De les van de verkiezing

1982-10-15
  • Jaargang 26
  • nummer 38
In 1956 werd de A.R.P. erg geschokt door een slecht resultaat bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Men heeft zich toen intern ernstig bezonnen op de positie en de situatie van de A.R.P. Zo is er in "A,R. Staatkunde" een grote serie bijdragen verschenen over de vraag waarom de A.R.P. verloren had en wat de A.R.P. nu te doen stond. De adviezen tot verbetering van de situatie waren vele. Langzamerhand ebde de ongerustheid echter weer weg en er veranderde vrijwel niets.

Nu heeft de verkiezingsuitslag van 8 september 1982 ons weer eens met de neus op de feiten gedrukt. Steeds groter wordt het aantal mensen, die menen dat de geloofsvisie niet van beslissende betekenis voor het politieke leven behoort te zijn. Deze uitslag laat ons zien, dat de ontkerkelijking en de. verzakelijking van het leven nog steeds doorgaat.

Sommigen stemmen niet meer op een christelijke partij, omdat ze kerk en godsdienst hebben losgelaten. Anderen doen dit, omdat re het verband tussen geloof en politiek niet meer zien.
Het is een normale zaak, dat er tussen verwante partijen enig grensverkeer is. Wanneer 10.000 vroegere R.P.F -stemmen naar het C.D .A. gaan, terwijl daartegenover 14.000 stemmen, die in 1981 op het C.D.A. werden uitgebracht, nu aan het R.P.F. toevielen, is dat een begrijpelijk grensverkeer. Zelfs de felste partijgangers kunnen moeilijk ontkennen, dat er tussen deze partijen een zekere verwantschap is. En dat geldt voor alle christelijke partijen, ook al verschillen ze soms nog al veel in de uitwerking. Zo bestaat er praktisch een groot verschil in het politieke program van het S.G.P. en de E.V.P.

Bij de laatste verkiezingen was echter opvallend, dat er ook een drukgrensverkeer was tussen C.D.A. aan de ene kant en V.V;D. en P.v.d.A. aan de andere kant. En dat zijn toch geen verwante partijen. Volgens de vroeger gangbare indeling, en dat is nog een zeer reële, is het C.D.A. een rechtse en zijn V.V.D. en P.v.d.A. linkse partijen. P.v.d.A. en V.V.D. zijn geestelijk verwant en in die zin. een keus tussen P.v.d.A. en V.V.D. dan ook lood om oud ijzer. Veel kiezers blijken dat niet meer zo te zien.
Volgens drs Kees Bremmer in CD/ACTUEEL gingen van het C.D.A. 195.900 stemmen naar de V.V.D. en 114.000 stemmen van de V.V.D. naar het C.D.A. Een druk grensverkeer dus.
Al mag dan het C.D.A., volgens de berekening van Bremmer, relatief veel constante kiezers hebben, het grensverkeer met V.V.D. en P.v.d.A., waarbij in beide gevallen het C.D.A. een verliessaldo heeft, is een bedenkelijke zaak.

Tegenover het verlies van het C.D.A. bij de laatste verkiezingen stond helaas slechts een kleine winst van de kleine christelijke partijen. Het C.D.A. behaalde in 1981 30,8%, S.G.P., R.P.F., G.P.V. en E.V.P. (ik zet ze gemakshalve maar naast elkaar) kregen in 1981 4,5%. Totaal christelijke partijen dus 35,36%. In 1982 kreeg het C.D.A. 29,34% en de kleinere christelijke partijen 4,98%. Totaal dus 34,23%.

Nu kan men proberen te bewijzen, dat het bij het C.D.A. nog al tegenzat. En het is ook geprobeerd.
De interne verdeeldheid, o.m. wat betreft de kernbewapening.
Het feit, dat het kabinet geleid door C.D.A.-ers harde bezuinigingsmaatregelen moest treffen in verband met de slechte financiële en economische situatie.
En zo valt er meer te noemen. Om het beeld zuiver te houden, is het dan nodig ook op de positieve factoren te wijzen. Zoals het feit, dat de lijstaanvoerder Van Agt zich in een vrij grote populariteit mag verheugen Maar met al deze verklaringen lopen we echter gevaar uit het oog te verliezen, dat de christelijke partijen allang op hun retour zijn.

Het is duidelijk, dat de christelijke politiek steeds minder klankbodem bij ons volk vindt.
De deconfessionalisering zet ook in het politieke leven door. Terwijl het C.D.A. terugloopt, blijkt er ook bij de kleine christelijke partijen weinig groei te zijn. S.G.P. en G.P.V. laten de laatste tijd een kleine teruggang zien. Het R.P.F. gaat nog steeds vooruit en zal in de toekomst' nog wel enige winst boeken. Het ziet er echter niet naar uit, dat een van deze kleine partijen zich op korte termijn tot een belangrijke politieke factor zal ontwikkelen. Daar komt nog bij, dat de grote verdeeldheid tussen de christelijke partijen aan de geloofwaardigheid van de christelijke politiek ook geen goed doet. .

Om te laten zien, hoe groot de teruggang sinds 1946 geweest is, wil ik nog enkele cijfers noemen.
Daarbij moeten we erop letten, dat de achteruitgang eerst beperkt was, omdat de K.V.P. zich goed handhaafde. In 1946 30,8% en in 1963 nog 31,9%. Pas daarna begon de grote afkalving van de K.V.P. Bij de A.R.P. begon de teruggang al veel eerder. In 1946 12,9%. In 19569,9%. Daarna ging de terugloop langzamer. De C.H.U. daarentegen bleef het langst stabiel. In totaal schommelde de aanhang van de christelijke partijen van 1946 tot 1958 tussen 53,7 en 55,1 %. Daarna ging het snel bergafwaarts. Ook de totstandkoming van het C.D.A. bracht daarin geen verandering.
In 1977 behaalde het C.D.A. 31,39%.
In 1981 30,81 % en nu in 1982 was het 29,24%.
Konden de christelijke partijen in 1958 tezamen 55,1% behalen, nu is het slechts 34,23%. In 24 jaar dus meer dan een derde van de aanhang verloren. Dat is de doorgaande lijn. Wanneer de situatie niet grondig verandert, zal het niet lang meer duren of het C.D .A. zal de kleinste van de drie grote partijen zijn, zonder dat een van de andere christelijke partijen daarvan noemenswaard heeft geprofiteerd.

Deze achteruitgang is .naar mijn opvatting voor een belangrijk deel toe te schrijven aan het feit, dat de ontkerkelijking en de ontchristelijking, wil men de secularisatie, in ons land steeds doorgaat. Nu de kerken op hun retour zijn kan het niet anders of dit heeft een nadelige invloed op de christelijke politiek. Met name de ontwikkelingen in de rooms-katholieke kerk en de (syn.) gereformeerde kerken vinden hun weerslag in het politieke leven. Het is ook zo, dat het christelijk leven steeds meer uiteenvalt. Het zondagschristendom wint steeds meer veld onder de christenen. De verzakelijking van het leven neemt toe, In een dergelijk klimaat zijn de perspectieven voor de christelijke politiek slecht.

Wat het C.D.A. aangaat, zou het goed zijn dat men zichzelf eens kritisch onder de coupe nam.
Zo is het C.D.A. er nog steeds met in geslaagd zich duidelijk als christelijke partij te profileren.
Voormalige K.V.P.-ers geven nog al eens de indruk, dat ze er op uit zijn de macht te veroveren, om zo het C.D.A. om te vormen tot een nieuwe K.V.P. Of hebben sommigen de C.D.U. van Kohl als wenkend perspectief voor ogen?

Ben aantal voormalige A.R.P .-ers, die 2iÎch vooruitstrevend wanen (maar vaak in de zeventiger Jaren zijn blijven stilstaan) geven de indruk, dat zij in feite de A.R. bloedgroep zijn. De gewone doorsnee A.R.-man en -vrouw lijkt wel verdwenen te zijn. De C.H.-kleur heeft zich wat beter weten te handhaven. Zij, die het C.D.A. een duidelijker, belijnder christelijke partij willen doen worden, komen te weinig aan bod. De slappe houding t.a.v. de abortuswetgeving heeft het C.D.A. bepaald geen goed gedaan. Ook met betrekking tot de antidiscriminatiewetgeving hebben verschillende vooraanstaande C.D.A.-ers ernstige steken laten vallen. En zo valt er meer te noemen. Terecht schrijft C.D.A.-voorzitter Piet Bukman dat het C.D.A. echt aan bezinning toe is. Als het dan maar niet alleen gaat over de vraag: toe krijgen we weer meer C.D.A.-kiezers.
Bezinning op de principiële uitgangspunten en de vertaling daarvan in de praktische politiek is een primaire levensbehoefte van het C.D.A. Daarbij .zou het goed zijn eens na te gaan hoe het komt, dat geestverwanten zich aansloten bij R.P.F. en E.V.P. Kleine partijen spelen vaak de rol van geweren van de grote.
Een gewetensvol zelfonderzoek van het C.D.A. is broodnodig.

Moge de verkiezingsuitslag voor alle christenen in Nederland een les zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief