Drie dichtbundels

1983-04-01
  • Jaargang 27
  • nummer 13
"Met de dood voor ogen" is geschreven door Freek van der Veen.
Hij vertelt dat hij van dichtbij heeft meegemaakt hoe een jonge vrouw die aan kanker leed, langzaam wegteerde en uiteindelijk stierf, en dat hij heeft geprobeerd enkele van zijn gevoelens onder woorden te brengen; die gevoelens lopen als een rode draad door het boekje. De bundel is in eigen beheer uitgegeven en kan besteld worden door overmaking van f 5,50 op bankrekening 840262337 t.n.v. F. K. van der Veen, Mijdrecht (postgiro van de bank: 392816).
Ik vermoed dat mensen die een soortgelijke situatie kennen of gekend hebben, die óók met de moeite van het sterven en de afbraak van het leven geconfronteerd worden, bij het lezen van dit boekje veel zullen hèrkennen. Of bij ánderen het inzicht erdoor verdiept wordt, is voor mij de vraag.
De gedichten zijn in het algemeen niet moeilijk, sommige rijmen, andere niet. De beeldspraak is eenvoudig, de woordkeus ook. De moeite en het verdriet klinken door, maar daar blijft het niet bij: een zware worsteling leidt toch tot inzicht.

Bidden
Bidden is hardop zeggen waar het op staat, dat je het niet langer neemt, dat het zo niet langer gaat.
Bidden is niet meer weten wat je doet en fluisteren: zegt U het nou maar God hoe het met me verder moet.
Bidden is eerst luisteren, heel stil en dan misschien voorzichtig: "ik zal doen, God, wat U wil ...

Mag ik bij een weergave van zo'n geestelijke strijd nog gewoon kritisch te werk gaan? Ik doe het deze keer liever niet. Hier volgt nog een gedicht dat mij getroffen beeft; de lezer moet zelf maar oordelen.

De pijn
De pijn kwam heel geleidelijk, heel zacht, hij wist niet precies wanneer.
Maar het kwam wel en het deed geweldig zeer.
Zomaar was hij uitgeteld, was hij nergens meer.
Van de ene op de andere dag was het geen leven meer.

Johanna W. van Eelen schreef "Schuilen aan Zijn hart"; het is een uitgave van Kok in Kampen en het kost f 8,90. De schrijfster publiceerde diverse malen in de Elisabethbode, en dit is haar derde bundel gedichten. Eerlijk gezegd: het is voor mij wat moeilijk deze gedichten objectief te benaderen want ik ken de schrijfster, ik weet iets van haar omstandigheden en ik ken Jan die zo vaak bij mij in de auto heeft gezeten en op wie het volgende betrekking heeft:

Arm van geest, of geestelijk rijk?

Wat leef je dicht bij Jezus, vent.
'k Weet dat je mij ten voorbeeld bent.
Hoor ik een vloek, wat zeg ik dan?
Meestal maar niets als 'teven kan.
Maar jij schrikt en zegt elke keer:
Thuis ben je stil, je zoek en
zoekt een boekje, maar je stelt geen vraag.
"Wat zoek je? Kom, ik help je graag."
,,'t Gaat over God", dan weet ik het:
de tien geboden van Gods wet.
Een boekje voor het jonge kind,
Wat ben je blij als ik het vind.
't Derde gebod, je hebt het gauw,
Dan blijkt je liefde en je trouw.
Je neemt het boekje mee naar 't werk.
De werkplaats maak je tot een kerk.
U lacht en denkt: Ach, arm van geest.
Maar in de hemel is er feest.
Zijn geest is rijk; 'k hoor Jezus' stem:
"Een groot geloof vind Ik in hem."
Wanneer men rijk is in de Heer,
Dan geldt het "arm van geest" niet meer.

Ik kan het me allemaal precies voorstellen: Zo is Jan. Hij zei niet veel, hij zat meestal zwijgend naast me in de auto, maar er was niemand van de andere jongens die hem die plaats wilde bestrijden. Ik kan me voorstellen dat er in de kring van zijn gelijken een zeker gezag van hem uitgaat, Ik zie hem met dat boekje in de werkplaats naar de ander toegaan: Kijk, hier staat het!
Laait ik toch een paar kritische opmerkingen maken. Allereerst: de laatste twee regels verzwakken het gedicht. Een dergelijke "toepassing"
is niet nodig. Stel je voor dat een schrijver van verhalen het ook zo deed! Het concrete is voldoende, de veralgemening, de “abstractie" hoort aan de lezer overgelaten te worden. In feite had de laatste strofe wel helemaal weg kunnen blijven, daar zou het gedicht niet minder door zijn geweest. Ik wil verder het oordeel ook maar aan de lezer overlaten. Een kleine opmerking: “hèt" rijmt wel op "wet" , maar alleen bij "spellinguitspraak".
Vergelijk het correcte gebruik in een ander gedicht in deze bundel:

... en dan volgt HET:
een jubelstoot van de trompet

De gedichten van Johanna van Eelen zijn beter dan die van M. Koffeman-Zijl waarover ik de vorige keer iets heb gezegd. Toch zal ook Johanna van Eelen geen plaats krijgen in de handboeken over Iiteratuurgeschiedenis.
Ik denk dat zij daar ook niet naar verlangt. Waarom zou ze ook? Haar werk zal velen aanspreken en dat is een beloning op zich zelf. En toch ...
Toch zou ik tegen al die mensen, die in stille uren proberen hun gedachten in woorden om te zetten iets willen zeggen. Léés, léés, en léés! Lees vooral poëzie. Lees Suster Bertken: "Ick was in mijn hoofkijn om cruyt gegaan." Lees eens een balladeals hetgeheimzinnige: Heer Halewijn zong een Iiedekijn, al wie dat hoorde wou bij hem zijn. Lees Hooft, Bredero, Vondel, Revius, Nijhoff, Bloem, Gossaert, A. Roland Holst, Willem de Mérode. Pak eens een gewone bloemlezing van een middelbare school. Bestudeer eens: Literaire Kunst van Ledewiek. Let dan ook eens op de mogelijkheden van b.v. het enjambement. All die gedichten die ik de laatste tijd onder ogen krijg, rijmen zo nadrukkelijk.
Na die versregel komt er een pauze en zo wordt het een eentonig geheel.
Breng eens wat leven in die brouwerij!
En vooral: wees niet te gauw tevreden met helt resultaat!
Na deze cri du coeur terug naar het boekje van Johanna van Eelen.
Ik had wel meer willen overnemen, maar ik hoop dat de lezers van Opbouw ook zó een indruk hebben gekregen: eenvoudige gedichten die ongetwijfeld aftrek zullen vinden.

Geert Boogaard hoeft in Opbouw niet meer geïntroduceerd te worden.
Zijn laatste bundel heet: Niet zonder Hoop. Uitgever is Callenbach, de prijs is f 12,50. Goede wijn behoeft geen krans; dit zijn gedichten zoals we ze van Boogaard kennen en zijn lezers kunnen nu weer een deeltje aan hun verzameling toevoegen.
Mijn oordeel is, net als bij vorige bundels, niet onverdeeld positief. Er staan goede gedichten in dit boekje, er zijn ook zwakke bij. Gelukkig is er maar één op rijm en ik ben daar blij om. Ik heb het al meer gezegd: Boogaard overtuigt veel meer met zijn andere gedichten. We treffen de bekende motieven 'aan: het leed van de medemens, het mede-lijden, het verdriet om de aftakeling, de ziekte, het sterven. Maar telkens is er ook weer de Blijde Boodschap, de zekerheid na wanhoop, de roepende, soms vertwijfelde mens vindt tóch zijn God, Zijn Vader, of wórdt door Hem gevonden.
Al is duidelijk dat de schrijver niet "ván de wereld" is, hij is even duidelijk in die wereld. Dat blijkt uit het volgende:

Dat is toch
bijzonder mooi
zei ik
dat de zwaarden
zullen worden
tot ploegen
de spiesen
tot sikkels
wat een droom
een vergezicht
zo droomt God
in ons
zo zien
Zijn ogen
onze toekomst.
Ze deden echter
alsof de droom
en het gezicht
bedrog waren
en gingen over
tot de orde van de dag
de dag van
het nucleaire evenwicht.

En zo hebben we allemaal onze eigen moeilijkheden! Als iemand iets werkelijk intens doorleefd heeft, kan hij dat uiten in een gedicht. Zo kan kunst ontstaan, Maar dat is hier niet het geval, Een ban-de-bommer gaat over dat nucleaire evenwicht wel anders denken na een bezoek aan Siberië of Auschwitz!
De zaak is te gecompliceerd om daar zó over te schrijven, als Boogaard doet. Wat zich ais poëzie aandient, hoeft het nog niet te zijn, dat blijkt hier al weer. En een bespreking van gedichten moet niet ontaarden in een betoog voor of tegen kruisraketten, daarom laat ik het hierbij!
Ik weet dat Boogaard een tamelijk grote lezerskring heeft, dit boekje zal dan ook wel zijn weg vinden en ik gun het de schrijver van harte.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief