Op de drempel van federatie (2, slot)
1982-07-09
Ds. Van den Brink vermeldt in zijn artikelen een zekere terughouding zowel bij de CGK als bij de NGK, als het er om ging nader tot elkaar te komen. En één van de redenen aan NGK-zijde was: de interne CG-problematiek. Zelf heb ik mijn artikel in Ambtelijk Contact, 20e jrg. nr. 7, pag 655 v.v., reeds iets gezegd over de mogelijkheid dat niet ieder er zo gebrand op is samen met de CGK tot eenheid te komen. Wie jarenlang, misschien wel, zoals ik, zijn leven lang lid is geweest van de CGK, heeft er heus geen behoefte aan de loftrompet te steken over zijn kerk. Als het er om zou gaan op te sommen wat er zo al mis is in die kerken, dan zou ik een lange reeks artikelen kunnen schrijven. En ik kan er best inkomen dat sommigen die kerk verlieten en nog verlaten.- Jaargang 26
- nummer 27
Waar kom je terecht als je één wordt met de CGK? Nu voel ik er niets voor om een dergelijke opsomming te geven. Dat doe ik wel in alle stilte in de momenten dat ik moedeloos tegen mijn kerken aankijk. En gelukkig helpt mij dan ook weer de wetenschap dat de kerk, ook de CGK, niet .een zaak van mij is, maar van de Here Jezus Christus; die mij in die kerk geroepen heeft om zijn werk te doen. Voor Hem is wat in de kerk fout is, nog veel verdrietiger dan voor mij. Zo lang Hij zijn kerk niet opgeeft, ga ik maar weer door. Zo ben ik meteen af van de vraag of het bij anderen erger of minder erg is.
Niet vanwege een vergelijking, waarin de keus aan mij is gelaten, maar vanwege Gods leiding in mijn leven ben ik CG. Daarom heb ik ook de "lasten te dragen" van de cox en daarom ben ik erg blij met wat ds v. d. Brink schrijft over het elkanders lasten dragen, ook bij een federatie. In de kerk zal het nooit anders kunnen, denk ik.
Wat die "gesloten kansels" betreft, moeten we die zaak nuchter bezien. Als iemand toegelaten wordt tot de dienst des Woords, betekent dit niet dat hij zonder meer recht heeft op de toegang tot alle chr. geref. kansels, maar eigenlijk alleen maar dat de kerkenraden hem mogen vragen voor de prediking en sacramentsbediening. Pas de beroepbrief geeft rechten aan de beroepene.
Een kerkenraad kan dus vrij iemand niet tot de plaatselijke kansel toelaten, zonder zich daarvoor bij enige instantie te moeten verantwoorden. En hij kan daartoe wel eens redenen hebben, ook zonder dat de rechtzinnigheid van de betrokken dienaar daarbij in geding is.
Maar wanneer dit sluiten van de kansel een kwestie wordt waarin een bepaald systeem te ontdekken valt, is het natuurlijk anders. Dan gaat het niet maar om eigenaardigheden van een. enkele persoon. Niet een bepaalde prediker, doch een bepaalde prediking is dan in geding. De narigheid in de CGK is, dat bij alle geklaag hierover nimmer man en paard wordt genoemd.
Voor zover ik weet is dienaangaande nog nimmer een klacht in de kerkrechtelijke weg ingediend.
Daarom blijft het bij een algemeen veroordelen op grond van wat wordt gehoord of eventueel geconstateerd. Ik betreur deze gang van zaken zeer.
Daarbij komt dat waar deze zaak wèl aan de orde gesteld is, n.l. op ambtsdragersconferenties, zowel classicaal als landelijk, het heel erg moeilijk, blijkt elkaar te verstaan en daarmee elkaar recht te doen.
Dat wil niet zeggen dat ik om de feiten heen wil. U als NGK hebt er recht op, als u deze klachten hoort en leest, er meer van te weten. Want het gaat om niets minder dan de geestelijke leiding, die door de prediking aan de gemeente wordt gegeven. Om die reden is reeds vele jaren bij de samensprekingen door de CGK de prediking aan de orde gesteld. En geheel terecht doet u het ook.
Eenvoudig is het intussen niet. Zelf lees ik van mijn collega's in de CGK nu en dan een preek of een meditatie. En ik kom er tegen, zowel in De Wekker als in kerkbodes, waarvan ik ronduit moet zeggen dat ze mij allerminst aanstaan. Er zijn er waarin het feit dat ook kerkmensen met een keurige levenswandel vreemdelingen van het leven der genade kunnen zijn, niet
aan de orde komt. "Een poeslief evangelie", zoals ds. Velema het noemde. Er zijn er ook waarin de noodzaak van wedergeboorte telkens wordt genoemd, maar de kracht Gods tot wedergeboorte en de weg erheen wordt niet gewezen.
Dus helemaal geen evangelie. En dit lees ik ook wel van collega's die in eigen kring erover jammeren dat het zo oppervlakkig in onze kerken toe gaat. Die telkens uitroepen dat het werk van de Heilige Geest in de prediking wordt gemist, maar die het presteren om de Heilige Geest niet eens te noemen.
Maar is dit nu werkelijk het karakter van hun totale prediking? Om dat te zeggen zou ik meer moeten weten, al vrees ik dat het zo is, ook om wat ik zo nu en dan wel eens over hen hoor. Ook van mensen die ik ken als bekwaam om goed te onderscheiden. Zijn er Aquila's en Priscilla's met hen aan de praat (Hand. 18 : 28)? Ik hoop het. Moet ik niet alleen die predikers wantrouwen, maar ook hun kerkenraden? En misschien hun classes en visitatoren? Het terecht aan de orde stellen van deze zaken door de NCK zal heus de CGK wel in enige verlegenheid brengen. Dat is niet erg. Dat moet de kerk - indien zij waarlijk naar gereformeerde belijden kerk wil zijn - kunnen verdragen. Want de last, die wij van elkander moeten dragen, mag nimmer bevatten de uitholling of verloochening van het gehele evangelie en dus geestelijke misleiding van het volk Gods. De CGK heeft in alle samensprekingen, eerst met de Gereformeerd Kerken, daarna met de Gereformeerden binnen verband, en vervolgens met de Nederlands Gereformeerden, niet geschroomd hierover elkaar vragen te stellen. Het zou wel heel vreemd zijn als de CGK zich van deze vragen, maar nu tot haarzelf gericht, zou afmaken. Het gesprek zal er niet gemakkelijker op worden.
Maar ik geloof dat de liefde tot Gods waarheid er toe roept. Op de weg van het herkennen. en erkennen van elkaar zal het herkennen en erkennen van eigen gebreken niet gemist kunnen worden.