Naar aanleiding van: Ik heb een vriend

1983-04-08
  • Jaargang 27
  • nummer 14
Tweehonderd plus zes

Het groene land in de omgeving van Emden (Ostfriesland) op zondagmorgen.
Luidkeels roepen de klokken van de klokke stoel de mensen ter kerke. In deze streek wordt de roep nog gehoord: uit veel huizen en boerderijen komen de mensen aangelopen. Er stopt ook een busje bij het zeer oude kerkgebouw. Zes geestelijk gehandicapte mensen en drie ,begeleiders stappen uit, en gaan de kerk binnen. Ik ben enigszins verbaasd, want het begrip "integratie" is in Duitsland niet erg bekend. Misschien vormt de kerk een gunstige uitzondering ...

Als de dienst begint, zit het kerkgebouw helemaal vol. De "groep" van het busje zit achterin. Af en toe hoor je luide uitroepen. Na afloop van de kerkdienst praten veel mensen nog wat na. Met de geestelijk gehandicapten heeft eigenlijk niemand kontakt. Ze gaan ook wel een beetje hun eigen gang: een meisje beklimt de preekstoel, een ander wil naar boven, naar het orgel. Twee meisjes zoeken op hun manier kontakt: zwaaien naar de gemeenteleden. Ik krijg twee armen om mijn nek. Het lijkt wel of deze roepen om kontakt worden genegeerd door de gemeenteleden.
Integratie? Of zaten hier 200 leden van een noordduitse kerkelijke gemeente en 6 zwakzinnigen in het historische kerkgebouw?

Aangepast: ja of nee?
Ik moest aan de bovenstaande situatie denken bij het lezen van het boek "Ik heb een vriend". van Ds. P. Vreugdenhil, predikant op een grote leefgemeenschap van zwakzinnige mensen in Ermelo.
"De armoede is vaak, dat het vierende ondergeschikt wordt aan het lerende. En dan zijn er aangepaste diensten nodig, om toch nog maar iets duidelijk te maken. Wanneer de viering een volwaardige plaats krijgt, dan zijn wij voor een groot deel van het probleem van de aangepaste diensten verlost. Dan ligt het accent op het: Komt allen tesamen" (blz. 30/31).
In die duitse kerkdienst leek mij de viering niet het grootste probleem.
Wel het samen-beleven, het 'religare',

Abraham ging op reis.
Naar een heel ver land.
Dat zou ik niet durven.
Ik ben bang om te verdwalen.
Maar Abraham was niet bang.
God heeft de weg gewezen.
Als ik op reis ga, dan wil ik niet verdwalen.
Maar ik ga nooit alleen op reis.
Er gaat altijd iemand mee.
En God gaat ook mee.

Aangepast, en toch ...
Ds. Vreugdenhil signaleert ook het probleem van "het-liefdevol-apart-worden-gezet". De verstandelijk gehandicapte mag op de voorste bank zitten. Hij mag zwaaien naar de dominee. Hij wordt speciaal aangesproken. De 'normale' kerkganger is ontroerd. De vraag is wel: dienen wij de gehandicapte daarmee?
Of dienen wij onze eigen behoefte aan ongecompliceerde en emotionele geloofsbeleving?" (blz. 12/13).

Koste-wat-het-kost?
Verwacht u hier geen oordeel over het al dan niet houden van speciale kerkdiensten voor zwakzinnige mensen. Ik kan dat oordeel ook niet geven, omdat situaties zo verschillend kunnen zijn. Het zal duidelijk zijn dat Ds. Vreugdenhil de aangepaste diensten niet als ideaal ziet. "Voor een groot deel verlost zijn van het probleem van de aangepaste diensten". Ik denk wél: die beperking "voor een groot deel"
móét er wel bij. Meer tolerantie ten aanzien van verstandelijk gehandicapte mensen in de kerk is noodzakelijk, maar er wonen op onze instituten ook zwakzinnigen die in hun gedrag dermate storend (niet als waardeoordeel bedoeld) binnen de dienst kunnen zijn, dat pogingen tot "integratie" al bij voorbaat gedoemd zijn om te mislukken.

Terecht legt Ds. Vreugdenhil de nadruk op het sámen-zijn, maar het moet niet zo zijn dat dan vervolgens een deel van de gemeente elders gaat kerken. Dus niet: kostewat-het-kost!

Drie delen
De bedoeling was dat ik een recensie zou schrijven. Ik ben echter gestart met het dilemma of je voor zwakzinnige mensen aparte of aangepaste diensten moet beleggen.
Een vraag die terecht ook wordt gesteld door Ds. Vreugdenhil. Het feit dat hij dit boek heeft geschreven, wijst er overigens op dat ook hij bezig wil zijn met aparte vormen van catechese voor verstandelijk gehandicapten.
De Ermelose predikant heeft het boek niet alleen geschreven. Zijn (geestelijk gehandicapte) gemeenteleden komen ook zelf uitgebreid aan het woord, hetzij door verhalen, hetzij door tekeningen (tweede gedeelte van het boek). In het laatste gedeelte van het boek vinden we programma's voor een Bijbelclub, gemaakt door Margreeth van de Bunt en Marian Venus.

Deel één
"Warm": zo zou de schrijfstijl van Ds. Vreugdenhil betiteld kunnen worden. Hij schrijft niet over zijn gemeenteleden als objekten. De eerste 8 hoofdstukken laten de lezer nadenken over aspekt en van de pastorale zorg voor geestelijk gehandcapte mensen. Daarbij ontroerende voorbeelden van geloofsvertrouwen.
"Ik ken mijn vader niet, want hij is gestorven toen ik nog klein was.
Maar ik vraag in de hemel wel aan de Heere Jezus of Hij me naar mijn vader brengt". Het ge hoofdstuk bevat een serie tekeningen over God en geloven, gemaakt door catechisanten.
Het 10e hoofdstuk geeft enkele antwoorden van diezelfde groep mensen op vragen van de dominee weer. "Wie is God?""Wat is zonde?" Tenslotte een preek over (wat altijd genoemd wordt) de wijzen uit het oosten (Matth. 2:1-12).


Deel twee
Tekeningen en korte uitspraken bij die tekeningen sieren het tweede deel van het boek. Een voorbeeld van een uitspraak bij een zelfgemaakte tekening van een bewoner van het instituut waar Ds. Vreugdenhil werkzaam is, vindt u aan het begin van dit artikel. Daarna komt Cor aan het woord: een 66-jarige man, die al meer dan een halve eeuw op de inrichting woont. Van zijn kant soms verrassend rake of nuchtere opmerkingen.

Deel drie
In het derde deel worden enkele thema's voor een Bijbelclub uitgewerkt.
Een voorbeeld: "Hij komt ... let erop!" Daarbij als programma o.a. dat je kunt zien dat de zomer in aantocht is als je knoppen aan de bomen ziet, en een uitwerking van de gelijkenis van de 5 wijze en de 5 dwaze meisjes.

Stuntwerk, infantiliseren
Sommige predikanten proberen "stuntwerk" te leveren in kerkdiensten met verstandelijk gehandicapte mensen. De illustratie bij het Bijbelverhaal wordt dan zo belangrijk dat de eigenlijke boodschap moeilijk meer te herkennen valt.
Dat kan zelfs gevaarlijk zijn omdat sommige geestelijk gehandicapten illustratie en boodschap onvoldoende uit elkaar halen (bv. een jongen die een schoonmaakmiddel dronk omdat hij van binnen zwart was).
Nergens gaat 'Ik heb een vriend' echter mank aan dit gevaar: het boek ademt een rustige, evenwichtige sfeer. "Niet alles behoeft te worden uitgelegd", aldus Ds. Vreugdenhil (blz. 26).
Daarmee zijn we tevens gekomen aan een tweede beoordelingspunt.
De samensteller van het boek wijst op het gevaar van het infantiliseren, het 'te klein' vertellen. Een korte toelichting mijnerzijds: We moeten ons goed realiseren dat een zwakzinnige man van 60 jaar toch een ander mens is dan een kind van drie jaar met hetzelfde verstandelijke ontwikkelingsniveau. Vaak is de ontwikkeling niet harmonisch (op bepaalde ontwikkelingsgebieden relatief veel kennis). En - niet te vergeten - de levenservaring. Een zestigjarige zwakzinnige man heeft de oorlog meegemaakt en hij heeft afscheid genomen van zijn ouders.
Dit betekent dat didaktische werkvormen van de kleuterschool niet zondermeer op de zwakzinnigenzorg van toepassing kunnen zijn.
Het betekent tevens dat er met de 'werkjes' selectief moet worden omgegaan: die zestigjarige man zet je niet zomaar aan de vingerverf!
Beide (en mogelijk nog andere) uitgangspunten zouden nog wel eens verder kunnen worden uitgewerkt; ze worden nu slechts aangestipt in het boek. Waarschijnlijk is een verdere uitwerking niet de bedoeling van de samensteller geweest; m.i. zou "Ik heb een vriend" er wel door aan waard hebben gewonnen.

Beperking
In het voorwoord schrijft Ds. Vreugdenhil: "Het boek heeft betrekking op mensen die kunnen praten. Het is niet ondenkbaar dat anderen heel andere ervaringen hebben".
Deze relativering is noodzakelijk.
'Ik heb een vriend' richt zich op verstandelijk gehandicapten die redelijk aanspreekbaar zijn d.m.v.
het gesproken woord en de taal zelf ook actief kunnen gebruiken. Dat is dan ook een beperking van het boek. Er zijn grote groepen geestelijk gehandicapten die op een "lager" niveau functioneren. Ik ben erg benieuwd hoe een boek over de pastorale zorg aan déze mensen eruit zou zien. Dit boek vormt dus een illustratie hoe het pastoraat gestalte kan krijgen bij een bepaalde groep verstandelijk gehandicapten.
Kán, want de zorg is zeer genuanceerd.

Tenslotte
Men moet niet verwachten met 'Ik heb een vriend' een handboek in handen te hebben. Op de kaft staat vermeld: 'Lees-, kijk- en werkboek'.
Het laatste (werk-)gedeelte vormt een mogelijke (en kwalitatief goede) uitwerking.
Mits men voor ogen houdt dat 'in dit boek niet alles staat' (hetgeen trouwens ook onmogelijk is) acht ik dit boek het waard om aangeschaft te worden door een brede groep mensen (breder dan alleen de mensen die professioneel met geestelijk gehandicapten in aanraking komen).
Het is gemakkelijk leesbaar en de sfeer die het boek ademt, doet plezierig aan. Wat de wijze van samenstelling betreft, verdient de samensteller zeer zeker een compliment.
De tekeningen en verhalen van de mensen 'over wie het gaat' verhogen de waarde van het boek.
Ds. P. Vreugdenhil (samenstelling) 'Ik heb een vriend' (191 pag.) Oosterbaan &Le Cointre, 1982 Prijs: f 22,90 "Als ik naar de hemel ga, dan neem ik mijn bandrecorder mee, want ik neem de stem van Jezus op. En 's avonds op mijn kamertje kan ik er dan nog eens naar luisteren".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief