NACHT IN DE MIDDAG

1983-04-01
  • Jaargang 27
  • nummer 13
Enige tijd geleden is Arthur Koestler overleden. Of beter: hij heeft samen met zijn vrouw zelfmoord gepleegd. Heel weloverwogen.
Arthur Koestler was een Jood die niet de weg wilde gaan van het Zionisme. In een roman "Dieven in de nacht" waarin hij vertelt over de vestiging van een kibboets in Israël, toen de Engelsen er nog de mandaatregering vormden, geeft hij rekenschap waarom hij niet die weg van het Zionisme gaat.
Arthur Koestier was ook een tijd lang communist. Maar die god faalde voor hem, toen de waarheid over de stalinistische terreur een beetje begon uit te lekken. Over die afschuwelijke foltering die Stalin zijn oude strijdmakkers deed ondergaan heeft Koestler ook een roman geschreven, getiteld "Nacht in de middag". Heel indringend weet hij de afschuwelijke uitzichtsloosheid van de slachtoffers van Stalin te beschrijven. Hun foltering eindigde met een bekentenis. En dan werden ze afgemaakt met een schot in de nek. Koestler was zo wijs daarna afscheid te nemen van het communisme.
De typering van de situatie van de slachtoffers als een nacht in de middag is goed gevonden. Want er was geen licht meer voor deze mensen.
Maar erger dan welk slachtoffer van terreur geleden heeft, leed onze Heiland toen het 's middags donker werd op Golgotha. Op die Goede Vrijdag, die de Grote Verzoendag der wereld is geworden. Kun je bij alles wat verder de Heer is aangedaan nog denken aan mensen, bij die donkerheid kun je alleen maar denken aan God. De Here Jezus hing daar in het-van-God-verlaten-zijn.
In de buitenste duisternis. Hij riep en er was geen antwoord. En Hij kon Zich niet vertroosten met enige troost. Als het op Golgotha donker wordt, dan keert God als het ware terug tot achter de schepping. Toen de aarde woest en ledig was en daarom onbewoonbaar.
Voor de Heiland der wereld was de aarde niet meer bewoonbaar.
Dragend de toorn. Tot zonde gemaakt werd Hij iets dat weggedaan moest worden. Tot zonde gemaakt werd Hij een vloek. Toen had Gods vriendelijk aangezicht geen vrolijkheid en licht meer voor Hem, die leed en stierf in onze plaats. Hij was van God verlaten opdat wij nimmermeer van Hem verlaten zouden worden.
Opdat wij in onze hoogste aanvechtingen wel vertroost zouden zijn en weten: al wordt het leven als een donkere nacht, toch is er het licht van de genade. En als alle mensen ons zouden verlaten, dan neemt God ons aan. Er staat in Psalm 27: Al hebben vader en moeder mij verlaten, toch neemt de HERE mij aan. Daarmee kon de Heiland in de duisternis zich niet vertroosten, opdat wij vast zouden geloven dat het voor ons nooit nacht in de middag hoeft te worden, wat mensen ook ons zouden kunnen aandoen en hoe groot onze zonden ook zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief