Athene, middelpunt van de wereld
1982-08-20
Vijf rijen dik schuift het verkeer over de Sygrou, richting binnenstad. Evenveel auto's willen de andere kant op. Nog nooit heb ik zo'n verkeersweg gezien. Buitenlandse nummerborden, imperials op autodaken, ronkende vrachtwagens uit Pireus, de haven. Een enkele motor of scooter. Fietsen? Je lijkt wel niet goed wijs. Een bocht. De eerste klassieke zuilen, die tegenvallen na alles wat we onderweg gezien hebben.- Jaargang 26
- nummer 30
“Hee, hier links!" Zoals gewoonlijk komen mijn aanwijzingen voor neef Wim zeer tijdig. Achter ons wordt fel getoeterd, als we weinig elegant, maar zeer afdoende drie banen naar links opschuiven.
Onaangedaan vervolgen we onze weg. De Grieken kiezen hun auto's op basis van de claxon, dus gun hen die lol om hem te gebruiken.
We zijn er stoïcijns onder geworden, zoals past in de stad waar deze filosofen eens een machtig bolwerk hadden.
De Dianysiou Areaopagito komen. Rechts flitsen een paar sjieke souvenirzaken voorbij.
Weer een bocht. En dan - de Akropolis! Overal bussen en auto's. Toeristen in alle soorten.
maten en gewichten. Donker, licht, gespikkeld of gestreept, zo ongeveer als de veestapel van vader, Jacob. Een deel van de gebouwen staat in de steigers, Maar ze stáán er! Dáár: het Parthenon! Dorische zuilen. En däár: de Nikètempel. Hij is veel kleiner dan ik dacht. Dáár: het theater aan de voet van de rots.
De Akropolis is echter niet heel Athene. Hoe groot de rots ook is en hoe belangrijk het tempelkompleks er bovenop, het vormt maar een klein deel van de miljoenenstad.
Het moet eerlijk gezegd, eigenlijk valt Athene wat tegen. Druk en drukkend.
Op één wijk na dateert het grootste deel van Athene uit de vorige of uit deze eeuw. Wie Athene behoorlijk gedegen. wil "doen", heeft aan drie dagen wel genoeg. Mits ook de avonden erbij worden gepakt. Want Athene is overdag te heet om leuk te zijn, maar 's avonds te knus om weer uit weg te gaan. Eerst maar de stad overdag. Waar je heen kunt gaan?
Wel, in de eerste plaats naar musea, voor alle smaken. Wil je ikonen zien? Dan moet je naar het Byzantijns museum. Pal ernaast een oorlogsmuseum.
Leuk voor wie van oorlogsvliegtuigen houdt of van oude stukken geschut. Verder het koninklijk paleis. Indrukwekkende wachters in Griekse plooirok.
Een schitterend park tegenover het paleis. Zeldzame bomen, overal banken, waar je alleen of in meervoud op rusten kan. IJsventers, snoe pof sigarettenkiosken net voorbij de plantsoenen.
En natuurlijk: het Nationaal museum. Een overweldigende voorraad wapens, grafstenen, sieraden, staande beelden, zittende beelden, en beelden in het algemeen. Voordat je halverwege bent, loop je met je tong onder de zolen! Maar béélden! Met ouderlijke trots kijken we naar Wouter en Pieter los, die al een ontluikende interesse voor kunst blijken te bezitten. Na verloop van tijd vergaat ons het gevoel van welbehagen. Ondanks de aantrekkingskracht van Mykeens goud zijn de beelden de onbetwiste topper. Maar wel naakten!
Het internationale gezelschap minderjarigen wordt niet moe zich te verlustigen aan dit laakbare gebrek aan antieke schroom." Verder: het Syntagmaplein midden in de stad.
Een nooit ophoudende verkeersstroom houdt de terrasjes midden op het plein in de houdgreep.
Achter ons een fontein en het Parlementsgebouw. Op een hoek de Franse en Egyptische ambassade.
Lange terrassen, met skai-stoelen, door luifels tegen de zon beschermd. Laat je na eerst even de zitting te voelen dan blijft bij het opstaan je huid aan de stoel plakken.
Plaka
Maar die terrasjes zijn niet te vergelijken met die in de Plaka! De oude Turkse wijk ligt aan de voet van de Akropolis. Als je daar overdag over de balustrade hangt, zie je een eind onder je de obers al af en aan rennen om tafels voor -de te verwachten gasten gereed te maken.
Als je afgedaald bent, en bent rondgelopen, kom je bij de Adrianou, een rondlopende smalle straat vol lederwaren, koperen kruisen, het onvermijdelijke keramiek, en nog veel meer. En gelukkig ook souvlaki. Lamsvlees op een houtskool vuurt je geroosterd. Wie dat heeft uitgevonden, verdient de hoogste culinaire onderscheiding, die maar verleend kan worden.
's Avonds eet je op straat, onder de platanen, of welke bomen het maar mogen zijn. Vaak een bouzouki-orkest, tegenwoordig wat elektronisch aan volume geholpen om de concurrentie de baas te blijven, die ook boxen heeft aangeschaft. En dan eten - "patates", of "moussaka", en "retsina" toe, harswijn, heel apart maar best lekker fris. Je rondt je maal af met "pagota", ijs. Ziehier, alle woorden die je nodig hebt om je in Griekenland in leven te houden.
Onder wijnranken, beneden, of op een dakterras. Met Griekse volksdansers. Of zonder.
Een magere vrouw die een winkeltje in keramiek en iconen (reproducties) drijft, vraagt onze Wouter van zes of hij zo'n icoon mooi vindt. Dat doet hij, dus krijgt hij er één.
Met een Moeder Gods plus Kindeke in zijn hand loopt hij de winkel uit. We kopen een miezerig potje, zes gulden. Krenterige Nederlanders als we zijn, kijken we - buiten gezichtsafstand natuurlijk - hoe duur dat icoon was. Vier kulden. De winstmarge op onze aankopen moest smal geweest zijn.
In Athene was het vroeger ook druk. Paulus heeft het ongetwijfeld ook heet gehad (als hij er tenminste in de zomer was). Hij is ook uit Pireüs gekomen, want de Bijbel zegt dat het laatste stuk van zijn reis over zee ging. Ook hem duizelde het, toen hij al die beelden zag. Alleen toen stonden ze nog buiten, waren ze vaak beschilderd en werden ze vereerd. Waar wij met ons kleurgevoel bij Pallas Athene alleen maar een mooie dame zien, zag hij een godin die vereerd werd, die een kolossale geestelijke macht vertegenwoordigde, samen met Zeus, Apollo, Herakies, en de anderen, die hij op zijn tocht van de haven naar het stadscentrum tegenkwam. Op zijn tocht zag hij onder meer een tempel van Demeter, de godin van de natuur en vruchtbaarheid. Vlak daarbij een tempel van Dionysus, de god van de wijn en de dronkenschap; een Odeon, een klein maar beroemd theater. Er tussenin beelden van godin Demeter en haar dochter, god Poseidon met zijn drietand, godin Athene, die mensen geneest, oppergod Zeus, god Hermes en god Apollo.
Verder zuilengalerijen, altaren, onder andere voor de Barmhartigheid, in een olijvenbosje verborgen.
En nog veel meer. Paulus zag "ze en werd razend. Noch de overweldigende kultuur van Athene, noch het aantal hoogstaande en geleerde mensen daar beletten hem hier opmerkingen over te maken.
De Grieken kennen ongeveer alle goden die bestaan. Ze hebben zich zelfs tegen eventuele nalatigheid ingedekt door ook voor "de onbekende god" een altaar te bouwen. Maar, die Jezus waar Paulus het over heeft, daarvan hebben ze nooit gehoord Paulus wordt gevraagd meer te komen vertellen. Hij krijgt te maken met het eerwaardige kollege, dat bijeenkomt op de heuvel van de oorlogsgod Ares. Daar op de Areopagus, omgeven door de intellectuele kopstukken van een stad die nog steeds in hoog aanzien staat, begint hij met zijn inleiding: "Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat jullie in elk opzicht buitengewoon ontzag hebben voor godheden" (ongetwijfeld beleefde aandacht en instemming) "Want toen ik door jullie stad liep, en zag waar jullie allemaal wel verering aan geven, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: aan een onbekende God" (nog steeds doet Paulus het goed). "Wat jullie nu, zonder hem te kennen, vereren, dat verkondig ik jullie." (zo, dus toch nieuwe goden; niet alleen een "betweter", zoals sommigen hem al noemen.)
Zo steekt Paulus van-wal. Hij heeft het over de manier waarop iedereen God kan kennendaar ligt het verschil niet tussen een Jood en een Griek. Hij komt zijn gehoor tegemoet, haalt zelfs hun eigen dichters aan en probeert zijn luisteraars zo min mogelijk af te stoten. Maar dan komt toch wel het hoge woord: Hij spreekt over Jezus en hij zegt dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. En dan. "Toen ze nu over de opstanding uit de doden hoorden, spotten sommigen, maar anderen zeiden: wij zullen u hierover nog wel eens horen." (kluitje in riet?)
Er zijn niet veel mensen die in Jezus gaan geloven; een paar mannen, wat meer vrouwen en maar één intellectueel, Dionysius de Areopagiet. Toch is die toespraak belangrijk. Veel christenen hebben er over nagedacht. Paulus gaat namelijk heel ver met zijn gehoor mee. Zolang mogelijk zegt hij dingen die ze kunnen volgen. Ook brengt hij zijn boodschap in bewoordingen, die ze kunnen begrijpen. Hij geeft aan de Grieken geen aanstoot, net zo min als hij dat de Joden doet. (1 Korinthiërs 10 vers 32).
Als Paulus in die brief aan mensen in Korinthe (daarover de volgende keer) ophaalt hoe hij destijds bij hen is gekomen, meteen- uit Athene, dan zegt hij het volgende: Toen ik bij jullie - kwam, ben ik niet met schittering van woorden of met wijsheid jullie het getuigenis van God komen brengen. Want ik had niet besloten iets te weten behalve Christus en die gekruisigd.
(hoofdstuk 2 vers 1 en 2 van de eerste brief). Uit woorden van 1 Korinthiërs 12 hebben veel mensen geconcludeerd dat Paulus nogal afgeknapt was van het matige resultaat van die aanpak in Athene! Daarom zou hij, zeggen ze in niets met filosofie of menselijke kennis te maken willen hebben. En, zo gaat hun gedachtegang, dat moet óns leren dat we geen studie hoeven te maken van wat mensen in onze tijd geloven:maar eenvoudig luisteren naar wat de bijbel zegt. Meer hóeft niet en meer kán niet. Toch is dat nog niet zo eenvoudig te bewijzen. Nergens zegt Paulus dat hij bij nader inzien zijn methode niet christelijk vindt of vindt dat hij die niet gebruiken mag. Ook in latere brieven (bijvoorbeeld die aan Titus) haalt hij wel een Griekse dichter aan. Bovendien draait Paulus er op het beslissende moment niet om heen. Hij zegt dat God anders is dan al die Grieken daar geloven.
Hij zegt dat er geen goud en zilver genoeg is of toereikend om God uit te beelden.
Hij zegt ook dat er een oordeel komt - God zal de mensen voor zich laten verschijnen. En hij spreekt over Jezus, die is opgestaan uit de dood. Dat zei Paulus in een niet bij voorbaat vriendelijke omgeving.
Temidden van duizenden toeristen lopen we op de Akropolis. De rots is van witte kalksteen. Rechts bij de grote toegangspoorten staat de Nikè-tempel. Anke mag bijna van de suppoost er lopen, maar, zegt hij verontschuldigend, het is feitelijk strikt verboden, en hoe zou hij anderen kunnen tegenhouden, als zij het mag? Charmante Griek, Anke straalt: ik kijk hem wantrouwend aan. Het Parthenon staat schitterend tegen de strakblauwe lucht afgetekend.' Vroeger stond dichtbij het grote gouden beeld met de lange gouden lans, die mijlen verderop, op zee kon worden gezien, een baken voor zeelui Het beeld is weg, de tempel is zwaar beschadigd.
Een suppoost staat met een rood hoofd op een fluitje te blazen. Hij heeft tot taak toeristen te beletten de trappen te beklimmen.