Een abc van het Nieuwe Testament
1983-03-25
Heerlijkheid (van de gelovigen)- Jaargang 27
- nummer 12
Waarschijnlijk klinkt ons dat wel vreemd in de oren: "Heerlijkheid van de gelovigen". Van Gods heerlijkheid zingen we in de psalmen. Van de heerlijkheid van Christus weten we. De apostelen hebben zijn heerlijkheid gezien, want Hij was vol van genade en waarheid. Maar van de heerlijkheid der gemeente lezen we in de Schrift ook. Indertijd schreef ik daarover dit: "Iets van de heerlijkheid van Christus straalt nu reeds over en in het leven der rechtvaardigen. Nu reeds werkt de Geest des Heren in de gelovigen, zodat ze een gedaanteverwisseling ondergaan. Wij allen met onbedekt aangezicht de heerlijkheid des Heren als in een spiegel weerkaatsend, worden naar hetzelfde beeld veranderd in gedaante van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heren Geest" (11 Kor. 3 : 18).
Daarover gaat dit aritkeltje.
In de gewone zin van het woord kennen we heerlijkheid toe aan iemand, die grote rijkdom heeft of grote macht of een hoge positie. Maar van gelovigen gezegd betekent het zoiets als glans, reinheid, waardigheid, lieflijkheid. Het staat in tegenstelling tot ellende, wrakkerigheid, verloedering.
Een dronkaard of een hoereerder komt er ellendig uit te zien, een wrak. Maar wie naar uitwijzen van het Evangelie leeft, de Here Jezus volgt, zich door de Geest laat leiden, krijgt iets stralends, iets aantrekkelijks, iets moois. In volkomenheid zullen gelovigen dat bereiken op een nieuwe aarde. Maar de verheerlijking begint nu en hier al. Als ik me niet vergis, is dat ons door prediking of traditie niet ingeprent. Tot schade van ons leven als christenen.
Dat de verheerlijking nu al begint, wil ik aantonen door enkele teksten te bespreken. Laat ik beginnen met 11 Kor. 3 : 18, boven aangehaald.
In dat hoofdstuk gaat het over de heerlijkheid van Mozes, die verdween en de verdwijnende heerlijkheid van het oude verbond. Paulus heeft gesproken over de éne Mozes, die met ongedekt gelaat voor de heerlijkheid des Heren stond. En wiens glanzend gelaat de Israëlieten niet konden verdragen. Maar in het Nieuwe Verbond hebben alle gelovigen deel aan de heerlijkheid van Christus. Zij kennen de Here door het Evangelie en staan met Hem in direkte gemeenschap door het geloof. Zij weerspiegelen, vangen als in een spiegel op en weerkaatsen iets van de liefde, barmhartigheid en goedheid van Christus. Zij worden in gedaante veranderd, leggen de oude mens af en doen de nieuwe aan. Door de Geest van Christus worden de gelovigen niet alleen gerechtvaardigd, maar ook geheiligd, ja verheerlijkt. Ze worden veranderd, herschapen naar het evenbeeld van Christus. Ze worden Hem gelijkvormig. Genade geneest het leven. Er is in het leven der gelovigen een proces gaande. Ze gaan niet alleen voort van kracht tot kracht, van geloof tot geloof, maar ook van heerlijkheid tot heerlijkheid. Dat mogen en moeten we verwachten van de Heilige Geest. We gaan voort van overwinning naar overwinning. Paulus noemt de gelovigen superoverwinnaars. Als we dat geloven, jagen we naar de heiligmaking, ja naar de heerlijkmaking en bereiden ons zo voor op de eeuwige, volmaakte heerlijkheid. Als we eens altijd bij de Here zullen zijn.
Een andere tekst is in dit verband Rom. 8 vers 30. In de meeste vertalingen zó weergegeven: "Die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt".
Volgens veel gereformeerde uitleggers heeft God dit reeds gedaan in Zijn voortijdelijk, eeuwig raadsbesluit. Maar de werkwoordsvorm alleen al laat dit niet toe m.i. Die wijst namelijk aan, wat God steeds gewoon is te doen. Hij kent ons eerder dan wij Hem kennen. Hij is ons altijd met zijn doen vóór. Paulus laat buiten beschouwing, wat wij doen of niet-doen met Gods roeping en verkiezing. Ik ben het eens met dr D. Holwerda, die schreef:: "Men mag, gezien de werkwoordsvorm in vers 29 wel tegenwoordige tijd lezen, dus: dien verordineert Hij, roept Hij" enz. We kunnen Paulus' bedoeling wel zó weergeven: God is trouw, we kunnen op Hem aan. Wat Hem betreft, Hij laat niet varen het werk zijner handen.
Naar zijn verkiezende liefde roept Hij tot geloof en bekering door Woord en Geest. Bij wie het Evangelie geloof werkt, die rechtvaardigt God. Hij vergeeft de zonden en stelt in de rechte verhouding tot Hem. En dan verheerlijkt Hij de rechtvaardigen ook. Gewoonlijk spreekt de Schrift van heiligmaking. Dat verschilt dunkt mij niet veel van heerlijkmaking. Hoogstens zou ik willen zeggen, dat verheerlijking nog iets sterker aanduidt de verandering, die in dit leven al begint. Dat wij bij dit werk Gods volledig worden ingeschakeld, laat Paulus hier buiten beschouwing. Maar staat voor ieder, die de Schrift kent, wel vast. Vanzelf, automatisch gebeurt er in ons leven niets. We zullen onze redding, onze heiligmaking of verheerlijking mogen en moeten werken met zorgvuldigheid. Gelovend, dat het God is, die in ons leven werkt het willen en het werken. Zó behaagt het God (Fil. 2 : 13 v.).
Van die verheerlijking wordt in de Schrift ook met andere woorden gesproken. Bijv. in Rom. 6 vers 4: "Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat gelijk Christus uit de doden is opgewekt door de majesteit van de Vader, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen". Wat is nieuwheid van leven anders dan heiligmaking en verheerlijking?
Met Rom. 6 vers 11 mogen we elkaar opwekken, er van uit te gaan, door het geloof "dat we dood zijn voor de zonde, maar levend voor God, in of door Christus Jezus". Daarom zullen wij de zonde niet als koning laten heersen in ons leven. Maar ons leven ten dienste stellen van God. Want we zijn niet onder de wet, waarmee we uit ons zelf klaar moeten komen. Maar onder de genade. Die machtig is niet alleen ons rechtvaardig te maken, maar ook om ons leven te verheerlijken.
Er zijn veel meer teksten te noemen in dit verband. Paulus schrijft bijv. aan de Filippenzen: "Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien". Voor "heerlijk" staat een woord, dat we wel kunnen vertalen met "glorieus"! Ik denk ook aan 11 Kor. 4 vers 18: "Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd. Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid; daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig". Het leven van Paulus z'n lichaam wordt gesloopt en dat hij oud is voor z'n tijd, is aan hem te zien. Die uiterlijke mens is hij zelf. Zijn leven, zoals dat reilt en zeilt in dienst van het Evangelie.
Zijn leven is verteerd door vervolging, ziekte, teleurstelling, lijden van allerlei aard. Maar dat is de buitenkant. Aan de binnenkant is om zo te zeggen een nieuwe Paulus in de maak. Zijn gemeenschap met Christus groeit, zijn hart waaruit de uitgangen van het leven zijn, houdt het uit.
Het leven van geloof, hoop en liefde blijft bloeien. En zo mag en kan en moet het gaan met allen, de echt in Christus geloven. Zij mogen met Gal. 2 : 20 zeggen: "Ik leef eigenlijk niet meer, maar Christus leeft in mij en voorzover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God".
Aan het slot van 1 Thess. (5 vers 23 v.) lezen we: "Wij bidden de God van vrede, dat Hij u heiligt door en door, en dat heel uw geest, ziel en lichaam mogen blijken onberispelijk te zijn bewaard bij de komst van onze Here Jezus Christus. Die u roept is getrouw. Hij zal het ook doen".
Als we geloven dat God zulk een bede verhoort, dan zullen we er naar jagen lichaam, ziel en geest onberispelijk te bewaren. En zullen wij dan zeggen, dat we er niet veel van maken? De tekst spreekt in elk geval zo niet!
Deze zomer hoorde ik in de vakantie een goede preek over Openbaring 19 vers 8: "en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden; want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen".
De laatste woorden kunnen we wel vertalen als: de goede werken der gelovigen. Ons werd voorgehouden, dat die smetteloze kleren ons werden gegéven, gaven der genade. Maar ook dat wij ze zelf moeten weven.
Volkomen mee eens: gaven én opgaven. Ik was er blij mee. Nog nooit had deze tekst m'n aandacht getrokken.
Niet blij was ik met de toevoeging van de prediker, dat wij er niet veel van maakten; en dat de verheerlijking eerst kwam op een nieuwe aarde.
Ik dacht: waarom moet dat er nu bij. Dat staat hier toch niet. En verder is het niet waar, dat de verheerlijking eerst hiernamaals begint.
Tenslotte: voor enkele jaren ontmoette ik een zuster, die mij is bijgebleven als een levend bewijs, dat het mogelijk is een heerlijk leven te leiden.
Ze was ziekelijk, had verschillende kwalen. Maar ze toonde een blij gezicht, had voor ieder een vriendelijk woord, straalde een blijdschap uit om jaloers op te zijn. Ze leefde met een psalm in het hart, een lied op de lippen en een opgeheven hoofd, verwachtend de volkomen heerlijkheid. Dát wil de Here ons allen geven. Hij is trouw, die het doen zal.