Een mens van God
1982-10-01
- Filippenzen -- Jaargang 26
- nummer 36
Zelfs Paulus, de apostel, is ook maar een mens. En alle woorden die hij als apostel van Jezus Christus zegt of schrijft, zijn in elk geval óók mensenwoorden.
Gelukkig ook maar. Bleven ze anders niet - ver en vreemd - boven ons gewone mensenleven hangen? Woorden, die wel mooi zijn en waar, - maar wij kunnen er niet bij. Woorden, waarvoor in ons leven geen plaats te vinden is, geen ruimte, geen mogelijkheid.
Hoe door en door menselijk Paulus spreekt, blijkt - als je aandachtig luistert - uit al zijn brieven.
Maar toch wel heel bijzonder uit zijn brief aan de Filippenzen. Dat is niet zo verwonderlijk. Want met die gemeente en met de mensen van die gemeente voelde hij zich wel heel bijzonder verbonden. In de gemeente van Philippi voelde hij zich, meer dan ergens anders, helemaal thuis. Daar beleefde hij het. hoe dicht je als mensen bij elkaar komt, wanneer je door Christus helemaal voor elkaar opengebroken bent. Zo, dat je hart naar elkaar uitgaat (1 : 8) en je elkaar op het hart draagt (1 : 7). In de gemeente van Philippi had Paulus zijn intieme vrienden. Met die mensen had hij zijn diepste contacten. Als hij hèn weer ontmoette, als hij aan hen dacht, als hij weer iets van hen hoorde, dan golfde de warmte door hem heen: wat was het heerlijk dat hij hen ontmoet had, dat ze bij elkaar hoorden, dat ze nog zo aan elkaar konden geven.
Vandaar dat de toon van deze brief zo warm is. Je zou haast zeggen: menselijker dan in de
andere brieven. En zo, als mens, wil hij gehoord worden.
Zo wil hij gehoord worden als hij schrijft over zijn verlangen om al die mensen in Philippi weer te zien, terwijl hij niet eens weet of dat wel ooit gebeuren zal. Want als hij deze brief schrijft, zit hij in de gevangenis.
Je moet je dat dus voorstellen: hoe Paulus daaraan geleden heeft. Hoe hij daaronder gezucht heeft. Dat hij daarom gehuild heeft. Hij wilde wel naar die mensen die hem zo dierbaar waren toevliegen. Maar het kon niet. Het kon misschien wel nooit meer.
En dat terwijl hij wist: ze hebben het zo moeilijk. En niet eens precies wist, hoe moeilijk, Hoe ze het verdroegen, o(ze er wel tegen konden. En hij kan niets voor ze doen. Hij moet ze alleen laten. Alleen in hun ellende en in hun verdriet. Alleen in alles wat ze van hun stuk bracht.
Alleen in de kou. Dat moet hem toch verteerd hebben? Het is toch ondenkbaar dat die vraag hem niet tegen de muren heeft doen opvliegen: hoe gaat het nu met ze? Komen ze niet om?
En zo wil Paulus ook gehoord worden als hij het heeft over dat andere verschrikkelijke feit: terwijl hij in de gevangenis zit, zijn er in de gemeente anderen die zijn- afwezigheid gebruiken om zichzelf omhoog te werken, een belangrijke plaats in de gemeente te veroveren,en dat dan ook nog onder de dekmantel van het evangelie, waarvan ze de mond vol hebben (1 : 15 v.v.).
Nou, dat is natuurlijk niet om te verkroppen.
Ook voor Paulus niet. Dat. die lui in de gemeente hun gang kunnen gaan! de vrome christen, de gewichtige pastor uithangen. Terwijl hij, Paulus, die nooit zichzelf gezocht heeft, zijn dagen en nachten in een cel moet slijten en een doodvonnis boven zijn hoofd heeft hangen .- Straks wordt hij vermoord en zij leven. Hoe kan God dat toelaten? Hoe kán dat nu? Straks loopt alles wat hij gedaan heeft hierop stuk, - dat hij dood gaat. Dat kán toch niet?
Tenminste, - dat is het ene spoor, waarlangs Paulus' gedachten jagen. Maar - want Paulus is ook maar een mens - zijn stemming kan ook zo maar omslaan. (1 : 21 v.v.). Dood? Nou, dat is: met Christus zijn. Daar verlangt hij eigenlijk erg naar. Is dat niet veel beter dan hier nog verder moeten tobben, altijd maar verder in het werk, in de verantwoordelijkheid, in de teleurstelling en de vermoeidheid, in het gevaar, in de honger, in de dorst, de nachten zonder slaap, de dagen, waarvan je zo moe wordt, dat je er naar gaat snakken: niet verder te hoeven. Dood gaan? Dat is voor hem verreweg het beste.
Voor hem, ja. Maar - en dat is dan weer een ander spoor - voor die mensen in Philippi? Voor zijn vrienden, die hem zo ter harte gaan? Hij zou zo graag nog alles voor ze doen. Hij zou zo graag nog verder willen - als hij hèn maar helpen kan.
Zo gaan Paulus' gedachten heen en weer.
Leven? Sterven? En hij weet het niet. Hij komt er niet uit. Uit de mogelijkheden niet. En uit de wenselijkheden niet.
En bij dat alles 'komt dan natuurlijk ook noghoe kan het ook anders? - het gepieker over zichzelf, over zijn leven, over dat wat achter hem ligt, over al die negatieve dingen, waarvan hij zich bewust is. Hij durft dat wel zeggen tegen God: alles wat mij winst was heb ik om Christus' wil schade geacht (3 : 7). Maar ondertussen. Ondertussen is hij niet blind voor alles in zijn leven wat daartegenin vloekt. Voor het vertrouwen op zichzelf, dat ook bij hem altijd op de loer ligt (3 : 4). Voor de trots, die hem altijd weer parten dreigt te spelen (3 : 5 v.v.). Voor al die donkere motieven die hem door alles heen dwars zitten, - hij is nog lang niet zo als God het bedoelt (3 : 12 v.v.). Zou dat Paulus niet de twijfel ingejaagd hebben, zoals het ons de twijfel injaagt?
De twijfel aan jezelf. Wat is dat kromme, halfslachtige, dubbelzinnige leven van mij nu waard?
En dan ook - onvermijdelijk - de twijfel aan God. Wat voor zin heeft het allemaal? Wat haalt dat nu uit, dat je in God gelooft? Zo wil Paulus gehoord worden. Als een mens, net als wij. Als één van ons. Net zo zwak, net zo broos, net zo kwetsbaar, net zo onmachtig. Want als je hem zo niet hoort, als ook maar een mens, hoor je hem zeker niet als apostel, als mens van God.