Revolutie in Nederland (3, slot)
1982-07-09
II. WAT ZIT ER AAN VERLEDEN ACHTER?- Jaargang 26
- nummer 27
Ja, wat zit er achter de antidiscriminatiewet en achter de verschillende reacties daarop? Nog minder dan bij het eerste vraagpunt kan een uitgebreid antwoord worden gegeven. Ik concentreer me op wat het dichtst bij huis en heden is.
Zoals reeds gezegd, wortelt de antidiscriminatiewet in de eerste zondeval. De onder ons meest bekende westerse achtergrond is die van de Verlichting en de Franse revolutie, twee eeuwen geleden. Door de levenslange strijd van Groen van Prinsterer tegen 'ongeloof en revolutie' bleven twee leuzen van het einde der 18e eeuw onder ons bekend. Vertaald luiden ze: 'geen God en geen meester!' en 'vrijheid, gelijkheid en broederschap!' In die Hjn willen de humanistische voorstanders van het discriminatieverbod de autonome mens, het zgn. individu, zijn gang laten gaan. Men verheerlijkt dat wat de bijbel in rampzalige wetteloosheid en bandeloosheid ziet uitkomen en ontaarden. Zolang echter minder dan een kwart van de Nederlandse bevolking zich tot deze humanistische visie bekende, vloeide er voor de wetgeving niet veel bloed uit.
Reeds in de eerste helft van de 20e eeuw deed zich - na het wonder van de 1ge eeuw - een geestelijk verval voor, dat de weerstand van de orthodoxen tegen de zojuist geschetste visie ondermijnde. Toch begonnen hun invloedrijke leidslieden pas omstreeks het midden van de 50er jaren overstag te gaan in dogmatiek en ethiek, om tenslotte in de 70er jaren massaal de ideologie van vrijheid en gelijkheid te huldigen. Ik kan dit proces onmogelijk voor u schetsen, maar noem kortweg een paar verschijnselen van recente datum. Begin 60er jaren werd de theologie van 'God is dood' niet aanvaard in de leer, maar veelszins wel in het leven van het gros der zgn. confessionelen. Beter kan men zeggen, dat het Godsgeloof op grote schaal een dode letter ging worden. Verkapte vormen van modernisme en evolutionisme staken de kop op. Men wilde het geloven in het koninkrijk Gods hier en nu tot aanschouwen maken, door maatschappijhervorming of -revolutie die samen met ongelovigen zou kunnen worden voltrokken. Horizontalisme begon het tweede gebod voor het grote gebod te houden. Dit alles liep uit op een officiële aanvaarding van de Schriftkritiek door de Gereformeerde synode. Toen op die manier God eenmaal 'monddood' was gemaakt, konden het gebod, het gezag en de geschiedenis onbelemmerd worden belaagd. Het antimessianisme laat ons zijn banden verscheuren!' (Psalm 2) begon in de grote kerken verhuld en niet bewust, maar wel in feite op te klinken.
Synodebesluiten over ontwapening en homoseksualiteit spraken voor de aandachtige buitenstaanders boekdelen, terwijl vele binnenstaanders zich door de plaatselijke prediking murw gemarteld begonnen te voelen. Momenteel houdt nog slechts een procent of vier van de tweede Kamer ongecompromitteerd stand tegen de antidiscriminatiewet.
Is dat alles? Gelukkig niet helemaal. Merkwaardig genoeg riep eind 1980 uitgerekend een geestelijke nazaat' var! de Verlichting op tot bezinning en een zekere heroriëntatie. Mijn oud-leermeester, de socioloog prof. dr E. W. Hofstee, gaf toen namelijk in Wageningen afscheidscollege onder de treffende titel: "Vrijheid, gelijkheid en eenzaamheid". Hij signaleerde een schier alomtegenwoordig hyperindividualisme, waartegen zelfs ‘groot-confessioneel' - verzwakt tussen de wereldoorlogen - sinds het midden van de eeuw snel al minder weerstand wist te bieden. Hofstee erkende het hyperindividualisme niet als een wettig kind van - het streven naar vrijheid en gelijkheid, maar wel als de oorzaak van vereenzaming in plaats van verbroedering.
Zoals gezegd, beginnen sinds kort ook meer en meer leden van de sterk door revolutie aangetaste kerken in opstand te komen. Zij volgen de leidslieden, die zich al jarenlang sterk van hun achterban hadden vervreemd, veel minder voetstoots dan tevoren. Bovendien mijden de gealarmeerde evangelischen de politiek sinds vorig jaar aanmerkelijk minder dan tevoren.
Kan door deze kentering het op hol geslagen paard nog tot stilstand worden gebracht, of is er zonder verdiepte strijd geen houden meer aan?
De Ned. Geref. Kerken
Voordat op die vraag wordt ingegaan, eerst het een en ander over onze Ned. Gereformeerde Kerken.
Wat zit er achter onze vrij matte houding tegenover de antidiscriminatiewet?
Verklaart de kleinheid van ons getal genoegzaam, dat onder ons geen alerte reageerder als de Chr. Gereformeerde prof. dr W. H. Velerna opstond? We dreigden tussen de wal en het schip van de voor- en tegenstanders der wet terecht te komen. Wat is de oorzaak daarvan? Een zuiverder onderscheiden dan dat van de voor- en tegenstanders, of meer 'een halfheid?
Mijn inleiding wil een begin van antwoord op die vragen geven. Wat nu volgt, .is met enige overdrijving en generalisatie gezegd, om eventuele slapers in uw midden wakker te schudden.
Dat wij ons overrompeld gevoeld hebben door wat in januari voorviel, is niet te verontschuldigen. De orthodoxe protestanten golden, als een gewaarschuwd man, voor twee. Zij zijn in het Nederlands in 1965 en in 1975 indringend gewaarschuwd voor het nabije oordeel over de westerse revolutie in de theologie en ethiek, door een ware profetes, de Duitse dr Basilea Schlink. Deze evangelische moeder-overste van de Marienschwestern signaleerde een en andermaal de opstand tegen God en de zedenverwildering, die vanaf het uiteinde der 50er jaren internationaal om zich heen begonnen te grijpen en die in Amerika vanaf 1972 scherpe wetgevingsconsequenties begonnen te krijgen. Zij schreef: "Bekering geeft volmacht tot priesterlijke voorbede, dat het oordeel kan opschorten." Ondanks de alarmerende titel "En niemand wil het geloven", drong haar boodschap niet tot ons door. 12)
Waren wij te afgesloten en in eigen kring opgesloten, om dit profetisch woord te kunnen horen en bewaren? Of viel de boodschap niet op, omdat iets dergelijks reeds uit ons eigen midden had opgeklonken en ter harte was genomen? Gezien onze flauwe reactie van januari is dit laatste niet erg waarschijnlijk. Behoren wij misschien te zeer tot de lichte gereformeerden, als erfgenamen van het vrijwel een eeuw oude neocalvinisme met zijn cultuuroptimisme en activisme, om de geesten goed, te kunnen beproeven? Of moeten we historisch wat dichter bij huis blijven?
De zgn. reformatie van de 30er jaren heeft ernstige kritiek uitgeoefend op de leer van de veronderstelde wedergeboorte, maar in hoeverre zijn de vrijgemaakte Gereformeerde Kerken wedergeboren tot een levende schrik en hoop? Waardoor kon het gebeuren, dat we ons als vrijgemaakten in onderlinge kerktwisten verteerden op een zo kritiek moment van de hedendaagse geschiedenis? Hoe lang zullen we elkaar nog als zondebok nodig vinden? Was er bij de latere binnenverbanders alleen maar krampachtig kerkisme in het spel en waren de latere buitenverbanders geheel vreemd 'aan vrijbuiterig independentisme?
Sloeg de ene partij niet in een vrij hard profetisme en de andere partij in een half zacht pastorisme door? Hoe velen van ons, die 'Ned. Gereformeerd werden, zetten zich min 'of meer af tegen hun eigen verleden (wat geen garantie voor bekering is)? In reactiehouding neigden wij tot een werelds roemen in eigen ruimheid, tot een onbijbelse tolerantie en tot een onvruchtbaar informalisme.
Dit alles, gepaard met matheid door krachtverspilling, maakte ons bijzonder weerloos voor de revolutiegeest die over ons spoelde. Hoe konden zij, die zich in het kerkelijk leven vooral tegen wetticisme keerden, in het maatschappelijk level) speciaal voor wetteloosheid op hun hoede zijn? 13) , Gingen we ons niet veelszins kneuterig koesteren in een eigen, gelukzalig kerkwereldje? De natuur was sterker dan de leer en dus gedroegen we ons als een vrij exclusieve ware kerk; geen woorden maar daden! In het self-made paradijsje kon
uiteraard geen maranatharoep weerklinken, daarvoor schermden we ons te zeer af van de boze wereld, als zout in het vaatje. Hoe boos die boze wereld wel was, dat ontging ons ook hoe langer hoe meer. Vanwaar toch onze drang naar zelfbevrediging?
leder ouderechtpaar en iedere leermeester laat veel van de opvoeding resp. het onderwijs bestaan uit het geven en begeleiden van praktische oefeningen. Maar onze kerkenen andere - verschralen nog steeds door een soort rationalisme en individualisme.
De oudsten laten graag smullen van een goede prediking, maar laten de praktijk der godzaligheid van de schapen (tucht zowel als troost) zeer overwegend aan het particulier initiatief over. Hoe velen onder ons zijn overwegend als schapen zonder (onder)herder?
Biechten en vasten staan bij ons laag genoteerd. Zouden daaronder de schuldbelijdenis voor de Heer en de gebedsworsteling voor zijn aangezicht niet lijden? Is het wel wijs, om in zo'n situatie naar buiten te gaan voor evangelisatie? Kunnen we zo de revolutiegeest van onze tijd ooit prijs geven?
Het vuur van de sociale en culturele revolutie is ontstoken in de nieuwere sociale wetenschappen.
Wij reformatorische christenen nemen daarvan weinig kennis, meer aangetrokken als wij ons voelen tot de wetenschappen van natuur en techniek, economie en recht. Toen de schaduwen van de welvaartsmaatschappij vielen, stonden we met onze (zelf)kritiek bijtijds klaar, zonder echter voldoende te beseffen, dat het hoofdfront van de menselijke hoogmoed intussen naar de welzijnsmaatschappij was verschoven.
De evangelischen mogen bijna compleet buiten de wetenschapswereld staan, zij deden als gezegd dan toch maar veel praktische kennis van de noden en zonden der onwelzijnsmaatschappij op, wij niet. U zult nu misschien wel verstaan, dat ik mijn hart vasthoud voor de jongeren onder ons. Als zij eenmaal op ons introverte wereldje uitgekeken raken of anderszins daarvan losgeweekt worden, zullen ze dan niet meer massaal en fervent dan nu al het pad van de verloren zoon opgaan?
En voor zover zij het wel onder ons uithouden, zouden zij weleens als straks leidende generatie ten dele de verloren zoon kunnen gaan nabootsen en ten dele het beeld van diens oudere broer kunnen gaan vertonen. Ik weet het, wie van ons allen is vrij van deze uiteenlopende soorten ontkerstening!
Maar ik vrees een verdere profilering ervan en Gods oordeel daarover.
III.WAT STAAT ONS IN DE NABIJE TOEKOMST TE WACHTEN?
De antidiscriminatiewetgeving is, zo hoop ik u duidelijk te hebben gemaakt, geen incident maar een symptoom van dieper zittende en breder werkende revolutie. De diepte werd in het voorgaande verkend, de breedte laat ik rusten. Wat staat ons nu als volk en christenheid van Nederland te wachten? We zijn - op de gemeenteavond in Apeldoorn - begonnen met de lezing van Mattheüs 3 : 1-12, omdat ik vrees dat het oordeel begint bij het huis van God. In het jaar 70 werden de zonden van de puur heteroseksuele Joden bezocht, eeuwen voordat de sterk homoseksuele Romeinen onder Gods oordeel doorgingen. De situatie van toen is voor een belangrijk deel onvergelijkbaar met die van nu. De westerse beschaving is immers momenteel niet een spoedig gekerstend maar een spoedig ontkerstende cultuur. Naar mijns inziens ligt de bijl, naar uitwijzen van het evangelie, wel primair aan de wortel van het vergaand vruchteloze christenvolk.
Misschien is er nog hoop, voor en door de rest die op de knieën valt. ellicht gaan ontredderde zondaars van buiten de kerken ons voor in het koninkrijk der hemelen.
Onze tijd baart en vreest het doemdenken, niet toevallig! We hunkeren naar hoop. Maar we stoppen onze oren toe voor het refrein: "Heden, nu gij toch immers zijn stem hoort, verhardt uw harten niet!" Net als Nicodemus willen wij christenen zonder de Doper, met zijn bad der wedergeboorte, naar de Messias, met zijn afkondiging van het jubeljaar. Zeggen we niet tegen de Jehovagetuigen en dergelijken: "we zijn al bekeerd"? Toch weten we het diep in ons hart zo goed, dat er slechts één weg tot het leven is, die welke de dood niet probeert te omzeilen, de kruisweg waarop het hart verbroken en de geest verbrijzeld wordt, de weg waarop het 'geloof alléén' en 'Christus alléén' werkelijkheid wordt. Naarmate we die weg gaan, zullen we ons in Christus de nood en schuld kunnen aantrekken van ons Nederlandse volk, dat bezig is de laatste geestelijke reserves aan te spreken.
Noten
12 In 1964 werd "Und keiner wollte es glauben" geschreven en in 1975 verscheen het in magazine-vorm "De realiteit":
13) De discussie na mijn inleiding betrof onder meer het ontbreken van vooraanstaande Ned. Gereformeerden op het appèl in januari (afgezien van hen die in het kader van de E.O. actie voerden). Het ontstaan van een zekere matheid na 1968 erd wel in verband gebracht met verootmoediging. Een ander wees op het zwijgen uit verslagenheid, omdat het protest hoegenaamd niet kan opwegen tegen het vele dat reeds is misgegaan in Nederland, zodat meer aan het gebed zal moeten worden gedacht. Ik denk, dat veel overhaast en onzuiver spreken in het verleden heeft geleid tot een nu te lang zwijgen en een spreken dat van de ene in de andere onzuiverheid verviel. Toch zou uit de lessen van enerzijds eind 60er jaren en anderzijds begin 1982 wel iets goeds geboren kunnen worden.