Een mens van God

1982-10-15
  • Jaargang 26
  • nummer 38
...wat gij van mij gehoord en gezien hebt, brengt dat in toepassing... - Filipp. 4 : 9

Gaan wij weder onszelf aanprijzen? - 2 Kor. 3 : 1

Paulus was ook een mens, net als wij. Dat zal dus ook wel betekenen: een mens met gebreken, zoals we die allemaal immers hebben, de één zus, de ander zo. Een mens met gebreken, met fouten, met lelijke streken, een mens met zonden.
Of niet soms?

De vraag is: duiken die gebreken van Paulus ook in zijn brieven op?
Natuurlijk, in zijn brieven komt hij er zelf keer op keer voor uit dat hij gebreken heeft. Maar laten die fouten zèlf, laten zijn onhebbelijkheden en nare eigenschappen zèlf geen sporen na in die bijbelboeken die van hem afkomstig zijn? Ontmoet je in wat hij schrijft alleen maar - laten we zeggen - de apostel Paulus, of ook de mens Paulus, en dat wil dus zeggen: de zondaar Paulus, die dan wel machtig het evangelie kan verkondigen, maar ondertussen ...

Ondertussen komt zo af en toe de aap toch uit de mouw, want dan wordt het evangelie dat hij verkondigt ontsierd door een menselijk, al te menselijk geluid, - het geluid van eer; gewoon mens, iemand met lelijke trekken en donkere diepten.

Bijvoorbeeld Paulus. Wat betekent dat nu? Wil het zeggen dat hij, ook hij, helemaal niet zo voorbeeldig is, net zo min als wij? Of betekent het dat je Paulus, althans de Paulus van de nieuwtestamentische brieven, nauwelijks een gewoon mens kunt noemen, omdat hij ver boven de anderen uitsteekt: een voorbeeld voor allen? Van dat laatste lijkt hijzelf diep overtuigd te zijn.

Ik heb eens iemand horen zeggen dat hij met de brieven van Paulus niet zoveel op had.
Want uit die brieven bleek overduidelijk dat Paulus nogal een hoge dunk had van zichzelf; dat hij zichzelf nogal voorbeeldig vond en dat ook niet onder stoelen of banken stak. Kortom, je kon heel goed merken dat de apostel het aardig met zichzelf had getroffen en dat hij vanuit die positie alle mensen wel eens zou vertellen; hoe het moest. En lijkt het daar niet op?

Neem nou maar eens die woorden uit de brief aan de Filippenzen: wat je van mij gehoord en gezien hebt, breng dat in toepassing. Dat is nog al wat: niet alleen gehoord, maar ook gezien. Paulus heeft het ze dus voorgelééfd. En zo zegt hij het ook meer dan eens in zijn brieven: weest mijn navolgers.
Als hij dan ook in de tweede brief aan Korinthe de vraag stelt: ga ik nu weer mezelf aanprijzen? - dan lijkt het antwoord op die vraag niet zo moeilijk.

Zeker niet, als je dan even doorleest: een aanbevelingsbrief van jullie heb ik niet nodig. Want jullie zijn zelf mijn aanbevelingsbrief,een brief, opgesteld door mijn dienst. Met andere woorden: als de mensen naar jullie kijken, dan kunnen ze zien .hoe goed ik mijn werk gedaan heb.

En dat schrijft hij dan tegen verwijten in die juist in die gemeente tegen hem waren opgekomen, - verwijten die juist hierop neerkwamen, dat Paulus niet vies was van eigen roem, dat hij optrad met een arrogantie die hem, de apostel, bepaald niet paste.

Hebben die mensen in Korinthe niet een beetje gelijk?
Och ja, waarom niet? Misschien was Paulus wel een nogal zelfbewuste persoonlijkheid, met alle nadelen en gevaren van dien. Je krijgt uit zijn brieven in elk geval niet de indruk dat hij gemakkelijk van zijn stuk was te brengen.

En waarom zou die zelfbewustheid hem geen parten hebben gespeeld? Dat is toch niet zo onwaarschijnlijk - integendeel, dat hij nog al gemakkelijk hoog van de toren Mies, te hoog, En dat deze eigendunk zijn omgang met andere mensen heeft belemmerd en zijn verkondiging van het evangelie heeft gehinderd.

Misschien stuiten we hier werkelijk op één van die dingen die Paulus zelf in de gaten heeft gehad en die hem dwars gezeten hebben en die hem deden zeggen: als ik het goede wil doen ligt het kwade mij bij. Des te meer opvallend is het dim, dat Paulus in zijn brieven aan de gemeenten zo gedurfd blijft spreken: weest mijn navolgers, doe als ik, leef als ik.

Je zou zo zeggen: als je dat zelf dan door hebt, pas je wel een beet je op.
Tenzij je in de kuil valt van alle zelfverzekerde mensen: zodra hun zelfverzekerdheid ondergraven.
wordt, bijten ze zich er des te krampachtiger in vast. En ze weten ondertussen van de prins geen kwaad: ik mezelf aanprijzen? Nee toch!

Of zou het waar zijn, dat een mens van God daar geen last van heeft?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief