De kerkfamilie op Kreta
2011-10-21
Eerder in dit nummer schreven wij over de familie in het Nieuwe Testament. Ter illustratie en verdere onderbouwing van wat wij daar hebben uiteengezet, geven wij hier een Bijbelstudie over de instructie van Paulus aan zijn medewerker Titus. Wat zijn de consequenties van ‘de heilzame leer’ voor het familieleven op Kreta? - Jaargang 55
- nummer 21
Vaak worden de voorschriften uit Titus 2:1-10 gerekend tot de categorie ‘huisregels’, die bedoeld zijn om de onderlinge omgang binnen de antieke familia te regelen.
Strikt genomen zou dit echter alleen voor de verzen 4-10 gelden, waar achtereenvolgens jonge vrouwen, jonge mannen en slaven worden aangespoord om zich op een christelijke manier te gedragen. Het merkwaardige is dat de verzen 2-3 zowel mannelijke als vrouwelijke senioren vooropstellen. En het zijn vervolgens de oudere vrouwen, die op hun beurt jongere vrouwen moeten instrueren betreffende hun gedrag binnen de familia. De prominente rol van de senioren op Kreta lijkt gegeven met het feit dat Titus nog niet in iedere stad oudsten had aangesteld. Titus was een buitenstaander en moest voor de ontwikkeling van de christelijke gemeenten aansluiting zoeken bij de geaccepteerde gezagsdragers.
Dat waren in de oudheid de senioren. Door allereerst deze oudere mensen ter plaatse met het hun verschuldigde respect te benaderen, zou Titus zich toegang kunnen verschaffen tot de stadsgemeenschap als geheel.
Paulus’ voorschriften zijn dus eerder ‘gemeenteregels’ dan ‘huisregels’, waarbij moet worden aangetekend dat de christelijke gemeente niet los stond van de lokale gemeenschap op Kreta.
Achtereenvolgens komen de volgende groepen aan de orde: oudere mannen – oudere vrouwen – jonge vrouwen – jonge mannen – slaven. Er wordt dus onderscheid gemaakt naar leeftijd, naar geslacht, maar ook naar maatschappelijke positie: de slaven worden als één categorie gerekend. Zo blijken deze gemeenteregels de bestaande sociale structuren te volgen. Maar qua motivatie dient de gemeente op God gericht te zijn: Gods Woord mag niet gelasterd worden en het aanzien van de leer van God, onze Redder, moet verhoogd worden. De theologische onderbouwing in vers 11-14 maakt duidelijk waarom deze gedragsregels zo belangrijk zijn. We leven als christenen in de periode tussen de historische verschijning van Gods genade en de toekomstige verschijning van Gods glorie. Wat zo voor ons oog verschijnt, is een persoonlijke gestalte: niemand minder dan Jezus Christus.
Senioren
Zolang er nog niet in iedere stad oudsten aangesteld waren, moest Titus allereerst de oudere generatie Kretenzers aanspreken. Vanwege hun leeftijd en levenservaring genoten zij algemeen respect. In de oudheid werden, globaal genomen, vooral vijftigers als senioren beschouwd. Dit gaat terug op een indeling van de menselijke levensloop in tien perioden van zeven jaar.
Tijdens de achtste levensloopperiode, dus wanneer iemand ongeveer tussen 49 en 56 jaar oud is, heeft men de seniorenleeftijd bereikt. Titus zal zulke senioren op het eiland Kreta tactisch moeten benaderen. Waarschijnlijk kiest Paulus hier de neutrale en ongebruikelijke term ‘spreken’ (in de NBV vertaald met ‘verkondigen’), omdat men zich tegenover de oudere generatie geen al te zware woorden kan veroorloven. Dit geldt ook voor Titus als medewerker van de apostel. Senioren stralen zoveel gezag uit, dat ze uitsluitend met respect aanspreekbaar zijn. Maar bij hen moet Titus wel beginnen als hij onderricht wil geven.
Uit hun kring kunnen later oudsten worden aangesteld die leiding geven aan de gemeente.
De gezonde leer
Het spreken van Titus wordt in de tekst scherp afgegrensd tegen de activiteiten van de dwaalleraars die in hoofdstuk 1 beschreven waren: ‘Maar jij, bespreek wat strookt met de gezonde leer.’ Tegen hun allesverziekende dwaling is het leeronderricht een heilzaam medicijn. Titus kan de situatie op Kreta het beste saneren door allereerst de senioren terug te brengen naar de basis van het christelijk geloof en samen met hen de gezonde leer te bespreken. Om precies te zijn is dan niet de leer zelf het onderwerp van gesprek, maar wat daarmee overeenkomt.
Met andere woorden: Titus moet met de senioren in gesprek gaan over een gezond en gezondmakend christelijk leven. Zo wordt de invloed van dwaalleraars op Kreta het meest effectief bestreden.
Gedragsregels
Welke gedragsregels moest Titus nu aan die verschillende groepen uit de nog prille christelijke gemeenten op Kreta voorhouden? Er zijn vijf groepen te onderscheiden, waarvan er twee als het ware naast elkaar staan: oudere mannen, oudere vrouwen en jonge vrouwen, jonge mannen en slaven
Oudere mannen (vers 2)
Zij moeten, aldus Paulus, sober, waardig en bezonnen zijn, en gezond in het geloof, de liefde en de volharding. Je zou deze reeks van zes kwalificaties kunnen onderverdelen in twee maal drie. Eerst worden drie sociale deugden opgesomd, vervolgens drie christelijke deugden. Bij elkaar genomen scheppen ze het beeld
van mannelijke senioren die bewust in het leven staan, als respectabele christenen. Oudere vrouwen (vers 3) De vereiste ingetogenheid wordt hier verwoord op een manier die uniek is voor het Nieuwe Testament: ‘devoot in hun gesteldheid’. Een bijna priesterlijke houding dient door Titus van oudere vrouwen gevraagd te worden, volstrekte toewijding aan het dienen van God.
Hun ingetogenheid, eerlijkheid en nuchterheid doen sterk denken aan wat de apostel Paulus verwacht van diakenvrouwen (1 Tim.3:11).
Jonge vrouwen (vers 4-5)
Het meest opmerkelijk bij de vrouwelijke senioren is dat zij blijkbaar een soort onderwijstaak krijgen toebedeeld, maar dan heel specifiek gericht op hun jongere seksegenoten. Paulus doelt op praktijkonderricht in de vorm van concreet voorleven van christelijke normen en waarden. Oudere vrouwen mogen hun wijsheid en levenservaring in de familia als een goed voorbeeld doorgeven aan gehuwde jonge vrouwen. Het zou binnen de sociale verhoudingen van de oudheid volstrekt ongepast zijn wanneer Titus, een alleenstaande man, met zijn onderricht op Kreta jonge vrouwen aansprak, zeker in het geval van joodse vrouwen. Daarom is het verstandig indirect te werk te gaan, via de vrouwelijke senioren. Zij krijgen tot taak een nieuwe generatie vrouwen op te leiden die als spil van het complete huishouden christelijke normen en waarden voorstaan: met liefde voor man en kinderen, in alle eerbaarheid, als goede beheerders van de huisgemeenschap, maar tegelijkertijd met behoud van respect voor de eigen echtgenoot als hoofd van de familia. Dat het Woord van God niet gelasterd mag worden, is een apologetisch motief waarmee het voorbeeldige gedrag van zulke christenvrouwen positief wordt ingezet om de voortgang van het evangelie te bevorderen.
Jonge mannen (vers 6-8)
Meestal worden deze aangesprokenen als twintigers beschouwd. De opdracht aan Titus ten aanzien van hen is wel erg summier uitgevallen, merkt een commentator terecht op. Zij moeten bezonnen zijn in alle dingen. De gekozen formulering is zo algemeen dat wat in het voorgaande van andere groepen gevraagd werd ook daaronder kan vallen.
Bovendien geldt althans een deel van wat hier van Titus zelf gevraagd wordt, ook voor de jonge mannen. Wanneer Titus het goede voorbeeld geeft, zal hij zijn eigen oproep daadwerkelijk ondersteunen. Verder moet hij, anders dan de dwaalleraars, volstrekt zuiver in de leer zijn en een gezonde boodschap brengen. Ook hier sluit Paulus af met een apologetisch motief. Degene die hier ‘de opponent’ genoemd wordt, vertegenwoordigt een categorie van kritische buitenstaanders. Door het zien van goed christelijk gedrag zullen zij zich echter gaan schamen en zal hun kritiek vanzelf verstommen, zo is Paulus’ stellige verwachting.
Slaven (vers 9-10)
Enerzijds worden de slaven als aparte categorie beschouwd, naar sociale status en onafhankelijk van leeftijd en geslacht. Anderzijds moet Titus hen wel als verantwoordelijke mensen aanspreken, omdat ze blijkbaar zelfstandig deel uitmaakten van de christelijke gemeente.
Dit zijn immers geen huisregels maar gemeenteregels. Vandaar dat de eigenaars van deze slaven en slavinnen hier niet apart worden aangesproken (anders dan in Ef. 6:9 en Kol. 4:1).
Slavenbezitters waren er ongetwijfeld onder de eerdergenoemde categorieën: oudere mannen, oudere vrouwen, jonge vrouwen en jonge mannen. De ‘bezonnenheid’ die van al deze categorieën wordt gevraagd zou dan ook karakteristiek moeten zijn voor de manier waarop zij de slaven uit hun christelijke familia behandelen.
Van die slaven en slavinnen zelf wordt gevraagd zich in alles te schikken naar hun eigenaars, dat wil zeggen hem of haar welgevallig te zijn. Heel concreet was dit toepasbaar in het dagelijks leven binnen de huisgemeenschap.
Veel slaven pleegden verbaal verzet of probeerden hun eigen meester in het geheim te bestelen. Maar wie slaaf is en als christen door het leven gaat, mag de meester niet brutaalweg tegenspreken en niets van waarde verduisteren. Integendeel, zo iemand moet de meester ‘alle goede trouw bewijzen’.
Een commentator wijst erop dat, terwijl de motivatie in vers 5 en vers 8 was dat de reputatie van de prille gemeente niet op het spel kwam te staan, juist de slaven positief worden ingezet om de christelijke leer te bevorderen. Zij mogen een sieraad zijn, aldus Paulus, voor de leer van God, onze Redder. Hiermee introduceert de apostel een wij-vorm die vervolgens in vers 11-14 consequent wordt volgehouden. Het geldt voor heel de gemeente, zonder onderscheid: voor senioren én jongeren, voor mannen én vrouwen, voor slaven én hun eigenaars: God is onze Redder en zijn genade en glorie verschijnen ons in Christus Jezus.
Sterker nog, dat God zijn Zoon op het wereldtoneel liet verschijnen, is volgens vers 11 een bron van redding voor alle mensen.
De Christusfamilie
Zo blijkt dat met de komst van Christus Jezus een nieuw tijdperk is aangebroken. De ‘oude’ sociale structuren worden niet afgeschaft, de familia blijft meer dan ooit van betekenis, want zij wordt van binnenuit omgevormd en mag dienen als model voor een ‘nieuwe’ familia. Dat is de Christusfamilie, bestaande uit kinderen van God, oftewel broers en zussen in verbondenheid met Gods unieke Zoon, die ter wereld kwam om mensen bij God te brengen.
Personalia auteurs: zie pag. 32
| Titus 2:1-10 1 Maar jij moet verkondigen wat overeenkomt met de heilzame leer. 2 Oudere mannen moeten sober, waardig en bezonnen zijn, en gezond in het geloof, de liefde en de volharding. 3 Ook oudere vrouwen moeten zich ingetogen gedragen, ze mogen niet kwaadspreken of verslaafd zijn aan wijn. Ze moeten goede raad weten te geven, 4 en de jonge vrouwen voorhouden dat ze hun man en kinderen moeten liefhebben, 5 dat ze ingetogen, kuis, zorgzaam in het huishouden en vriendelijk moeten zijn, en dat ze het gezag van hun man moeten erkennen. Dan wordt het woord van God in ere gehouden. 6 Roep ook jonge mannen op in alles ingetogen te zijn. 7 Geef zelf met goede daden het voorbeeld, laat je leer zuiver en waardig zijn, 8 en verkondig de heilzame, onbetwistbare boodschap, zodat onze tegenstanders beschaamd staan en niets kwaads over ons kunnen zeggen. 9 Slaven moeten in alles het gezag van hun meester erkennen en het hem naar de zin maken. Ze mogen hem niet tegenspreken 10 of van hem stelen, maar moeten laten zien dat ze volkomen betrouwbaar zijn. Dan verhogen ze in alles wat ze doen het aanzien van de leer van God, onze redder. |