Heeft de kerk een belijdenis nodig?
1982-07-02
- Jaargang 26
- nummer 26
Bezwaren tegen een kerkelijke belijdenis
De vraag of een kerk een belijdenis nodig heeft, werd en wordt door veel christenen ontkennend beantwoord. Waarom zou een kerk zich naast Gods Woord ook nog op menselijke geschriften baseren? Belijdenissen zijn bovendien tijdgebonden formuleringen van het belijden.
Vaak wordt dat vergeten en zo gaat tenslotte de mening postvatten, dat in de belijdenis de waarheid zuiver en voor alle tijden is geformuleerd. Op deze wijze doet men tekort aan de volkomenheid en duidelijkheid van de Schrift. De Schrift is toch duidelijk genoeg? Komen we met een kerkelijke belijdenis niet bedenkelijk dicht in de buurt van de gemeente van Korinthe, waar ieder zijn leus had? (1 Cor. 1 : 12). Een belijdenis, zo luidt een ander bezwaar, wordt vaak gehanteerd als een vesting van waaruit je je tegenstanders beschiet. Een belijdenis lokt dan ook schorsingen en scheuringen uit.
We moeten geen formulierengezag, maar alleen Schriftgezag hebben.
Echte zonen van de Reformatie accepteren geen papieren Paus in de vorm van een bindende belijdenis. Belijdenissen zijn eerbiedwaardige documenten uit een verleden tijd, die men meestal nog niet kent ook. Je kunt ze daarom het beste in een museum bijzetten.
Confessionalisme
Hiertegenover staat het confessionalisme, dat' de belijdenis ziet als een onveranderlijke vaststaande grootheid en de ondergeschiktheid van de belijdenis aan de Schrift vergeet.
Men ziet de belijdenis als een repetitie van de Schrift en gaat de belijdenis verzelfstandigen. De autoriteit van de belijdenis wordt identiek met die van de Schrift.
De belijdenis wordt gezien als kenbron van wat in de Schrift staat. Bij dit confessionalisme speelt de belijdenis metterdaad de rol van papieren Paus. Dit confessionalisme heeft bij kerkelijke twisten vaak een noodlottige rol gespeeld. Dat is o.m. bij de vrijmaking het geval geweest. De tegenstellingen zijn toen èrg toegespitst door confessionalistische opvattingen van theologen als prof. Hepp. Het merkwaardige is, dat bij de breuk in de vrijgemaakte kerken omstreeks 1968 dat confessionalisme ook weer een fatale rol gespeeld heeft. De les van de vrijmaking was spoedig vergeten. Ook in de vrijgemaakte kerken waren symptomen van het op één lijn stellen van Schrift en belijdenis. Vergeten werd dat de Schrift Gods Woord is en de belijdenis slechts een menselijke weergave van wat wij op grond van Gods Woord geloven. In 1965 schreef ds J. Meester een brochure "Wat is gereformeerd?".
Daarin liet hij duidelijk zien, dat de opvattingen van dr Trimp niet vrij waren van confessionalisme. Volgens Trimp zou het verschil tussen Gods Woord en de belijdenis vrijwel te verwaarlozen zijn. De belijdenis zou in zichzelf bindend gezag· hebben. Op deze wijze ontkom je er niet aan, dat je de belijdenis onfeilbaarheid toekent. Terecht merkt prof. dr K. J. Popma in "Levensbeschouwing", dl. 1, blz. 174 op, dat confessionalisme een groot kwaad is. Het is, zo schrijft hij, een der machtigste factoren, mogelijk de machtigste der factoren, die verantwoordelijk gesteld moeten worden voor de zorgwekkende daling van de "belangstelling der jongeren."
Voorlopige balans
Beide opvattingen zowel het confessionalisme als de bezwaren tegen een kerkelijke belijdenis moeten we afwijzen. De bezwaren, die tegen een kerkelijke belijdenis worden aangevoerd zijn vrijwel alle terug te voeren tot bezwaren tegen het confessionalisme.
Maar confessioneel zijn en confessionalisme zijn heel wat anders. Het is waar, dat met de belijdenis vaak op onjuiste wijze geopereerd wordt.
Men maakt er inderdaad soms een papieren Paus van. Men heeft helaas verzuimd de belijdenissen te laten meegroeien. De taal is vaak verouderd (maar dat is te verbeteren) en de bestaande tekst heeft wel eens een soort onaantastbaarheid gekregen, die aan het gezag van de belijdenis niet ten goede komt. De belijdenis dreigt daardoor voor het besef van velen een vreemd element te worden.
Dat alles is echter nog geen motief om een goede zaak, het hebben van een kerkelijke belijdenis, af te schaffen. Al moge confessionalisme een groot gevaar voor de kerk zijn, een kerkelijke belijdenis is een groot goed voor een kerk, die zich gebonden weet en wil blijven aan de Schrift.
Loslating van de binding aan een kerkelijke belijdenis leidt gemakkelijk tot vervaging van de gebondenheid aan de H. Schrift.
Bij een kerk behoort een belijdenis
Het behoort bij een kerk, dat ze belijdt. Dit betekent, dat ze antwoord geeft op het Woord van God.
Dat is een heilig moeten. De kerk heeft dan ook vanaf het begin een belijdenis gehad, waarin ze voor zichzelf de schatten van het heil heeft vastgelegd. We lezen er al van als Petrus belijdt, dat de Here Jezus de Christus is, de Zoon van God. Jezus zegt dan, dat Hij op deze Petrus zijn gemeente zal bouwen. Christus eist ook van Zijn discipelen, dat ,zij Hem voor de mensen zullen belijden. Hij zal hen dan voor Zijn Vader belijden. Christus wil beleden worden. Verder lezen we, dat nieuwe leden van de kerk op belijdenis van hun geloof door de doop in de gemeente opgenomen werden. Zo schrijft Paulus, dat Timotheus bij de doop de goede belijdenis heeft afgelegd. Deze belijdenis krijgt langzamerhand ook een vaste formulering.
Een korte formulering lezen we al in 1 Tim. 1 : 15. In Hebr. 4 : 14 staat de vermaning om de belijdenis vast te houden. Ook dat wijst al op een vaststaande grootheid.
Een vergadering van ware christengelovigen komt vanzelf tot het belijden van haar geloof. Waar het hart vol van is, loopt de mond van over. Dat geldt voor de enkeling en voor de gemeenschap.
Reeds in vroege tijden ontstond er daarom al een vaste formulering van het belijden. Vanaf het begin der 2e eeuw is de kerk belijdeniskerk geweest, die haar eenheid had in de gemeenschappelijke regel des geloofs. Dat was de doopbelijdenis. Later is daar het apostolisch symbool bij gekomen.
Belijdenis ter zelfverdediging
Zodra de kerk in de wereld staat, wordt zij gedwongen zich te institueren en zich te verweren tegen allerlei dwaalleer. Ook daarin zit een noodzaak tot belijdenisvorming.
De kerk moet opkomen voor de eer van haar Koning. De kerk moet haar onschuld bewijzen tegenover alle laster, die over haar verspreid wordt. De confessie is daarvoor een van haar voornaamste wapens. De gemeente heeft het Woord van God te bewaren en te verdedigen tegen alle bestrijding en zo de gemeente op ~ bouwen op het fundament van apostelen en profeten en haar te doen zijn een zuil en grondslag, die de waarheid draagt en voor allen kenbaar maakt. Paulus schrijft hierover uitvoerig in zijn brieven aan Timotheus en aan Titus. De kerk heeft de bevoegdheid en de plicht om de waarheid, die ze gelooft, te belijden en als belijdenis in haar midden te handhaven. Zonder vaste belijdenis wordt ze aan allerlei dwaling en verwarring onderworpen en vaak overgeleverd aan de tyrannie van bovendrijvende richtingen. Dus niet om het Schriftgezag te verengen, maar juist om de gebondenheid aan de Schrift te onderstrepen wordt de belijdenis aanvaard.
Daarmee wordt dan ook niet tekort gedaan aan de waarheid van de Schrift.
De belijdenis staat niet naast, maar diep onder de Schrift. De waarheid Gods blijft de enige regel van het geloof.
Formulier van Enigheid
De belijdenis is voorts nodig om openlijk de eendracht in de leer te betuigen. De gelovigen kennen elkaar als broeders en zusters aan de ware belijdenis. Ook de kerken herkennen elkaar, al zijn ze ver van elkaar verwijderd. De belijdenis geeft ook een band met het voorgeslacht, dat mee heeft gewerkt aan de totstandkoming en formulering van de belijdenis. Ter begunstiging en bewaring van de eendracht en eenheid is een belijdenis gewenst.
De belijdenissen zijn primair formulieren van Enigheid.
Alleen de Schrift regel des geloofs
Hoe waardevol de belijdenis ook is, toch moeten we steeds in het oog houden, dat de H. Schrift enige regel, richtsnoer en grondslag van de kerk is. Tenslotte is de belijdenis een menselijke uitlegging van de Schrift en dus feilbaar! Bavinck wijst in zijn "Gereformeerde Dogmatiek" met nadruk op de beperktheid van de belijdenis. De kerk, zo schrijft hij, heeft een geloof, dat veel rijker is dan in de belijdenis tot uitdrukking komt. De confessie formuleert lang niet de ganse inhoud van het christelijk geloof. Zij neemt slechts op, wat binnen of buiten haar bestrijding heeft ondervonden.
De Schrift is alleen norm en regel van geloof en leven, de belijdenis verdient alleen geloof omdat en in zover zij met de Schrift overeenkomt en blijft als feilbaar mensenwerk revisibel en examinabel aan de Schrift. Binnen de kerk heeft de belijdenis autoriteit als akkoord van gemeenschap, als uitdrukking van het geloof der gemeente, maar zij gelooft en handhaaft die belijdenis alleen op grond van de Schrift.
Wanneer men in de vrijgemaakte kerken naar deze woorden van Bavinck geluisterd had, zouden ons in die kerken veel moeiten bespaard zijn gebleven.
Binding aan de belijdenis
De belijdenisgeschriften zijn een bepaalde tijdgebonden formulering van het gereformeerd belijden. Het is dan ook nooit de bedoeling geweest om de mensen in onze tijd aan elk woordje en elke term uit de 16e en 17e eeuw te binden. Het ging altijd om de inhoud van het belijden. Men wilde de belijdenis dan ook niet eng kritisch lezen. De kerken van de Reformatie accepteerden van elkaar verschil van inzicht. Calvijn wilde zelfs wel de lutherse confessie ondertekenen als de eenheid daarmee gediend was. De binding aan de belijdenis betreft de geloofsinhoud. Niet alles echter wat in de belijdenis staat, is geloofsinhoud. Het noemen van de namen der bijbelboeken behoort niet tot de geloofsinhoud, als de Bijbel zelf die namen niet noemt. Of ik Paulus de schrijver van de brief aan de Hebreeën noem of niet, heeft met mijn geloof niets te maken. Geloofsinhoud is wel, dat dit boek canoniekis.
Hetzelfde geldt van het tekstbewijs. Het is geen geloofszaak, of de catechismus bij zondag 22 al dan niet een tekst terecht heeft geciteerd.
Ook de uiteenzettingen van de dwalingen van Luthersen en Roomsen behoren niet tot de geloofsinhoud. Wanneer iemand zou menen, dat de uiteenzetting van de Paapse mis niet juist is, komt hij daarmee niet in strijd met de belijdenis.
Zo had prof. dr K. Schilder bezwaar tegen de omschrijving, die de Catechismus geeft over de voorzienigheid Gods en ook de uitspraak in art. 35 N.G.B. dat Judas het sacrament ontving, werd door hem verworpen. Maar dit waren geen bezwaren tegen de geloofsinhoud.
Aan de geloofsinhoud, of zoals de synode van Dordrecht het noemde "de substantie" zijn wij gebonden. Daaraan mogen wij niets afdoen. Maar kunnen wij ons dan wel akkoord verklaren met "alle artikelen en stukken der leer", zoals dat met een ouderwetse term gezegd wordt? Prof. Veenhof wijst er in navolging van dr Kuyper op, dat deze uitdrukking niet een binding bedoelt aan "elke uitdrukking, term, zeggingsmanier, bewijsvoering of uitlegging van Schriftuurtekst" ("Om kerk teblijven", blz. '126).
Dat is nooit de bedoeling van de synode van Dordrecht geweest.
Belijdeniskerk
Onze kerken zijn belijdeniskerken en ze brengen dat ook in hun naam tot uiting. Dat is een hele intentie. Belijdeniskerk zijn en blijven. Dat zal altijd strijd blijven kosten.
Steeds dreigt het gevaar van een loslaten van de belijdenis aan de ene kant en van confessionalisme aan de andere kant. Maar dit laatste is in feite ook een loslating van de echte belijdenis, nl. het op de achtergrond schuiven van de Schrift.' In de belijdenis spreekt de kerk, die door de eeuwen heen gevochten heeft om het Woord des Levens zuiver te bewaren. "De Kerk gaat de eeuwen door, tegen de dwaalleer en ten behoeve der wereld buiten en binnen de Kerk haar geloof in Christus belijdende, ter ere van Christus zingende." (prof. v. Niftrik). De belijdenis is een lied, dat de kerk gezongen heeft, zelfs met het uitzicht op de brandstapel. En wij mogen, in gemeenschap met de broeders' en zusters, ook met hen, die ons voorgingen, belijdenis afleggen van datzelfde geloof.