Een grote man met hart voor kleine mensen
2011-10-14
Op 17 september werd Peter Cornelis van Wijk, die een groot deel van zijn leven aan het kerkelijk jeugdwerk gaf, door zijn Heer thuisgehaald. Op zijn 86e verjaardag kwam er een einde aan het afbraakproces dat zijn lichaam en zijn geest had gesloopt. - Jaargang 55
- nummer 20
Mijn eerste herinnering aan P.C. van Wijk (het gebruik van voornamen was toen not done) dateert van Hemelvaartsdag 1965: een grote man met een harde stem op een groot podium vol groente- en fruitkisten, Het was in de veilinghal van Berkel en Rodenrijs op een bondsdag van de Jongelingsbond van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt), waar de jongens en meiden van de kerk van heinde en ver naar toe kwamen.
Een grote man tussen de kleinen.
Spin in het web
Zo is P.C. van Wijk onder ons het meest bekend geworden: als de man voor de jeugd. In 1953 kwam hij als 28-jarige in het bestuur van de Jongelingsbond.
Hij ontmoette er Kees Huizinga, Rens Venderbos, ds. J.A. Vink en administratrice Tini Kok en ze werden vrienden voor het leven.
Zestien jaar lang heeft hij zich met hart en ziel aan het werk daar gegeven.
Als secretaris was hij de organisatorische spin in het web, maar ook inhoudelijk weerde hij zich: met toespraken op bondsdagen, studieschetsen en artikelen in het Calvinistisch Jongelingsblad (CJB).
Steeds stond daarin Gods verbond centraal, evenals de antithese tussen Gods Woord en menselijke ideologieën.
Hij schreef niet zomaar wat.
Voor een artikelenreeks over het socialisme las hij ‘Das Kapital’ van Karl Marx, want ‘je moest toch weten waarover je schreef ’.
Van Wijk zette zich hartstochtelijk in voor samenwerking met de Meisjesbond, wat hem en zijn medebestuursleden het etiket ‘niet goed vrijgemaakt’ opleverde. Want jongens en meisjes moesten apart de Bijbel bestuderen. Zo wilde de Here het… Vijftig jaar later kon hij er nog boos om worden.
Dwaasheid
In 1969 kwam er een abrupt einde aan zijn lidmaatschap van het bondsbestuur, toen het kerkelijke onweer zich ook daar ontlaadde. Op voorstel van bestuurslid J.P. de Vries ontsloeg de bestuursmeerderheid de CJB-redactie (tevens bestuursminderheid), omdat vier leden daarvan zich publiek hadden gedistantieerd van een artikel dat in de kerkstrijd radicaal partij koos voor de synode.
Van Wijk was een van die vier en kon voor zijn geweten niet langer bestuurslid blijven. Ook op andere plaatsen in de vrijgemaakte wereld, waar hij actief was, kwam hij door de kerkstrijd ernaast te staan. Over die ‘kerkelijke dwaasheid’ zoals ds. Joop van ’t Hof het in de begrafenisdienst noemde, is hij nooit heen gekomen.
Als hij in Opbouw schreef over door de kerkstrijd gekwetste mensen zoals ds. Geert Janssen, had hij het ook over zichzelf. Zoals zijn vriend Kees Huizinga, ook een uitgestotene, later schreef: ‘Je draagt de pijnlijke littekens in de wanden van je ziel. Het is een trauma. Een scheur in Gods gemeente geneest in dit leven nimmer tot onzichtbaarheid’.
Tot het eind van zijn leven heeft hij gehunkerd naar woorden of daden van de andere kant die de pijn van het weggejaagd zijn zouden verzachten.
Maar ook toen Van Wijk kerkelijk uitgerangeerd was, heeft hij ervaren dat God hem niet in de steek liet. Hij wilde graag weer wat doen en werd gevraagd voor het bestuur van het Maarten van Rossem museum in zijn woonplaats. Daarover zei hij later: ‘Als kerkmensen je in de steek laten, ja je zelfs misschien wel uitspugen, dan staat God z’n mannetje. Dan schakelt Hij gewoon heidenen in …!’
GLJC
Van Wijk had na de kerkelijke scheuring de moed om opnieuw te beginnen met landelijk jeugdwerk en richtte in de buiten het kerkverband geraakte kerken Gereformeerd Landelijk Jeugdcomité (GLJC) op, de voorloper van het NGJ. Daartoe mobiliseerde hij een aantal jongeren uit de kerken die onder zijn enthousiasmerende leiding het blad Verkenning, de Jeugddag op Hemelvaartsdag, studiemateriaal en kaderweekenden opzetten, allemaal ten dienste van het plaatselijke jeugdwerk. Samen met zijn gastvrije vrouw Pleunie zette Peter van Wijk – want zo werd hij inmiddels genoemd - zijn grote huis in Zaltbommel voor de jongeren open.
Dominant als hij was, drukte hij een stevig stempel op de vergaderingen.
Maar als andere GLJC-ers tegenspel boden, ging hij gemakkelijk overstag.
Gods Koninkrijk was voor hem breder geworden en Gods Geest waaide wijder dan hij vroeger dacht.
Het echec van de grote woorden van de grote mannen had hem bescheiden gemaakt. Zijn artikelen in Verkenning – minder stellig en meer zoekend - getuigden daarvan.
Peter van Wijk wees ook nieuwe wegen. Terwijl elders in kerkelijk Nederland nog weinig oog was voor de kloof op seksueel gebied tussen hoe het hoort en hoe het is, nam hij in 1978 het initiatief tot een onderzoek onder kerkjongeren naar hun seksuele opvattingen en gedragingen.
De brochure ‘Jeugd en seksualiteit’ met de onderzoeksuitkomsten was voor die tijd onthullend en Van Wijk stimuleerde de kerkenraden in de NGK om ermee aan de slag te gaan. Niet om Gods goede geboden los te laten, maar om daarmee midden in het leven van jongeren uit te komen.
Bommelerwaard
Peter van Wijk was een man van de kerk en van de jeugd. Maar misschien wel het allermeest de man van de Bommelerwaard. Geboren en getogen in Zaltbommel had hij van jongs af aan een grote belangstelling voor wat daar gebeurde. In de meer dan tweehonderd columns die hij tussen 1984 en 1999 in Opbouw schreef ging het vaak over de Bommelwaarders.
En dan niet over de groten, maar over de kleinen: klein van stuk, klein in aanzien of klein in geloof. En zo lazen we over de rooms-katholieke Tieske, Sjun en Til en over de hervormde Kees, Heimen en Coba die zoveel moeite hadden om zich Gods beloften toe te eigenen.
En over al die andere mensen van vroeger en nu uit dorpen als Well, Nieuwaal, Brakel en Gameren.
Kwetsbaar
Peter van Wijk, de grote man die niet direct invoelend oogde, had hart voor kleine en kwetsbare mensen.
Eerder dan de meeste van zijn kerkgenoten had hij oog voor de worsteling van homoseksuele jongens en meiden en samen met o.a. ds. Jan Bouma raakte hij betrokken bij de NGK/CGK-werkgroep homoseksualiteit.
Daar luisterde hij zonder te oordelen naar de verhalen van homo’s. Niet om aan menselijke ervaring en beleving het laatste woord te geven. Maar om terug te vallen op de genade, barmhartigheid en trouw van God en samen te zoeken naar Gods weg.
Beloofd
Dat zijn eigen kinderen hem niet konden volgen op de weg die hij met God ging, heeft hem diep verdriet gedaan. Maar de strijd die daarmee gepaard ging, heeft hem en zijn kinderen niet voorgoed uit elkaar gedreven.
Hij was blij om wie ze waren en trots op wat ze bereikt hadden.
De afgelopen jaren kon hij de deur niet meer uit en werd zijn wereld kleiner en kleiner. Ook in zijn leven met God maakten de grote verhalen plaats voor de kleine. ‘Lees maar een psalm’, zei hij steeds vaker tegen Pleunie. En als het kleine schaap uit Psalm 23 en de kleine vogel uit Psalm 61 zocht hij beschutting bij God. In de laatste maanden van zijn leven kreeg naast lichamelijke kwalen ook de ziekte van Alzheimer hem in zijn greep. De grote man werd steeds meer een klein en kwetsbaar mensenkind, terwijl zijn ziekte tegelijkertijd zijn dominante trekken uitvergrootte en het voor zijn vrouw en kinderen erg zwaar maakte.
Terwijl zijn geest zich terugtrok, bleef Gods Geest over hem waken.
Beloofd is immers beloofd, zoals hij zelf vaak had geschreven. Ook in de afbraak van zijn leven bleef hij het kind van God die bij de doop zijn naam aan die van Peter Cornelis van Wijk had verbonden. De God die – zoals Joop van ’t Hof bij de begrafenis zei - groot is in goedheid en geduld, in liefde en trouw en bij wie kleine, kwetsbare mensen veilig zijn.
Ad de Boer is redacteur van Opbouw.
Hij was van 1972–1980 lid van het GLJC.
Met dank aan Jan Bouma, Roel Venderbos en andere oud-GLJC-leden.