons ongehoorzaamheid op dit concrete punt aan de machten. Om zo gehoorzaam te zijn aan God.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief