Thessalonika, waar de wereld op z'n kop stond

1982-07-30
  • Jaargang 26
  • nummer 29
We zijn - Paulus volgend - in de tweede stad van Griekenland aangekomen. De eerste indruk is niet erg gunstig. Stoffige wegen. Uitgestrekte industrieterreinen, zo mogelijk nog troostelozer dan bij ons. Verveloze en vale loodsen. Een afgang na de schitterende rit die we juist achter ons hebben. In een uur of vijf zijn we hier gekomen. Paulus heeft er wel een dag of vier over gedaan, denk ik. Minimaal. Maar hij heeft misschien wel meer van het landschap kunnen genieten.

Onze tocht heeft ons gebracht langs bergkammen, steile afgronden, en moeilijke bochten. Daarna langs een oude leeuw, die bij het plaatsje Amfipolis is neergezet.
We zijn langs de zee gekomen, fel blauw. Zandstranden, dorpjes met terrassen. 'Badgasten met 'bruin en bloot lijf, al naar gelang de soort gekleed in één of in twee reepjes textiel. Ver naar het zuiden hebben we het Athos-gebergte zien uitsteken in de zee. Bij die blauwe bergen in de verte zijn duizenden Perzen omgekomen, toen hun vloot op de klippen sloeg. Het is bijna 2500 jaar geleden, maar wie kijkt er in dit land op een paar eeuwen? Nu wonen er alleen monniken, nog een paar duizend. Vrouwen mogen er niet komen op “hiagio oros", de "heilige berg".

De eerste van twee uitgestrekte meren, rimpelloos en leeg. De lucht hangt zinderend boven de lage heuvels die het omgeven. Wie weet is het er te windstil, zodat er daarom geen zeilboten en surfplanken te zien zijn. Of zouden de mensen gewoon te arm zijn om op het idee te komen? Die blote mensen van daarnet lijken nauwelijks op de in het zwart gekleden boeren en hun vrouwen, die zwijgzaam op hun kar zitten, getrokken door een gemelijke ezel.
De vlakke weg begint te klimmen. We komen in de buurt van de grote stad die immers mede gekozen is vanwege de beschutting die een paar hoge bergen geven aan haar natuurlijke haven.
Vlakbij de zee een gave toren. "De Witte Toren" hoorde bij een heel verdedigingssysteem, dat de Turken in de Middeleeuwen ontworpen hebben. Volgens een reisgids hebben er zo'n 60 torens gestaan. Alleen déze staat nog overeind. Wie de stad ook belegerd hebben, ze hebben wel hun best gedaan bij het slopen. Een groot deel van de oude stadsmuren is nog intact, veelal door een park omgeven. Een stuk ervan schijnt nog uit de Oudheid te dateren. Verder is er niet zo heel veel echt Romeins. Een grotendeels intacte overwinningsboog, de Boog van Galerius, staat op een plein, vlak naast de geasfalteerde Via Egnatia. De man had in 297 de Perzen verslagen en dat wilde hij weten. Hij werd' omstreeks die tijd keizer van het halve Romeinse Rijk en gaf blijk van grote weerzin tegen Christenen. In zijn ambtsperiode werd onder andere de heilige Demetrios -ter dood gebracht, nu de beschermheilige van de stad.

Demetrios moest dood, omdat hij de keizer hoogst persoonlijk tegen zich in het harnas had gejaagd. "In het jaar 303", lezen we in een gids "de tijd der christenvervolging, stierf de heilige Demetrios de marteldood. We weten dat de Romeinen Demetrios gevangen zetten in het Romeinse bad. We weten ook dat er op de dag van zijn dood een groot feest was in het stadion en dat de heilige Demetrios een jong christen, Nestoras, zegende die tegen de Romeinse gladiator Liaios moest vechten. Liaios was de lievelingsvechter van koning Galerius en werd in dit gevecht door Nestoras gedood. Galerius, kwaad om Liaios' dood, beval de dood van Demetrios en Nestor. Om de heilige Demetrios te eren bouwde de christenen de eerste kerk in 313 in het Romeinse bad."

Kerken
Een grote basiliek, met lange rijen pilaren, halve koepels, een hoog houten dak. Binnen de gebruikelijke Grieks-orthodoxe attributen. Wierook van net geleden verdrijft de geur van wierook al eeuwenlang verschraald in het gebouw hangt. Iconen, vaak beroet en donker. Flakkerende kaarsen. Priesters met een soort zwarte kachelpijp op hun hoofd en een zwarte toog aan, met een indrukwekkende baard, zwart of wit, al naar gelang de leeftijd. Fraaie mozaïeken, fresco's, wandschilderingen van eeuwen geleden.
Heiligen kijken je onbeweeglijk aan. Naast Hagios Demetrios, de kerk van de heilige Demetrios, heb je ook de Hagia Sophia, de kerk van de Heilige Wijsheid, de Ousios David, de heilige David, de Pan Hagia Chalkeon, de zeer heilige kerk van de smeden. En ga maar door. Overal heiligen. Overal kleine kerkjes, kleine torens, kleine raampjes, veel koepels, fijn metselwerk rond de daklijst, rond de ingang.
Nederige kerken. Hun gebrek aan pretentie wordt nog benadrukt door de hoge flatgebouwen, die er veelal omheen staan en hen nietig maken.

Al die kerken staan er uiteindelijk omdat Paulus en Silas de stad bezocht hebben. Paulus en Silas waren niet zonder kleerscheuren en ongeschokt uit hun avontuur in Filippi tevoorschijn gekomen. Ook in Thessalonika ging het niet allemaal vanzelf . We lezen erover in de Bijbel, Handelingen 17. In dit geval geen problemen met de Romeinse overheid - die was er ook bijna niet, want Thessalonika was een "contitio libera", een "vrije stad". Er mochten in de stad geen Romeinse militairen gelegerd zijn, men had min of meer zelfbestuur en de mensen in Thessalonika mochten hun eigen munten slaan.

Weinig Romeinen dus, maar wel veel Joden. Al drie eeuwen voor Paulus' komst waren Joden in The salonika gearriveerd, voornamelijk handelaars. Paulus ging naar de synagoge, waar hij - zoals altijd - over Jezus sprak, die de beloofde Messias van Israël zou zijn. Ook over Jezus' dood en opstanding sprak hij. Hij "behandelde" drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften (het Oude Testament), door aanhalingen uitleggende dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden".
Hij had succes, lezen we, maar niet in de eerste plaats bij de Joden zelf. "En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken die God vereerden, en tal van voorname vrouwen". (Hand. 17 vers 4). Het was voorspelbaar dat er moeilijkheden door zouden ontstaan en die kwamen ook. Net als in Filippi bleek Thessalonika in het bezit van een soort beroepswerklozen of anderen die tuk zijn op een verzetje.
Het volk kwam de straat op en het huis van Jason, waar Paulus verbleef, werd bestormd. Wat was de aanklacht? De vreemdelingen hadden politieke standpunten verkondigd.
Ze hadden Jezus "kurios" (heer) genoemd, terwijl toch alleen de keizer die titel mocht ontvangen...
Ze hadden, zei men, de wereld op zijn kop gezet. (Natuurlijk kun je, met zeker zoveel recht zeggen, dat de wereld al op zijn kop stond. Paulus zette hem weer goed. Niet Caesar, maar God is heer van de wereld.)

Zoals altijd maakten de politarchen, de Thessalonische titel voor hun stadsbestuurders, zich ongerust. Het lijkt erop dat men de zaak heeft willen sussen en daarom een soort "erewoord" heeft geëist dat Paulus de stad zou verlaten en er (voorlopig?) niet in terugkomen. Kennelijk is die belofte min of meer afgedwongen en Paulus is daarom verder gegaan. Timotheüs is al gauw naar de stad teruggestuurd, waarschijnlijk omdat het erewoord was gegeven voor Paulus, en niet voor alle leden van zijn gezelschap...
Een gemeente die nog maar net op eigen benen staat, moet het nu verder zelf maar uitzoeken. Waren ze nog maar drie weken christen? De tekst van Handelingen doet dat vermoeden. Of een paar maanden? Zeker nog niet lang. Paulus weet hoeveel ze nog moeten leren, maar ook hoeveel ze nog moeten hören. Gewoon: wat de Heer heeft gezegd, hoe christenen moeten leven. Dat moet Timotheüs vertellen, dat vertelt hij ook verder in zijn twee brieven.

Paulus en zijn gemeente
Wat wil Paulus hun nu graag doorgeven? We zien een paar dingen heel duidelijk naar voren komen:

1. Paulus is van deze mensen echt gaan houden.
"Wij danken God altijd om jullie allen" (1 vers 1), we "denken onophoudelijk aan jullie". (1 vers 2) "Wij gedroegen ons in jullie midden vriendelijk, zoals een moeder haar eigen kinderen koestert. We waren, in onze grote genegenheid voor jullie, bereid jullie niet alleen het evangelie van God, maar ook ons eigen leven mee te delen, omdat jullie ons lief geworden waren". (2 vers 7 en 8) Ze werkten dag en nacht om "niemand van jullie lastig te vallen". (2 vers 9)
We hebben geen "gegeven brood bij iemand gegeten, maar met moeite en inspanning werkten wij dag en nacht, om niemand van jullie lastig te vallen". (2 Thessalonicenzen 3 vers 8) "Als een, vader zijn kinderen vermaanden wij jullie stuk voor stuk". (1 Thessalonicenzen 2 vers 11) "Wij hebben een en andermaal bij jullie willen komen" (3 vers 18), omdat hij van hen "beroofd" was. Ze zijn "verlangens" hen weer te zien (3 vers 6) Enzovoort.

2. Hij is blij met hen.
"Hierom danken wij God onophoudelijk, dat jullie, toen jullie het gepreekte woord van God van ons hebben ontvangen, dat hebben aangenomen, niet als een woord van mensen, maar... als het woord van God, dat ook in jullie die geloven werkt". (2 vers 13) "Want wie is onze hoop of blijdschap óf erekrans voor onze Heer Jezus bij zijn komst; wie anders dan jullie? Ja, jullie zijn' onze eer en blijdschap (2 vers 19 en 20) "Wij zijn vertroost over jullie door jullie geloof, want nu léven we,' als jullie in de Heer (3 vers 7
en 8) "Want hoe zouden we God genoeg kunnen danken voor alle blijdschap waarmee wij ons om jullie verblijden voor onze God?" (3 vers 9) De lijst valt nog aan te vullen.

3. Ze moeten zich steeds meer gedragen naar Gods wil.
Ze moeten "wandelen, God waardig, die jullie roept tot zijn eigen Koninkrijk en heerlijkheid." (2 vers 12) Ze moeten "onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van de Heer Jezus met al zijn heiligen". (3 vers 13) Ze moeten de zaken niet op hun beloop laten, maar "wakker en nuchter zijn". (5 vers 6) Alles wat ze doen, moeten ze doen met het besef dat de Heer eraan komt en dat Hij blij moet zijn met hun daden. De dag van Jezus' terugkomst wordt niet steeds genoemd, maar wordt er wel bij verondersteld.

4. Ze moeten niet treuren om mensen die gestorven zijn.
Alsof die niet bij de Heer zullen horen. Paulus houdt hun voor dat de mensen die al gestorven zijn, ook zullen opstaan uit de dood. Ze zullen nog eerder bij de Heer zijn dan de levenden (1 Thessalonicenzen 4 vers 13-18).

Tenslotte een aantal concrete opdrachten en overwegingen: - als je gelooft, houdt dat een bepaalde kijk op werken in. Je moet je best doen. Lees 1 Thess. 4 vers 11 en 12; 2 Thess. 3 vers 7 t.m. 13.
- als je gelooft, houdt dat een bepaalde kijk op seksuele relaties in.
Niet aanleggen met de partner van een ander. (1 Thess. 4 vers 3 t/m 8) Wie daar moeite mee heeft dat Paulus dit zo scherp formuleert, krijgt te horen dat het gaat om "voorschriften door de Here Jezus (vers 2) en ook dat "wie dit verwerpt, niet een mens (verwerpt), maar God die jullie immers zijn Heilige Geest geeft". (vers 8) - als je gelooft, houdt dat een bepaalde kijk op verhoudingen binnen de christelijke kring in. Ze moeten "broederliefde" tonen (1 Thess. 4 vers 9) en leiders in de gemeente - zij "die zich onder u moeite getroosten, die u leiden in de Heer en u terechtwijzen" - "te erkennen en zeer hoog te schatten ...om hun werk." (5 vers 12 en 13) Ze moeten dat doen "in liefde". Die leiders zijn niet volmaakt, ze maken fouten, maar God zelf wil dat ze er zijn om leiding te geven. En de gemeenteleden moeten niet hyperkritisch op afstand volgen, maar "in liefde" hoogachten. Allerlei typen van mensen in die gemeente horen een eigen opvang te hebben. Wie ongeregeld is (b.v. in het weren zie de tweede brief aan Thessalonika - moet terechtgewezen worden.
Dat gaat niet zomaar! Wie al gauw in de put zit, moet je niet ekstra op z'n huid zitten, maar juist opbeuren.

En ga maar door. Je moet de mensen kennen en ieder op eigen manier benaderen. "Hoofd voor hoofd" zoals Paulus dat zelf heeft gedaan (2 vers 11) .
- als je gelooft moet je leven gekenmerkt worden door:

- blijdschap (5 vers 18)
- vrede (5 vers 22 en 23; 2 Thess. 3 vers 15 en 16)
- dankbaarheid (5 vers 18)
- voortdurend gebed (5 vers 17; 2 Thess. 3 vers 1)
- stabiliteit (4 vers 11 en 12; 5 vers 6 t/m 11; 2 Thess. 2 vers 2, 15 t/m 17; 3 vers 12)

Een groot verlangen naar de mensen uit Thessalonika kenmerkte Paulus. Altijd voelde hij zich sterk betrokken bij de mensen die hij eens had bereikt. Hoe ging het met hen? Hielden ze vol ? Kwam het goed met hen?
Paulus had Timotheüs terug gestuurd om een paar dingen nog duidelijk te maken die men in Thessalonika in elk geval moest weten. "Wij hebben Timotheüs gezonden om jullie te versterken en te vermanen, opdat niemand zou wankelen onder deze verdrukkingen. Jullie weten immers zelf dat wij daartoe bestemd zijn. Want ook toen we bij jullie waren, zeiden we jullie al, dat we verdrukt zouden worden, zoals jullie weten is dat ook gebeurd. (3 vers 2 t/m 4) Later zegt Paulus tegen Timotheüs ongeveer hetzelfde: "Trouwens allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden". (2 Tim. 3 vers 12). Door al die moeite is aan hun geloof nog extra diepte verleend. De Christenen in Thessalonika hebben geweten dat ze christen waren. Demetrios die in de Arena is omgekomen wist het. Galerius, met zijn mooie overwinningsboog, wist dat er christenen waren. In de Turkse tijd' zijn er tienduizenden mensen als galeislaven verkocht, mede omdat ze christen waren. Je zou nog wel even kunnen doorgaan. Alle kleine kerkjes laten zien dat er christenen waren.

We stappen weer in de wagen. Thessalonika heeft al met al ons hart niet gestolen. Teveel auto's, straten, neonlicht, flats. Te weinig intieme kerkjes, sfeer. Toch, dit is historische grond. Wat is hier niet afgevochten, niet geleden! We gaan verder, westerse christenen die comfortabel door Griekenland reizen. Onze rug doet niet zeer. Ons leven wordt niet bedreigd. We weten misschien maar half wat christen-zijn inhoudt. Wat het is om alleen tegen een overweldigende overmacht te staan. Ik kijk nog. een keer naar de Witte Toren. Menselijke verdediging.
Er stonden er eens zestig. Nu alleen deze nog. Nog net zie ik op een pleintje zo'n laag kerkje. Ze vallen niet op. Maar het zijn er heel wat meer dan die ene. De Kerk gaat nooit verloren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief