Alles delen met God

2011-10-21
  • Jaargang 55
  • nummer 21
‘Ik heb mij vrijgemaakt niet om de dogmatische maar om de kerkrechtelijke zaak. Klaas Schilder was onze wijkpredikant in Rotterdam-Delfshaven. En dat ze nou juist díe man schorsten…’ Piet van der Poel is nog niet op de bank naast zijn vrouw gaan zitten als hij al in een paar korte zinnen uitlegt waarom hij in de Vrijmaking positie koos.

En bijna in één adem door vertelt hij ook meteen maar wat zijn huidige kerkelijke staat is: ‘Wij zitten in Zeist bij de eerste vrouwelijke predikant in de Nederlands Gereformeerde Kerken. En Judith is zó’n dominee.’ Duim omhoog en een durf-er-eens-wat-van-te-zeggen-blik.

Scherpe kantjes
De kerkgeschiedenis heeft onmiskenbaar een stempel gedrukt op de familiegeschiedenis, met name de kerkelijke splitsingen uit de jaren ’40 en ‘60. Van der Poel mag nog altijd graag fel uit de hoek komen af en toe, maar hij laat zich er ook met de zachte hand van zijn vrouw of dochter terugduwen: ‘Luister nou even, papa.’ En even later hoort hij glimmend aan hoe zijn achterkleinzoon enthousiast over voetbal, de kindernevendienst, Bijbellezen en bidden praat. Stijn vertelt dat hij nu een eigen kerkboek heeft zodat hij zelf de liederen kan opzoeken en meezingen. ‘Ik geniet daar zó van,’ zegt de trotse overgrootvader een paar keer met nadruk.
De scherpe kantjes lijken er met de generaties wat afgeslepen te zijn; van de felheid van zijn grootvader (‘Ja, maar ik ben nou eenmaal een Rotterdammer hè’) is bij Stijns vader Marcel al weinig meer te merken. Rustig en bedachtzaam analyseert hij de veranderingen in de manier van geloven door decennia heen. ‘Toen u jong was,’ zegt hij tegen z’n opa, ‘was de samenleving nog doordrongen van religie.
Dan kun je onderling de verschillen opzoeken en benadrukken. Maar toen ik op school zat, was het raar om nog te geloven; er was zelfs een tijd dat je dat maar liever een beetje verborgen hield. Stijn is nu in zijn klas de enige die naar de kerk gaat, maar hij vindt het helemaal niet eng om over z’n geloof te praten en hij heeft zelfs wel eens met een vriendje gebeden. Geen spoor van schaamte.’ ‘Ze praten nu veel directer over het geloof,’ zegt Ada van der Graaf – van der Poel over haar kinderen en kleinkinderen.
‘Zo is dat. Ik leer nog dagelijks van ze,’ zegt Piet. ‘Ja, maar u leert ook van uzelf hoor. Jullie zijn gewoon heel moderne grootouders,’ geeft Marcel terug. Waar dat moderne ‘m dan in zit? In ieder geval in een levenshouding die niet iedere verandering een verslechtering vindt. Ada: ‘Toen wij naar Eindhoven verhuisden, besloten we vanwege de afstand nog maar één keer naar de kerk te gaan. Mijn schoonouders zagen dat als het begin van het einde: straks gaan jullie helemaal niet meer!’ Ada’s eigen ouders zagen er het drama niet van in; zij zien bij hun kinderen vooral een hartelijke betrokkenheid op het geloof in Christus en de kerkelijke gemeente waar ze bij horen. Trouwens, een van hun kleinzoons koos er op een gegeven moment zelf voor om weer twee keer op een zondag te gaan: ‘Hij had een vriendengroep die ook naar de middagdienst ging. “Vinden jullie het erg als ik weer twee keer ga?” vroeg hij,’ vertelt z’n moeder Ada lachend.

Bidden
Een ding dat heel duidelijk veranderd is door de generaties heen, is het bidden. Ten goede, vindt de familie unaniem. En, heel bijzonder: de verandering begon eigenlijk op de dag dat Piet en zijn vrouw Henny elkaar voor het eerst zagen. Het was de dag waarop de Rotterdamse twintiger met lichte tegenzin naar het Oost-Groningse Onstwedde toog: ‘Twee jongere broers van me waren daar in de oorlog als evacués ondergebracht geweest. Toen ze er na de bevrijding nog eens op bezoek gingen, vroegen ze me mee te gaan. “Wat moet ik in dat gat?” zei ik, maar ik ging toch.’ Ze bezochten het gastgezin van de broers Van der Poel op de dag dat dochter Henny haar openbare geloofsbelijdenis deed. ‘En dat was de eerste keer in mijn leven dat mijn vader hardop bad,’ vertelt Henny.
‘Dat was zó bijzonder, dat heeft diepe indruk gemaakt. Want voordien baden mijn ouders altijd een stil gebed.’ Het stil gebed maakte met de generaties plaats voor een hardop uitgesproken, maar aanvankelijk nog wel vast geformuleerd gebed. ‘Pas nadat de kinderen de deur uit waren zijn we helemaal vrij gaan bidden,’ vertelt Ada; ‘We ontbijten elke ochtend op bed. Degene die het ontbijt heeft klaargemaakt, gaat tevens voor in gebed. En dan zeggen we alles wat ons bezighoudt aan God.’ Alles delen met God, dat is ook voor Stijn de essentie van het bidden. Bij hem thuis is Bijbellezen na iedere maaltijd wel eens moeilijk vol te houden met de ongeduldige kleinsten van twee en vijf jaar oud erbij, maar samen bidden is hét gezinsmoment aan tafel en voor het
slapen gaan.
In het gebed komt de band met God, maar ook met elkaar tot uitdrukking.
Tegelijk is het een moment waar veranderingen uitkristalliseren, vertelt Ada.
‘Mijn broer, de jongste bij ons thuis, gaat niet meer naar de kerk; hij is gescheiden en heeft een nieuwe partner.
Zij gelooft niet. We gaan nog geregeld met z’n allen op vakantie – de vier kinderen Van der Poel met partners – en we waren gewend dan ook hardop met elkaar uit de Bijbel te lezen en te bidden. Totdat de nieuwe partner van m’n broer een keer het onderwerp op tafel legde: “Jullie hebben me nooit gevraagd wat ik daarvan vind, jullie confronteren me er gewoon mee en vragen niet of ik het wil.” Dat was niet boos of vijandig bedoeld, maar het deed ons wel beseffen dat iemand zich buitengesloten kan voelen door een hardop uitgesproken gebed. Sindsdien bidden we in stilte als we met elkaar op vakantie zijn.’

Spreken of zwijgen
Dat hun jongste zoon het kerkelijk spoor heeft verlaten, doet heel veel pijn, vertellen Piet en Henny spontaan. Vooral Henny was vasthoudend in haar pogingen om er met hem over in gesprek te blijven.
‘Dan zei hij tegen me: “Daar komt m’n vrome moeder weer,” maar dan zei ik: “Je noemt me maar zo als je wilt, ik beschouw het als een eretitel.”’ En nog steeds laat het haar moeder niet los, vertelt Ada: ‘Altijd als we met elkaar op vakantie zijn geweest, is het eerste dat mama vraagt: “Hebben jullie het er nog over gehad?” Maar er valt niet zoveel meer over te praten, er ligt zo langzamerhand een taboe overheen.
Hij zegt dat hij nog wel gelooft, maar met de kerk heeft hij te veel te stellen gehad…’ Tja, spreken of zwijgen. ‘Wij zijn nogal bekvechterig,’ zegt Henny. ‘Vooral m’n man, want hij is stads en ik ben dorps.
Maar soms kun je beter je mond houden.’ Piet beaamt het met een voorbeeld: ‘Een van onze dochters is door haar man verlaten, dat heeft ons allemaal erg geraakt. “Wat een slapjanus,” zei ik een keer over hem. “Wil je dat nooit meer zeggen papa?” reageerde ze, “want ik hou nog steeds van hem.”’ Het was de eerste echtscheiding in de familie, en een pijnlijke ervaring voor iedereen. ‘Maar ik kon toen juist vanuit het geloof heel goed met m’n zus praten,’ vertelt Ada; ‘En ik heb gezien dat het haar geloof alleen maar sterker heeft gemaakt.’ Soms is zwijgen beter, hebben Piet en Henny ook in hun nieuwe woonplaats ervaren. Als het over kerkelijke verschillen gaat bijvoorbeeld. ‘We zeggen maar niet zoveel meer, dat hebben we geleerd,’ zegt Henny. Ze wonen in d’Amandelboom, een vanouds vrijgemaakt-gereformeerd verzorgingstehuis in Bilthoven. ‘Wij waren de eerste buitenverbanders die werden toegelaten,’ vertelt Piet.
‘Toen we er net woonden, vroeg ik of we ook het avondmaal mochten meevieren. Toen kon dat nog niet. “O,” zei ik, “dus jullie zien me toch niet als broeder.”’

Op scherp
Hij geeft toe dat hij met zo’n opmerking ook zelf de dingen op scherp zet. Net zoals toen ze ooit, in 1968, buiten het verband van de vrijgemaakt-gereformeerde kerken raak- ten. ‘We waren eerst lid van de gemeente van Schiebroek-Hilligersberg, maar besloten over te gaan naar de kerk van Overschie, die later Nederlands gereformeerd werd. We hebben in die tijd nog bezoek gekregen van ouderlingen van de binnenverband-kerk. De weg naar de Larikslaan (waar de binnenverband-kerk stond) is de weg naar de hemel, zeiden ze. “O,” zei ik, “en de weg naar Overschie is zeker de weg naar de hel?” Maar zover durfden ze niet te gaan.’ Zijn vrouw Henny hoort het glimlachend aan: de dingen op scherp zetten, daar was haar man nu eenmaal goed in.
Maar ze heeft het er twintig jaar lang heel zwaar mee gehad, die Rotterdamsvrijgemaakte huisstijl. ‘Wij waren thuis gewoon gereformeerd, en in Onstwedde was dat echt een hele goede kerk. Toen ik verkering kreeg met een vrijgemaakte jongen, hielden mijn ouders hun hart vast. Maar één ding wist ik zeker: als we trouwden zouden we samen naar dezelfde kerk gaan.’ Dat werd de vrijgemaakte.
‘En later heb ik me vaak in stilte afgevraagd waarom ik het gedaan heb, waarom ik met hem meegegaan ben. Want er was altijd ruzie. Piet beaamt dat: ‘De dominees die we in die tijd hadden in Rotterdam-Delfshaven waren het nooit met elkaar eens.’ Pas in de gemeente van Overschie vonden ze rust: ‘Daar hadden we dominee Smelik, die gewoon ondogmatisch het evangelie bracht.’

Wettisch
Ada en haar man Karel, die al verkering kregen toen ze 15 en 16 jaar oud waren, maakten de kerkstrijd mee als adolescent: ‘Wij zijn in veel opzichten de overgangsgeneratie. Wij hebben ook nog het wetticisme meegemaakt: dat je niet mocht schaatsen op zondag maar wel met een slee het ijs op mocht bijvoorbeeld. Niet dat onze ouders zo wettisch waren, maar de omgeving was dat wel.’ Karel zat op het gereformeerd lyceum in Rotterdam toen de kerkscheuring daar ‘dwars door de school, door de klassen, door het docentenkorps en door de families heen ging.’ Maar hoewel Ada wel iets van de felheid van haar vader heeft geërfd, hebben ze de polemiek niet tot geestelijke levensstijl verheven. ‘We zijn 38 jaar getrouwd en het klinkt misschien saai, maar ik kan me uit die jaren niet één denderende ruzie herinneren.’ Marcel bevestigt dat. Dat ook de kerk iets is waarover je familiesplijtende conflicten kunt hebben, weet hij alleen uit de verhalen over vroeger. Al kom je het Konsequenz-denken ook elders in nieuwe gedaanten tegen: ‘Ik was laatst bijvoorbeeld in de Bethelgemeente in Drachten.
Een hele mooie dienst, en ondanks de massaliteit zou ik me er best thuis kunnen voelen. Maar je kunt er alleen lid in volle rechten worden wanneer je je als volwassene laat overdopen. Dat is toch net zoiets als het gesloten avondmaal van de vrijgemaakten.’ Over vrijgemaakten gesproken: voor de derde generatie liggen daar geen gevoeligheden meer, maakt Marcel duidelijk; ‘Als ik ergens ging wonen waar geen Nederlands Gereformeerde kerk is maar wel een warme, gastvrije vrijgemaakte gemeente, zou ik me daar gewoon bij aansluiten. We kennen zelf iemand die de samenwerkingsgemeente van NGK/CGK in zijn woonplaats te veel als los zand aan elkaar vindt hangen, en daarom de vrijgemaakte kerk ter plaatse kiest.’

Op elkaar betrokken
Een kerkelijke gemeente moet een op elkaar betrokken, warme gemeenschap zijn waar het evangelie centraal staat. Daar zijn de generaties het over eens. En de kerk moet iets zijn waar je niet alleen haalt, maar ook brengt. Ada: ‘Dat hebben we wel heel duidelijk mee gekregen van huis uit. Dat je je voor anderen moet inzetten. Ook in eenvoudige dingen, dat je bijvoorbeeld na kerktijd mensen uitnodigt voor de koffie.’ En dat je tijd geeft voor de kerk. Marcel: ‘Als kredietbeoordelaar heb ik verstand van geldzaken.
Dus dan word je op een gegeven moment penningmeester van de kerk.’ Voor Ada, Marcel en Stijn is dat tegenwoordig de Nederlands Gereformeerde kerk van Doorn: nadat de familie vroeger collectief in de regio Rotterdam woonde, is nu de een na de ander op de Utrechtse heuvelrug neergestreken.
In de buurt van de ((over)groot)ouders Piet en Henny, waar iedereen graag op bezoek gaat ‘maar gelukkig ook weer niet elke dag’. Dat hoeft ook niet, met de moderne communicatiemiddelen.
‘Als er iemand op reis gaat bijvoorbeeld en een blog bijhoudt, dan lees ik die elke dag,’ vertelt Piet.

Lezen: het gaat niet gemakkelijk meer, na twee oogoperaties. Maar zelfs dat heeft nog een verandering ten goede teweeggebracht.
Henny: ‘Sinds Piets ogen minder werden, lees ik hem voor uit de Bijbel. En dan lees je toch scherper en denk je dieper over de dingen na. Zo had ik laatst best moeite met de gebeurtenissen aan het begin van Genesis.’ Ze voelt zich dan wel eens wat dom, bekent ze, met alleen maar basisschool, terwijl al het nageslacht hoger opgeleid is, tot en met een gepromoveerde kleinzoon. Maar dan kunnen kinderen – Ada en Karel hebben allebei een Bijbelschool gedaan – ook helpen: ‘Zij legden uit dat je Genesis wel in z’n tijd moet verstaan.’ ‘En eigenlijk zei K. Schilder dat al,’ reageert Piet – en niemand spreekt ‘m dit keer tegen.

Sjirk Kuijper is communicatie-adviseur, gehuwd met Ria en vader van drie dochters. Hij is lid van de GKv te Franeker-Sexbierum

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief