Evangelieverbreiding (2, slot)

1982-10-08
  • Jaargang 26
  • nummer 37
Medewerkers of voorwerkers van God?
Sommigen zijn dus geroepen. Niet allen en niet iedereen met een algemene boventijdelijke roeping.
Die sommigen noemt de Schrift medewerkers Gods. Het is nog al een geliefde term. Maar in de Bijbel kom je voor zover ik weet deze term maar één keer tegen en wei in 1 Kor. 3 : 9. Dat is een merkwaardige tekst die even enige extra aandacht waard is. De naam medewerkers of medearbeiders van God beperkt deze tekst tot enkelen, tot diegenen alleen, die net als Paulus en zijn helpers arbeiden in het evangelie. Letterlijk staat er: 'Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.' Ook hier weer de enkelen van de evangelieverkondigers tegenover de gemeente.
Evangelieverbreiding is een bijzonder werk voor bijzonder daarvoor toegerusten. Ook hier niet een tijdloze algemene uitspraak over het medewerker Gods zijn van de hele gemeente maar concreet beperkt tot de aanwijsbaar geroepenen, tot Paulus en z'n helpers.

Er is geen algemene roeping tot het opzettelijk verbreiding van het evangelie onder diegenen die 'buiten zijn'. De Schrift weet daar niet van. En degenen, die bijzonder en concreet in de tijd geroepen worden hebben toe te· zien dat zij zichzelf van medearbeiders Gods niet promoveren tot vóórwerkers van God. Het staat niet aan een mens om Hem voor te schrijven deuren te openen of om Hem middelen en wegen' op te dringen. die wij uitkiezen en passend vinden.
Het initiatie en de Ieiding is aan Hem. Hij moet her je duidelijk aanwijsbaar en vertelbaar op de handen zetten of voor de voeten leggen zonder dat je het zelf eigenmachtig opneemt en naar je toe haalt. Van onze Heer schrijft Johannes, 5 : 19, dat Hij niets deed tenzij Hij het (eerst) de Vader zag doen. -Zo zullen de geroepenen hun weg hebben te gaan en ook bij dit werk niet eigenmachtig het heft in handen nemen.
Toen Israël door de woestijn trok had het t.a.v. de marsroute en t.a.v. het moment van afbreken en halt houden geen stem in het kapittel. Medezeggenschap was er voor dat volk niet bij. Zodra de wolk zich verhief moesten zij opbreken; de route die de wolk koos hadden de Israëlieten maar af te wachten en te volgen. Bleef die wolk stilstaan en zolang die stilstond hadden ze pas op de plaats te maken of het hen uitkwam en plezierde of niet. Dat is natuurlijk heel anders wanneer je achter een stierkalfbeeld op stap gaat omdat je dit uitkoos tot je god en dat vereert en dient. Over zo'n beeld heeft de mens zelf de beschikking. Wil je opbreken en vertrekken dan neem je dat beeld gewoon op om het voor je uit te dragen. Je beslist dan zèlf over de marsroute en tegelijk bepaal je dan zelf waar je zult stoppen. Dan ben je zelf de baas. In de eigenwillige en zelfverzonnen godsdienst is het 'initiatief en het laatste woord aan de mens zelf. Het stierkalfbeeld zet je neer waar en wanneer je dat zelf wiL In het christelijke leven is voor deze godsdienstige eigenwilligheid op te passen. Daar is het wachten op de HERE geblazen. Terecht schreef dr H. R. Rookmaaker in het reeds genoemde artikel dat hij het woord evangelisatie liever niet gebruikt om dan te vervolgen - en nu citeer ik weer -: "Het klinkt zo organisatorisch, zo "trouw aan de algemeen geldige beginselen zelf voor God iets re doen", in plaats van dat wij wachten tot de HERE ons roept om iets in Zijn koninkrijk te mogen verrichten. Passief, deze houding? Zeker, want wij laten liever 'onze Vader in de hemel, Hij, die beter tijden en gelegenheden en mogelijkheden weet dan wij, de weg, de tijd en de omstandigheden bepalen. Zeker, passief, maar meen niet dat het een lichte en gemakkelijke taak zal zijn: Gods knechten hebben het altijd druk, daar Hij hen precies zoveel werk te doen geeft als zij aankunnen.

Opdat zij uw goede werken zien
Intussen dienen zich natuurlijk veel vragen of tegenwerpingen aan. Moet je dan als christen je licht niet laten schijnen voor de mensen? Heb je dan niet een leesbare brief van Christus te zijn? Roept de apostel Petrus niet op om bereid de zijn rekenschap af te leggen van de hoop, die in je is? Dat zal waar zijn maar dat is allemaal nog wat anders dan de opzettelijke verbreiding van het evangelie waarbij je de mensen met reclamemethoden via aanplakborden enz.
probeert te trekken, de huizen ongenodigd binnendringt, iedereen en alleman met 'kunst en vliegwerk probeert te bereiken en waarbij je op die manier het evangelie opdringt aan wie er niet om hebben gevraagd of enige belangstelling .daarvoor aan de dag. hebben gelegd. Bovendien, wanneer onze Heiland in de bergrede Zijn discipelen opwekt hun liçht voor de mensen te laten schijnen voegt Hij er aan toe: 'opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is; verheerlijken' . Het heeft te maken met je levenswandel méér dan met evangelieverkondiging. Je licht laten schijnen, een leesbare brief van Christus zijn of hoe de Schrift het ook zegt - dat doe je wanneer je bent wat je hoort te zijn: een discipel van de Heer, een waar christen in de dagelijkse levenspraktijk, een hemelburger in de zin van FH. 3 : 20. Schrijft de apostel Petrus dat je altijd bereid moet zijn tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van .de hoop drie er is, dan maakt nauwkeurige lezing van de tekst zelf aI duidelijk dat zij niet kan dienen tot ondersteuning van wat wij evangelisatie noemen. De tekst duidt op een gezindheid, eist de bereidheid van het hart tegenover degenen, die je iets vragen, die je ter verantwoording roepen en op je afkomen met de vraag: wat bezielt jullie christenen, wat voeren jullie in je schild? En in zo'n geval heb je natuurlijk een ongezochte en onopzettelijke gelegenheid om te getuigen, een gelegenheid die je dan ook dient te benutten.
Want getuigen, "dat mogen wij ais discipelen van onze Heer. En dat in alle ernst en in alle eenvoud overal waar Hij daartoe gelegenheid geeft, een open deur schenkt. Dat hebben de Joden gedaan, die na de dood van Stefanus huis en haard moesten prijsgeven: Hun vlucht was bepaald geen geplande I evangelisatiecampagne. Zij trokken al vluchtend het Joodse land door.
De een vond hier een onderkomen, de ander daar, sommigen zelfs tot ver buiten het eigen land. Op deze zwerftochten spraken zij goed van hun Heer en van: zijn kruis, van zijn dood en opstanding alsmede: van het kruis, dat zij zelf om Christus wij te dragen kregen. Zo ontvingen zij veel gelegenheid om tegenover onwetende en nog niet in Christus gelovendemedekerkleden,die zij op hun 'zwerftochten' tegenkwamen, te getuigen van hun Heer en aldus rekenschap af te leggen van de hoop, die in hen was.

Goed onderscheiden
De gelegenheden benutten - daar moge de gemeente sterk in zijn. Zij doen zich voor in je huis, bij de weg en op je werk en zulke gelegenheden zijn er meer dan men meestal denkt.
Hoewel ook niet altijd en overat Soms word je de keel dichtgeknepen en kun je geen goed woord kwijt. Wat dan? In zulke situaties is het goed te bedenken dat de Here Zich een gemeente vergadert. Daarom zal de gemeente er goed aan doen te letten op wat God zeîf in Zijn soevereine genade doet. Opent Hij of sluit Hij? Betoont men zich de boodschap van het evangelie waardig of onwaardig, Matth. 10? Opzettelijke evangelisatie mist in het algemeen de wijsheid van dit onderscheidend bezig zijn.
Het onderscheidend getuigen let ootmoedig op wat onze hemelse Vader eerst doet en waar Hij voorgaat. Het is niet kunstmatig, opzettelijk, onnatuurlijk, opdringerig, reclameachtig, rumoerig, gewild. 1) Het klampt niet iedereen aan, maakt van de evangelieverbreiding geen razziawerk: Terecht waarschuwde dr W. Aalders op zaterdag; 20 maart j.l., in de Marcuskerk ie Utrecht op de jaarlijkse conferentie· van de 'Kring van Vrienden van dr H.F. Kohlbrugge' voor geestelijk activisme. Daar ligt volgens zijn besef teveel Dacostiaanse, te veel Kuypertaanse gloed in. Letterlijk schreef hij van een oude gezangregel: 'Zo, zo zien wij Godsrijk komen” het volgende: “Zij doet ons te dopers, te methodisch aan. Wij proeven er een messiaanse, chiliastische zuurdesem in van Engels-
Amerikaanse oorsprong. Datzelfde ervaren wij nu ook bij de huidige Evangelicals en daarom valt het ons moeilijk ons bij hun gelederen aan te sluiten. In plaats van uit volle borst hun strijdliederen mee te zingen hebben wij de neiging om gedempter en ingehoudener over de komst van het Godsrijk te spreken. De ervaringen van de laatste twee eeuwen Nederlandse Kerkgeschiedenis, van vijf eeuwen hervorming, van twintig eeuwen christendom, hebben ons erg wantrouwig gemaakt ten aanzien van kruistochtenmentaliteit en zo dus ook van evangelisatiecampagnes en kerkersteningsmethoden. 2)

Over verkiezing en verwerping
Maar is de nood dan niet schreiend groot en kun je daar onbewogen onder blijven? Hij is heel groot en ieder van ons ervaart pijnlijk in eigen omgeving en in eigen gezin de waarheid van het Godswoord: Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren. Dat zie je voor je ogen als je 's zondags naar de kerk gaat. Daar kun je het moeilijk mee hebben. Wat was Samuël bewogen om het lot van Saul. Je leest dan: Samuël droeg leed om Saul, 1 Sam. 15: 35 en 16: 1. Paulus kon de verwerping van het Joodse volk nauwelijks verwerken. Hij schrijft dan de bekende ontroerende woorden: 'Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees', Rom. 9: 3. Hij had een grote smart en een voortdurend hartzeer vanwege zoveel afkerigheid. Niet allen bleken Israël te zijn, die van Israël afstamden. Pijnlijk en verdrietig maakte hij dat mee in de synagoge van Antiochië, Hand. 13, waar hij met Barnabas tot de conclusie moest komen, vs. 46, dat de Joden niets van het evangelie moesten hebben. Hij laat ze dan los met de woorden: 'Zie, nu wenden wij ons tot de heidenen'. Daarmee rustte hij in Gods verkiezing en verwerping. Gods verkiezing en verwerping, zoals die daar aan het licht kwamen in de tijd, tóen, in de straten van Antioehië. Het geloof is niet aller Samuël en Paulus hadden het daar moeilijk mee en dit is ook moeilijk te verwerken. Dat God zovelen passeert met z'n heil, dat Hij gedurende heel de oude bedeling alle volken behalve het Joodse liet gaan op hun zelf gekozen dwaalwegen en dat je daarbij van Zijn eigen volk in de woestijn moet .lezen: in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad, 1 Kor. 10: 5, - dát was een afschuwelijke werkelijkheid Een werkelijkheid waar intussen mee te rekenen is en waarin het soevereine recht van de Almachtige te erkennen en te eerbiedigen is zodat je de hand op de mond legt. Van de profeet uit 2 Kron. 25 : 16 lees je de woorden: 'Toen hield de profeet op en zeide: 'Ik bemerkt, dat God besloten heeft u in het verderf te storten; omdat gij dit doet en niet naar mijn raad luistert'. Deze man Gods rustte in Gods verwerping inde tijd en legde de hand op de mond. Het geloof is niet aller. De HERE verkiest en verwerpt, Hij opent en sluit en wij kunnen geen mens het geloof of belangstelling voor het evangelie in het hart geven.
Anderzijds, waar Hij mogelijkheden geeft, waar Hij een deur opent, waar je de Vader al bezig ziet, waar Hij verkiezend het voortouw neemt, daar mag je aan het werk en het evangelie verder dragen. En dan ook in Geest en in kracht.
In de gemeente zij er een voortdurend gebed om vele van zulke gelegenheden.

Noten
1) B. Telder, 'Kerkblad' van Breda d.d. 15-12-1982. Men zie ook diens 'Reformatorisch Leven', pag. 120 e.v.
2) 'Kerkblaadje' d.d, 30-4-1982.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief