Nucleair
1982-09-17
Sedert Hitler en zijn optochten heb ik een afkeer van alle optochten gekregen en gehouden. Mij verschrikken de massa's, die achter vaandels marcheren voor welk doel dan ook. Betogingen moeten het hebben van vereenvoudigingen om zo veel mogelijk mensen te bereiken. Of er nu honderd duizenden de paus gaan bezien - hoe merkwaardig ook voor een christen of dat er honderd duizenden betogen tegen de kernbewapening in Oost en West, ik moet dan altijd weer denken aan fakkeloptochten in Berlijn en partijdagen in Neurenberg. Ik ben tegen de paus. Ik ben voor ontwapening in Oost en West. Toch zal ik nooit meelopen in welke betoging dan ook. Noch tégen de paus, nog vóór ontwapening. Ik wens niet mee te doen een vereenvoudigingen en ik meen dat er voor een christen een nadere, betere weg is, een niet wereldgelijkvormige. Laatst liep ik op een parkeerterrein van een groot ziekenhuis om een zieke te gaan bezoeken. Onderweg vielen me enkele auto’s op met het bekende vignet van “atoomenergie, nee, bedankt”. Iets verder stond een bordje, een richtingaanwijzer met als opschrift “nucleaire geneeskunde”. Het één is in strijd met het ander, hoewel ik vermoed dat ik liep langs auto’s van personeelsleden van het ziekenhuis. Niet alles wat met atoomenergie en kernsplitsing te maken heeft is verwerpelijk. Integendeel. Mits goed gebruikt kan het zegen verspreiden. Het kan mensen genezen. Ook ik ben bang voor de atoombewapening. Ik ben niet zo bang voor kernenergie. Maar dat kan aan mijn onwetendheid liggen. Maar laten we als christenen dat wat we vrezen voor alles aan God bekend maken. Ons protest tegen alles wat zich tegen God verheft is het aanroepen van de Naam des Heren. In de dagen van de komst van de grote afval werden de eerste kerkdiensten gehouden. “Toen begon men de Naam des Heren aan te roepen”. Genesis 4:26. Onder dat aanroepen is niet alleen bidden te verstaan, maar toch wel in de eerste plaats. Hoe meer afval, des te meer samenkomsten van de gemeente! Dat is de stijl der vromen. Niet in optochten en demonstraties, maar in een stil samenkomen voor de Heer.
- Jaargang 26
- nummer 34