Weest vruchtbaar: Gebod of zegen
1982-10-01
- Jaargang 26
- nummer 36
Vertroebeld
Hoe moeilijk het soms is na twintig eeuwen christendom de bijbeltekst te laten zeggen wat ze bedoelt 'te zeggen, werd me weer eens duidelijk bij de bestudering van enkele gedeelten uit Gen. 1-3, die handelen over de verhouding tussen man en vrouw.
In die twintig eeuwen zijn er zoveel interpretaties en kaders en schema's over die bijbeltekst heengestort. dat het vaak ongelooflijk veel inspanning kost de verkleuringen en verwringingen van de tekst, die daar het gevolg van zijn, te negeren en de tekst zelf te laten spreken. Met name inzake de verhouding tussen van en vrouw in en buiten het huwelijk hebben we vanuit de christelijke traditie een bril op de neus geduwd gekregen, die het ons bijna onmogelijk maakt op te vangen wat de tekst werkelijk zegt.
Ons zicht wordt in het bijzonder vertroebeld, doordat we enkele bijbelteksten als een bevel, als een opdracht, hebben leren lezen, terwijl er in werkelijkheid van een bevel helemaal geen sprake is. Dat geldt b.v. van Gen. 1 : 28. Van jongs af aan is ons zo vaak voorgehouden dat we in deze tekst te maken hebben met de zogenaamde cultuuropdracht, dat we. die er nu ook automatisch in lezen. Ook ikzelf was daardoor zo geconditioneerd, dat ik dat als een vanzelfsprekendheid aannam en niet in staat was te zien wat er werkelijk staat. We hebben in deze tekst nl. niet met een opdracht, met een bevel, te maken, maar met een zegenend scheppingswoord van God. En er is nogal wat verschil tussen een zegen en een bevel.
Begrijpelijke vergissing
Nu is het wel begrijpelijk dat deze vergissing gemaakt is, want deze zegen wordt geformuleerd in de gebiedende wijs. God zei tot de man en zijn vrouw: weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen, enz. Bij eerste oogopslag heeft dat alles weg van een gebod, een opdracht, die God aan de mens voorhoudt en die hij op zich moet nemen en behoort na te leven. Toch is die eerste indruk bedriegelijk. Bij nauwkeurig lezen wordt duidelijk dat God de mens met deze woorden zegende, precies zoals Hij in vers 22 de zeedieren en oe vogels op dezelfde manier zegende. Ook daar vinden we een gebiedende wijs: weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult. De Hebreeuwse tekst heeft in beide gevallen exact dezelfde. formulering van deze zegewoorden. In het geval van deze dieren is het - zonder meer duidelijk, dat deze ge.
biedende werkwoordsvormen niet bedoeld zijn als een bevel aan het adres van deze dieren, maar dat ze willen aanduiden dat God hen niet als steriele wezens schiep, maar als schepselen die zich kunnen voortplanten en vermenigvuldigen. Dankzij dit scheppingswoord van God is het vermogen tot voortplanting en vermenigvuldiging een wezenlijk kenmerk van deze dieren geworden. Genesis typeert dat als een zegen van God. Tengevolge van die zegen zit het zich vermenigvuldigen er nu bij de dieren ingebakken.
Aanleg
Precies zoals Gen. 1 : 22 aangeeft dat het vermogen en de drang tot voortplanting van dieren te. danken is aan Gods zegen, geeft vers 28 te kennen dat dit ook bij de mens het geval is. Gods zegenende scheppingswoord maakt ook de mens tot een schepsel, dat zich onstuitbaar zal vermenigvuldigen en dat niet kan nalaten de schepping om zich heen te doorvorsen, naar zijn hand te zetten en aan zich de onderwerpen. In Gen. 1 : 22 en 28 hebben we niet te maken met een gebod (zoals b.v. wel in Gen. 2 : 16), maar
Met een zegen. In Gen. 1 : 28 krijgt de mens niet. een cultuuropdracht voorgehouden, maar wordt verteld dat de mens dankzij Gods zegenende spreken, dé onverwoestbare drang ontvangen heeft de schepping in cultuur te brengen. Hij zal niet anders kunnen. Het zit er bij hem ingebakken. En dat is een zegen. Deze zegewoorden van. God zijn voorgoed bepalend voor de aanleg van de mens. En de gebiedende wijs benadrukt het scheppingskarakter van deze woorden, waardoor wat God zegenend zegt, ook daadwerkelijk realiteit wordt. Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er (Ps. 33 : 9). God sprak tot de mens: weest vruchtbaar en wordt talrijk.
En het was alzo. Samengevat kunnen we zeggen: door Gods scheppende en daardoor gebiedende zegewoord krijgt de mens niet de opdracht maar de aanleg tot vruchtbaar zijn en tot heersen over de schepping.
Functie bestemming
De echo daarvan vinden we in Gen. 2: 15. In combinatie met Gen. 1: 28 wordt deze tekst steevast gezien ais cultuuropdracht. Het moet evenwel onze aandacht hebben, dat hier opnieuw geen sprake is van een gebod. Ditmaal ontbreekt zelfs de gebiedende wijs.
Gen. 2: 15 staat middenin het scheppingsverhaal dat bij vers 4 begint en in vers 25 wordt afgerond en dat een heel andere volgorde en een veel langere tijdsduur suggereert dan hoofdstuk 1. Evenals in Gen. 1 : 26 geeft Gen. 2: is te kennen, welke bedoeling er bij God bij het scheppen van een mens voorzat en welke functie Hij de mens in de schepping had toegedacht. Er is dus aan Gods kant wel sprake van een aanleg- en functiebestemming voor de mens, maat die wordt de mens niet voorgehouden als een gebod, maar hem in zijn schepsel-zijn meegegeven door Gods scheppende zegewoord. Uiteraard heeft de manier waarop de mens deze aanleg hanteert, wel alles te maken met Gods gebod en impliciet met zijn eigen verantwoordelijkheid.
De mens kan zijn aanleg nl. goed, in de lijn van Gods bedoeling, gebruiken, maar ook verkeerd.
Voorbeeld
Laat ik proberen dit met een voorbeeld te verduidelijken. De mens heeft de aanleg te kunnen lopen.
Hoewel dat niet de enige manier is waarop hij zich kan voortbewegen, leert hij toch zich bij voorkeur op die manier te verplaatsen. Dat is een hem door God gegeven aanleg, waaraan hij min of meer automatisch gaat beantwoorden. Nu zijn er kinderen, die tengevolge van een of andere oorzaak niet 10 staat zijn te leren lopen. Zij beantwoorden zo niet aan Gods bedoeling.
Toch kan er in dat geval niet gesproken worden van een persoonlijk verzuim of van schuld, omdat Gods bedoeling niet in de vorm van een direct gebod maar als een aanleg tot de mens komt. De kinderen die wel leren lopen, beantwoorden daarmee aan Gods bedoeling. Maar ze doen dat niet in deze zin, dat ze aan een bevel van God gehoorzamen, maar simpelweg doordat ze hun aanleg volgen. Wanneer ze eenmaal geleerd hebben te lopen, komt Gods gebod en hun eigen verantwoordelijkheid echter wel om de hoek kijken. Ze kunnen hun voeten rrl. gebruiken om bloed te vergieten (Rom. 3: 15), maar ook om er het pad van Gods geboden mee te betreden (Ps, 119 : 35).
In het laatste geval gehoorzamen ze Gods gebod, in het eerste geval niet. Dit voorbeeld kan verduidelijken wat we in Gen. 1 en 2 vinden. Als mensen zich vermenigvuldigen en de schepping beheersen, bebouwen en bewaren, gehoorzamen ze niet aan een gebod van God, maar volgen ze simpelweg hun door God gegeven aanleg. Maar de manier waarop ze hun aanleg volgen, heeft wel met Gods gebod te maken. Daarom volgt op Gen. 2: 15, waar Gods scheppingsbedoeling wordt aangegeven, in vers 16 een duidelijk gebod, dat aan de menselijke drang tot exploreren van de schepping richting geeft en grenzen stelt.
Verwringing
Dat we in Gen. 1 : 28 met een zegen en niet met een gebod te maken hebben, is van belang voor onze levenspraktijk. Eeuwenlang is deze tekst,'aan gehuwden .voorgehouden als een gebod van God. Men heeft kinderen krijgen als het meest wezenlijke van het huwelijk gezien op basis van deze tekst. Talloze echtparen werden' telkens maar weer opgejaagd om aan dit vermeende gebod te voldoen. Wanneer Gen. 1 : 28 een gebod was, zou dat terecht zijn. Het is een goede zaak de mensen aan te sporen Gods gebod na te leven. Maar er is hier geen sprake van een gebod. Door Gen. 1 : 28 wel als een gebod te lezen is hier erg veel scheefgetrokken. ' Het karakter van het huwelijk werd verwrongen. Voortplanting werd als het wezen van het huwelijk gezien. De eerste vergissing was dat men hier een gebod las. De tweede vergissing bestaat hierin, dat men denkt dat in Gen. 1 : 28 over het huwelijk gesproken wordt. Maar dat is niet het geval. Het gaat in deze tekst over de aanleg die de mens meekrijgt krachtens Gods zegenende scheppingswoord. Het huwelijk komt pas ter sprake in Gen. 2: 18 vv. En daar komen kinderen niet eens binnen het blikveld. Blijkens dit bijbelgedeelte bestaat het wezen van het huwelijk in de wederzijdse completering en eenwording van man en vrouwen niet in' de voortplanting. Nauwkeurig luisteren naar wat de tekst zelf wil zeggen, maakt dus duidelijk dat ze op grote schaal foutief is en nog wordt toegepast. Als Gen. 1 : 28 werkelijk een gebod was, zou elk mens gehouden zijn dit gebod na te leven. Dan zou iedereen die van een huwelijk afziet, een overtreder van dit gebod zijn. Gelukkig is dat niet het geval.
Zegen en verantwoordelijkheid
In overeenstemming met wat we gevonden hebben, wordt in heel het Oude Testament het krijgen van kinderen dan ook niet als een gebod maar als een zegen gezien. In Gen. 9: 1, 2, herhaalt God -na de zondvloed zijn scheppingszegen, In Lev., 26 : 9 en Deut. 28 : 11 wordt het vruchtbaar zijn getypeerd als een van de zegeningen die Israël van de HERE ontvangen zal, als het luistert naar zijn stem (Deut. 28 : 2).
Men ervoer in Israël het krijgen van kinderen dan ook niet 'als een daad van gehoorzaamheid, maar als een zegen van Jahweh. Dat blijkt duidelijk uit de zegenwens die de Bethiehemieten tot Boaz richten (Ruth 4 : 11, 12). Ook in de Psalmen komt dit besef naar voren. Talrijk worden is te danken aan Gods zegen, zegt Ps. 10: 38. Een man die een vruchtbare vrouw heeft en die niet alleen zonen rondom zijn tafel ziet maar ook zijn kindskinderen nog mag zien, is een door de HERE gezegende, zegt Ps. 128 : 3-6 (vgl. 00k Ps. 127 : 3-5). Tenslotte wijs ik nog op Ezech. 36, waar gesproken wordt over Israëls herstel na de ballingschap. Israël zal zich weer vermenigvuldigen en vruchtbaar zijn (vs. 11), niet omdat het volk zich aan een desbetreffend gebod houdt, maar omdat de HERE zich weer naar het volk toe wendt (vs. 9) en het talrijk maakt (vss. 11, 12,37).
Dit zijn slechts enkele voorbeelden. Ze kunnen met vele worden vermeerderd. En ze sluiten helemaal aan bij wat we worden: vruchtbaar zijn is geen opdracht maar een zegen.
Niet het zich vermenigvuldigen zelf is een gebod. Maar de manier waarop de mens zich vermenigvuldigt, heeft wel alles te maken met Gods gebod. Dat geldt ook van het heersen over de schepping. De mens heeft van God de onweerstaanbare drang meegekregen om uit de schepping te halen wat er in zit. De geschiedenis van de mensheid laat zien, dat de mens daar ook rusteloos mee bezig is. Niet omdat hij zo graag Gods gebod wil vervullen, maar omdat het hem in zijn bloed zit. Maar in de manier waarop de mens aan deze drang gevolg geeft, is hij wel gebonden aan Gods gebod. Daarbij komt zijn persoonlijke verantwoordelijkheid aan bod. Vandaaruit kan hij aangesproken worden op de manier, waarop hij de schepping exploiteert.