Dr B. Wentsel - Geen overbodige luxe
1983-04-15
"Een dezer dagen verscheen het tweede deel van de dogmatiek van dr B.Wentsel, getiteld De openbaring, het verbond en de apriori's bij de uitg, J.H. Kok. 633 blz. Het behandelt actuele vragen zoals de vraag: is de God van de bijbel identiek met Allah? Wat houdt het verbond van God met Adam en Abraham in? Is de zonde slechts een daad van de enkeling of de collectiviteit of wortelt de daad in de neiging van de mensheid tot het kwade? Wat is het effect van de breuk in het oerbegin? Is de uitverkiezing een keuze tot dienst of tegelijkertijd ook tot het eeuwig geluk?- Jaargang 27
- nummer 15
Wat is christelijke cultuur? Wat zijn de consequenties van het zendingsbevel?
Hoe komt het dat de bijbel op zoveel verschillende manieren gelezen wordt? Hoe komt het dat een piëtist de neiging kan vertonen om de arme Lazarus voor zijn gaan naar de hemel eerst het boetekleed van de arme zondaar aan te trekken en de materialistische exegeet de neiging kan vertonen om alle armen in stoffelijke zin zalig te verklaren?
Achtereenvolgens passeren allerlei leeswijzen van de bijbel de revue te beginnen met de allegoreten en eindigend met de neo-marxistische benaderingswijze.
Men zou het werk een beknopte dogmatiekgeschiedenis vanuit hermeneutisch gezichtspunt kunnen noemen.
Vrijwel alle belangrijke theologen van de 20ste eeuw komen ter sprake. Het is de bedoeling dat het derde deel getiteld God en mens, verzoend omstreeks 1985 verschijnt en het vierde deel getiteld De Heilige Geest, de kerk en het einde deo volente in 1988. B. Wentsel is predikant bij de Ger. Kerk van 's-Gravenhage-West, docent dogmatiek bij de Ref.
Bijbelschool en lid van de Raad van Deputaten voor Samen-op-weg. De dogmatiek is geschreven in de lijn van de klassieke gereformeerde (hervormde) theologie: J. Calvijn. H. Bavinck, A. A van Ruler Zij houdt het midden tussen een zeer brede dogmatiek en een handboek"
Tot zover luidde het ons toegezonden persbericht
Ik kan mij voorstellen dat u als lezer u afvraagt wat nu de waarde is van dit boek in ons toch al aan dogmatieken rijke vaderland. Is het de moeite van het aanschaffen en lezen waard?
Mijn antwoord daarop is: ja. Natuurlijk, u moet belangstelling hebben voor moderne theologische vragen en bereid zijn om ervoor te gaan zitten en er enkele uren in te investeren.
Doet u dat, dan wordt de moeite beloond, want Wentsel is erin geslaagd om overzichten te geven van talloos veel eigentijdse theologen; en dat niet alleen: hij heeft ze verwerkt en beoordeeld en zijn beoordeling is nuchter en bijbels. Het werd tijd, dat er eens iemand opstond, die de balans opmaakte. Wentsel is daarbij een goede gids. Hij is niet te bekrompen om van iedere denker te leren en toch ook vast genoeg verworteld in wat hij zelf noemt de katholiek-gereformeerde traditie om niet met alle winden van leer mee te gaan. In Kampen mogen zij van mij nu Honig wel afschaffen, (als zij dat niet al lang gedaan hebben) in Wentsel hebben wij nu een nieuwe Honig - eigentijds, rijk aan heldere informatie, die alles afweegt en proeft en het goede behoudt.
Hoe meer ik in Wentsel las, hoe meer het mij boeide. Iedere predikant zou met Wentsel in huis een soort privé bij-scholingscursus in bijbels-theologiseh denken kunnen volgen.
Wentsel is geen denker met een geheel eigen ontwerp, van het niveau van Noordmans of Schilder, Miskorte of Berkhof, maar hij kent alles wat er op de markt is en heeft als grote verdienste dat hij in de stormen van al deze grote denkers als gereformeerde theoloog overeind gebleven is en rustig een nieuw pleidooi durft te voeren voor "algemene openbaring" (na Barth ... !) en voor "het eeuwig welbehagen" (na Berkhof) en voor "inspiratie" (na het rapport: God met ons) (blz. 448).
Nu vermoed ik dat vele lezers zullen denken: dat zal wel een saai boek zijn - met niets origineels erin. Toegegeven: ik heb ook wel eens een enkel historisch overzicht overgeslagen, En het boek vóóronderstelt een zekere basiskennis van Augustinus tot Barth, maar toch vinden er steeds typeringen plaats die ik erg graag gelezen heb, zoals bijv. (na Miskotte). Het O.T. heeft een tegoed ten opzichte van het N.T., maar het N.T. heeft een meerwaarde ten opzichte van het O.T.
(blz. 150). (Na de discussies over "eeuwige verkiezing") : Er dient ons als gelovigen zeer veel aan gelegen te zijn dat wij in ons spraakgebruik er geen aanleiding toe geven dat Jahweh, de Getrouwe en Genadige, de Vader van Jezus Christus wordt afgeschilderd als een willekeurige tyran of grillige despoot. Om die reden is het dan ook juister niet te spreken van een dubbele predestinatie tot het leven en de dood. Terminologisch uitgedrukt: er is een predestinatie tot het leven met God en een definitieve veroordeling tot het dood-zijn buiten God" (blz. 180). (Na alle discussies over de toekomst van Israël): Is de status van het volk Israël gelijk aan een schelp waaruit de parel van het heil is verdwenen? (blz. 234). Tot mijn vreugde las ik hoe Wentsel daarop breed argumenterend: neen antwoordt.
Zonder modieus mee te doen met de leer van de twee wegen tot God (Israël door de Thora, wij door de Christus) gelooft Wenteel toch "dat het Joodse volk als zodanig - gelovig en ongelovig - door zijn heilshistorische roeping en verkiezing gestempeld blijft etc.," blz. 237. (Na Bultmann): "Tussen de allegorische schriftinterpretatie van de alexandrijnen en die van de school van de ontmythologisering in de twintigste eeuw zijn overeenkomsten of parallellen aan te wijzen"
(blz. 277). (Na Wiersinga): "Het blijkt steeds weer dat het startpunt voor een nieuw kritisch theologisch denken gelegen is. in twijfel aan en verzet tegen de kerkelijke satisfactie-leer. Daar begint de wending van een objectivistisch naar een subjeetivistisch denken etc. (via P. J. van Leeuwen op blz. 489). (Na Barth): "De geschiedenis is bij Barth een autonome grootheid waarin God van buitenaf binnenkomt. De menselijke ervaringswereld is (bij Barth) post-Kantiaans god-loos." (blz. 521).
Nu iets over de hoofd-inhoud van dit boek: het valt heel globaal in drie hoofdmomenten uiteen: de apriori's, het verbond en de schriftbeschouwing.
Wentsel behandelt in hfdst. 1 wat hij noemt de apriori's waar de eigentijdse theologen van uitgaan. Ik vond dit niet het sterkste deel. Wat Wentsel apriori's noemt "vantevorenheden" blijken bij nadere kennisname een veelvoud van eigentijdse filosofieën te zijn - of kerkelijke tradities waarbinnen iemand nog kan opstellen zonder nadere verantwoording daarvan af te leggen. Toch bedoelt bijv. de Wijsbegeerte der Wetsidee iets anders als zij spreekt over "vooronderstellingen" of "grondmotieven". Systematisch denkend is mij de opzet van Wentsel niet altijd duidelijk, maar ik ben best bereid om zijn meer journalistieke stijl te accepteren.
In het middendeel van zijn boek bespreekt Wentsel het verbond als sleutelbegrip in de Schrift. "Het boet nooit aan actualiteit in. Het is een van de meest passende hermeneutische sleutels (mogelijk zelfs de enige juiste) om de structuur, inhoud en zin van de H.S. en alle onderdelen van het christelijk geloof te ontsluiten." (blz. 145). Hier ligt het zwaartepunt van zijn boek, dat al zijn schaduw vooruit wierp in deel I, 103, waar hij het waarheidsbegrip van de bijbel omschreef als bepaald door het verbondsbegrip in zijn eenzijdige oorsprong en tweezijdige bestaanswijze.
Ik beaam het wel wat Wentsel hierover schrijft en heb met dankbaarheid voor katechisatie gebruik gemaakt van zijn heldere overzicht in dl. 11, 156, 157 van alle verbonden. Toch valt het op dat het verbond vooral daar altijd naar voren komt waar de bijbel geleerd wordt, maar waar het evangelie verkondigd wordt geeft het centrale woord 'Koninkrijk van God' meer houvast. Of dus verbond het enige sleutelwoord om de bijbel te verstaan zou zijn, vraag ik mij af.
Maar belangrijker nog is het gevaar dat een leer van het verbond de verkondiging van de opgestane en levende Heer zou verdringen en natuurlijk zal Wentsel en ieder gereformeerd theoloog daar verontwaardigd op reageren - op drie theologische onmogelijkheid - toch spreek ik uit ervaring als ik zeg dat dit mogelijk is.
Daarom vrinden wij het woord 'verbond' relatief weinig in het N.T. (33 maal. waarvan 17 maal in Hebr.brief) maar veel vaker het centrale Paulinische begrip van het in-Christus-zijn.
In het derde deel van dit boek bespreekt Wentsel een veelvoud van Schriftbeschouwingen - nadat hij een lange historische aanloop genomen heeft. Wij lezen er interessante beschouwingen over de rechts-vrijzinnigen en hun hoofdprobleem (H. J. Heering e.a.) blz. 484, een brede nabeschouwing op Barth, een goede bespreking van de gereformeerde Schriftbeschouwing vanuit Bavinck en kritiek op het rapport God met ons.
Het boek eindigt met een informatief hoofdstuk over de materialistische exegese vanuit het marxistische denken.
In dit laatste deel trof mij een poging om de veelkleurige wereld van de evangelicals in kaart te brengen. In Nederland zijn zij georganiseerd in wat genoemd wordt de Evangelische Alliantie. Als ik Wentsel's omschrijving serieus neem n.l. "onder evangelicalen verstaan wij een dwarslaag binnen de christenheid ... die zich nadrukkelijk van het modernisme distantieert en opkomt voor de grondwaarheden van het christelijk geloof (573). Het stelt zich afwijzend op tegenover een Schriftkritische theologie en gaat uit van de inspiratie van de Schrift (581).
Wat is er in deze definities dat het verhindert dat ook B. Wentsel zelf tot deze dwarslaag van de evangelie als behoort? Of is het dit, dat het evangelicalisme een eigen spiritualiteit vertoont? (blz. 588) Wat samenhangt met hun verkondiging van Christus als Redder voor tijden eeuwigheid.
Over dit laatste zou ik graag meer horen: ik heb het vermoeden dat ik dan toch uiteindelijk liever zou kiezen VOOT de evangelicals dan voor de gereformeerden.
Maar voorlopig boud ik het erop na lezing van Wentsel dat beiden hetzelfde nastreven.