Christelijke Theologie na Auschwitz (5)

1982-09-17
  • Jaargang 26
  • nummer 34
Liefde tot en begrip voor het christendom
Mijn grootste verwijt aan dr Jansen is dat hij zijn boek 'Christelijke theologie na Auschwitz' niet uit liefde tot het evangelie en tot de christelijke kerk geschreven heeft.
Ik proef ei: integendeel een hatelijke vijandigheid tegen beide in.
Hij heeft een hekel aan het evangelie zoals het tot dusver begrepen is en aan de kerk zoals die dat evangelie tot dusver gepredikt heeft.
Die beiden stelt hij voor de antisemitische uitbarstingen in de Europese geschiedenis rechtstreeks verantwoordelijk. Had liefde hem er dan toe moeten brengen dat hij de fouten van de kerk bij het uitleggen van het evangelie en de gevolgen van die fouten voor het Jodendom verdoezelde? Is dat wat ik bedoel te zeggen? Natuurlijk niet! Hij zou ons daarmee aan zich verplicht hebben. Nee, met de liefdeloosheid van dit boek bedoel ik dat het geen oog heeft voor het probleem en de opgave waarvoor het Europese christendom gestaan heeft toen het zijn houding tegenover het Jodendom moest bepalen. Ik bedoel dit probleem en deze opgave voor het christendom: hoe om te gaan met een minderheid in zijn midden die een zeer overtuigd nee zei tegen het liefste dat het bezat, namelijk het geloof in Jezus Christus, als Gods eniggeboren Zoon en onze Here. Zeker, wanneer dat geloof in Jezus Christus afgezwakt wordt tot grote waardering voor zijn persoon, verdwijnt dit probleem als sneeuw voor de zon. Dan kunnen er vergelijkingen worden opgesteld met andere godsdiensten zoals de Islam, die in hun houding tegenover het Jodendom zeer gunstig afstaken en afsteken tegen de christelijke kerk. Daar doet de schrijver dan ook zeer duidelijk aan mee. Zoals op pag. 140: "Alleen in het christelijk Europa en in landen waar het christendom de heersende godsdienst was geworden, groeide de jodenhaat uit tot een afschuwelijke antisemitisme.
Alléén in het christendom werd de jodenhaat godsdienstig gelegitimeerd. Volgens de bevindingen van Léon Poliakov hebben de Joden in China, India (en waarschijnlijk ook in Japan) duizenden jaren kunnen leven zonder ooit vervolgd of geëlimineerd te worden. .. Tenslotte moet het de Islam tot eer worden gerekend, dat, voor zover mij bekend, er nooit een pogrom of vervolging tegen de Joden begonnen is met een beroep op de Heilige Koran, die soms scherper is in zijn aanvallen op de Joden dan het evangelie naar J0hannes". En naar aanleiding van de verovering van Constantinopel door de Turken in 1453 schrijft dr Jansen op pag. 110: "Toen stonden de poorten van de gastvrijheid wijd open voor de verdreven Joden. Terwijl de 'stad van Constantijn eeuwen lang de spil was geweest van een discriminerend beleid ten aanzien van de Joden (het had een millennium van onderdrukking en vervolging te zien gegeven!), Dood het Turkse Istanboel gastvrijheid en bescherming aan de slachtoffers van dit afschuwelijk beleid. Het kruis werd nu van de reusachtige Sophiakathedraal verwijderd, het kruis van Jezus Christus, in wiens naam duizend jaar de Joden als paria's waren uitgestoten uit de christelijke samenleving". Deze zinnen getuigen van weinig begrip voor de diepte van het religieuze conflict tussen het christendom en het Jodendom. De vergelijking tussen christendom en Islam zou meer ter zake zijn als a) de Islam van Mohammed beleed dat hij Gods Zoon is, en b) het Jodendom Mohammed als een godslasteraar afgewezen had. Ik bedoel te zeggen dat het verschil tussen Joden en christenen over Jezus veel en veel dieper is dan het verschil tussen Joden en moslims over Mohammed. En naarmate dit verschil dieper zit, is de opgave voor christelijke Europa zwaarder geweest. Denk eens in: in de meerderheid zijn, de macht hebben en dan het volk van dit diepe nee in je midden te verdragen.
Ik zie dat de islam er niet zo gauw beter afbrengen. We hebben hier dus de keerzijde voor ons van wat ons de vorige week bezig hield. Toen liet ik zien dat een kerkelijk machtsdenken achter de beschuldiging van 'Godsmoord' staat. Hier wil ik erop wijzen. dat het misbruik van' de .macht bij de beleving van een zo diep conflict natuurlijk een grote verleiding is geweest.

Israël de verdrukte onschuld?
Van dit soort overwegingen is in het boek van dr Jansen echter geen spoor te vinden. Het kenmerkt zich integendeel door partijdigheid en vooringenomenheid. Ook daar waar de christelijke kerk alleen maar volgens haar schuldige plicht haar gelovigen beschermde tegen de zuigkracht van, het joodse geloof, krijgt zij de beschuldiging van antisemitisme naar haar hoofd. Zo worden op pag. 556 naast elkaar gezet en met elkaar in verband gebracht de bepaling van de synode van Elvira (306 n. C.), behelzende een verbod van gemengd huwelijk en seksuele: omgang tussen christenen en Joden, èn de naziwet uit 1935 die hetzelfde bepaalde, maar dan ter bescherming van het Germaans bloed en de Germaanse eer. Alsof het verbod van gemengd huwelijk tussen Joden en christenen niet rechtstreeks zou voortvloeien uit Paulus' voorschrift om geen ongelijk span te vormen met ongelovigen (2 Cor. 6: 14) en ook maar iets te maken zou hebben met racisme! Dit soort suggestieve parallellen, waarvan het boek wemelt, zijn stuitend en doven het gezonde onderscheidingsvermogen uit. Ook is het opvallend dat geen van de verwijten en beschuldigingen die in de loop der geschiedenis door christenen aan Joden zijn gedaan, onderzocht wordt. Op voorhand wordt aangenomen dat ze allemaal op laster berusten. Ik bedoel nu niet onzinnige beschuldigingen als bronnenvergiftiging en het slachten van christenkinderen. Daar ligt de kwaadaardigheid te duidelijk op. Maar iets anders is het wanneer Luther tegen hen inbrengt dat God hen volgens hem geslagen heeft met 'razernij, blindheid en een tierend hart' (pag. 541; zie Deuteronomium 28 : 28). Deze zienswijze van Luther wil ik beslist niet op één lijn stellen met het vreselijke citaat dat ik in een vorige aflevering van hem aanhaalde noch ook bestempelen als borrelpraat. Hier namelijk overweegt de grote man terecht dat de Here God de .oude dreiging die Hij door Mozes over zijn volk had uitgesproken, in vervulling kàn doen gaan en ook dóet gaan. Zou dat niet overwogen, mogen worden? De Christusverwerping is toch niet niets? In het verleden niet en nu niet? Ik heb in mijn leven niet zoveel contact met godsdienstige Joden gehad. Wel enkele diepe gesprekken. En telkens viel me daarbij op hun grote religieuze trots. Zou het mij nu verboden zijn dit verschijnsel in verband te brengen met en te verklaren uit hun leer, hun geloofsdenken? Als je toch ziet hoe zij hun uitverkoren zijn beleven. Niet als een uitverkoren zijn 'in Christus', zoals het Nieuwe Testament daarvan spreekt (Ef. 1 : 3-14), dat wil zeggen: met een uitverkiezing die rust in een Middelaar (ook in )het Oude Testament al: Mozes, David, de priester, de tempel), maar met een rechtstreekse uitverkiezing die aanknoopt bij hun menselijke kwaliteiten. Een joodse geleerde van deze eeuw (H. J. Schoeps) heeft daarvan gezegd: "Waarom wijzen de Joden het middelaarschap van Christus als Zoon van God af? Het antwoord luidt: Omdat volgens de joodse leer van de uitverkiezing van Israël alle Joden Gods zonen zijn ... Zo wordt de voor het christologische Schriftbewijs zo belangrijke plaats uit de tweede psalm ... aldus opgevat, dat niet de Messias maar Israël zelf als de 'Zoon van God' bedoeld is". "Van heel Israël wordt hier hetzelfde beweerd als wat de christelijke theologie van Christus zegt". Zou het kunnen zijn dat deze leer haar aanhangers inderdaad trots maakt en dat het juist deze trots is geweest die de eeuwen door de christenen geïrriteerd heeft? Zodat ook mede daardoor de tolerantie voor de christelijke kerk een (te) grote opgave geworden is? Men kan deze vragen in overweging nemen, terwijl men tegelijk de christelijke chicanes (en erger) tegenover de Joden ten scherpste afkeurt. Maar we schieten er zeker niets mee op als we het joodse volk als de twintig eeuwen lang verdrukte onschuld voorstellen. Dat gelooft niemand.

De verhouding Israël-Edom als leermodel
De opgave waarvoor het Europese christendom gestaan heeft om zich tegenover Israël een houding te geven, heeft Israël zelf in de dagen van het Oude Testament ook enigermate gekend. Hoe moest het zich tegenover het broedervolk Edom gedragen? Ik weet, de vergelijking die ik nu maak, is voor het joodse volk pijnlijk. Niettemin is ze bijbels. Paulus maakt haar ook, in Rom. 9: 10 vv, Het kan ons daar gemakkelijk ontgaan, maar toch is het zo dat de apostel in het verband van die Schriftplaats drie figuren uit Israëls oude geschiedenis met het ongelovige joodse volk parallel stelt: Ismaël, de bespotter van Israël, Ezau, de hater van Israël en de farao van Egypte, de verdrukker van Israaël. Zij staan in Rom. 9 - 11 model voor het joodse volk zoals Paulus dat in zijn verzet tegen het evangelie kende en meemaakte. Om ons nu tot de vergelijking van Israël met Ezau/Edom te beperken: Zoals het joodse volk de oudere broeder van ons christenen is, zo was Ezau/Edom de oudere broeder van Israël. Zoals Paulus voor het joodse volk een zekere verkiezing claimt (Rom. 11 : 28) zo kende het Oude Testament aan Ezau/Edom een zeker deelgenootschap aan het heil toe. .Zoals echter het joodse volk om het heil nu ook echt te ontvangen, zijn verkiezing in Christus moet vastmaken, zo was er voor EzaujEdom slechts behoudenis als de voorrang van Jakob Israël erkend werd. Zoals nu het Jodendom een hater is geworden van Jezus Christus als de goddelijke Verlosser, zo ontpopte zich al eerder Ezau/Edom als een eeuwige vijand van Israël (Ez. 35 : 3). En zo kan de apostel Paulus het zware woord van de profeet Maleachi (1 : 2 v): 'Jakob heb ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat' in het Nieuwe Testament (Rom. 9: 13) onder stilzwijgende verandering van de namen naar de verhouding: Kerk-Israël laten doorklinken ...
Gevaarlijke vergelijkingen! Waarom voer ik ze op? Toch eigenlijk slechts om een bedding te graven voor dat geweldige woord bij Mozes, waarin Israël ten opzichte van zijn broedervolk de pin op de neus wordt gezet: DE EDOMIET ZULT GIJ NIET VERAFSCHUWEN, WANT HIJ IS UW BROEDER - Deuteronomium 23 : 7. Dat wil zeggen: Israël wist van de vreselijke twist die de Here God met Ezau/Edom had, maar het mocht zich in die twist niet mengen. Het mocht niet in Gods plaats gaan staan om tegenover Ezau/Edom de goddelijke wreker uit te hangen. Het moest in vrede leven met de Edomieten in zijn midden, zodat dezen tot hoge ambten in Israël konden opklimmen, - zoals ons van Doëg bericht wordt (I Sam. 21 : 7). Dat was geen slordigheid van Saul; het was terecht dat dat kon. Israël moest met zijn handen van Ezau/Edom afblijven. Tenzij natuurlijk Edom als politiek georganiseerde natie een bedreiging voor Israël betekende, zoals in de dagen van David en andere koningen. Dat was een ander verhaal. Zo mag ook de staat Israël van vandaag geen voorrechten opeisen op grond van godsdienstige argumenten. Het moet zich als politieke grootheid onderscheidloos voegen in de rij der naties. Maar als het joodse volk staan ze onder de hoge bescherming van God de Here zelf. Hoe somber wij het ook voor hen inzien als het gaat om de vraag hoe zij zich voor Gods rechterstoel zullen verantwoorden' over hun afwijzing van de Christus, dat mag onze houding en ons gedrag tegenover hen niet het minst beïnvloeden. Zij moeten het goed hebben onder ons! Mijn vergelijking met Ezau/Edom uit het Oude Testament heeft dus ten doel attent te maken op de tweesporigheid die er op dit punt in de Bijbel zit. Enerzijds: God heeft een twist met Edom, en anderzijds: hou je daarbuiten! Je bent God niet! Deze tweesporigheid hebben wij christenen nodig om onze houding ten opzichte van het joodse volk te bepalen. De bijbelse tegenstelling: Israël-Edom is dus voor ons christenen een leermodel. Zoals trouwens Israël zelf vandaag in Palestina ook weer met die oude tegenstelling tot 'Edom' (de Palestijnen) in zijn midden te maken heeft...

Volgende week d.v. iets afsluitends.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief