Een wervende of een stervende kerk?
1982-10-22
Toenemende ontkerkelijking- Jaargang 26
- nummer 39
De ontkerkelijking neemt onder ons steeds meer toe. In opdracht van de KRO en het weekblad "De Tijd" werd in 1978 een onderzoek ingesteld naar de kerkelijke en geestelijke opstelling van de Nederlandse bevolking. Het volgende materiaal werd ons vervolgens als resultaat in handen gespeeld.
Beschouwt u zichzelf als een alles in aanmerking genomen?
Ja, beslist wel 43%
eigenlijk wel/enigszins 24%
eigenlijk niet 12%
nee, beslist niet 20%
weet niet 1%
Bent u de afgelopen zondag naar de kerk of naar een andere godsdienstige samenkomst geweest?
Wel geweest 27%
niet geweest 73%
Het bleek voorts, dat 34% van de Nederlandse bevolking regelmatig naar de kerk gaat. Helemaal nooit gaat 37% (ruim 5 miljoen mensen). Als je een bepaald gegeven vergelijkt met de stand van zaken in 1966 is het verschil opvallend.
In 1966 was nog 51 % van onze Nederlandse bevolking regelmatig kerkganger.
De vraag naar de oorzaken
Men vraagt van verschillende zijden naar de werkelijke oorzaken van deze voortschrijdende ontkerkelijking. Er zijn er, die het vooral zoeken in de welvaart. Al is die welvaart op haar retour in deze tijd van teruggang van onze economie en toename van de werkloosheid, we moeten onze tol daarvoor nog steeds betalen. Ik zeg zeker niet, dat dit er niets mee te maken heeft. Waar mensen zich spitsen. op het materiële en steeds meer gaan genieten van wat het leven horizontaal gezien aan verruiming biedt, loopt men altijd de kans, dat navenant het geloof gaat verschralen. Men is zó vol van de dingen van de wereld geworden, dat het geloof er bijna niet meer bij kan!
Er is weer een andere categorie, die de schuld zoekt. bij de kerk als instituut. Zo'n instituut doet het niet meer in deze moderne tijd. De mensen voelen zich .in een eeuw, waarin de vrijheid hoog in het vaandel geschreven staat, gauw binnen kerkelijke muren bekneld. En waarom blijft het in de kerk vaak bij het oude? Verschillende mensen, zo luidt de kritiek, doen alsof het evangelie alleen maar te brengen en te beleven valt in het kader van het oude, vertrouwde kerkelijke patroon. Zo gauw ze het woord: vernieuwing horen, zetten ze al hun stekels op. Daarom, zo heet het vanuit die hoek, nokt ook de jeugd op vele plaatsen en in vele kerkelijke groeperingen af. "Gaan uw kinderen nog naar de kerk?" Zo luidt de titel van een recent geschrift, waarin deze bedenkelijke ontwikkeling in kaart wordt gebracht en een uitweg wordt aangewezen via de opsomming van diverse punten. Het zou te ver voeren om hierop in het bestek van dit artikel breed in te gaan. Maar het verschijnen van dit boekje an sich mag veelzeggend heten! .
Hoe wordt er gepreekt?
Dat blijft een belangwekkende vraag! Men schrijft het falen van de kerk toe aan het gebruik van woorden en termen, die finaal uit de tijd zijn. Maar als de stijl verandert zoals dat door velen is ondernomen in de loop der tijden, betekent dat in de praktijk nog niet, dat men zó de jongeren binnen de poorten houdt. Als de preekvorm voorop staat en de inhoud op de tweede plaats komt voelt de kerkganger vlot aan, dat er iets elementairs gaat ontbreken.' Maar er zijn woorden en beelden in de Bijbel, die eigenlijk niet te vertalen zijn. Daarvoor kun je nu eenmaal geen andere woorden invullen.
Dan breekt het beeld stuk. Laat ik als voorbeeld de overbekende psalm 23 nemen. Hoe, wel kennen met het hart nog iets anders is dan kennen van buiten zoals wij dat plegen uit te drukken. "De HERE is mijn' Herder." Maak daarvan nu eens: De HERE is mijn Chauffeur.
Je voelt met je klompen laan, dat je jezelf belachelijk maakt. Dit is zonder meer taal van de Bijbel, die onvervangbaar is! . Wat anders is, dat we geen ouderwetse taal op de kansel moeten gebruiken. En dat geldt niet alleen voor de dominee in de kerk, maar ook voor de ouderling. in de consistoriekamer en op het huisbezoek. Wat het taalkleed betreft moet je dus ergens wèl met je tijd meegaan. Maar 0 wee, wanneer we de boodschap gaan áánpassen áán de tijd. En zijn lieden, die menen, dat het evangelie eenvoudiger moet worden gebracht dan tot dusver. De mensen kunnen er niet meer bij, omdat hun Bijbelkennis zo gering geworden is. Maar wiens schuld is dat dan? Moet ik de kerkgangers, die te lui zijn om hun Bijbel te lezen en te bestuderen, tegemoet komen door ze een evangelisatietoespraakje te leveren tweemaal per zondag? Waar belanden we zo toch?
Steeds weer zullen wij ons moeten bezinnen op de inzet van de prediking] Het gaat erom, dat de Schriften van Oud- en Nieuw Testament worden geopend en de boodschap van verzoening en vergeving naar Gods volk wordt toegedragen.
Dat bewogen verhaal van Gods verlossend handden wil beslag leggen door de kracht van de Heilige Geest op de harten van de hoorders. De gemeente moet zonder meer ervaren, dat de prediker zèlf is aangeraakt door het nieuwsbericht, dat hij doorseint. Ik' heb wel eens het idee, dat er predikanten zijn, die zich eerder aanstellen als een nieuwslezer van de NOS. Die moet zo min mogelijk verraden, dat hij zichzelf bij wat hij voorleest en afleest betrokken weet. Dat zou anders de objectiviteit van de berichtgeving kunnen schaden. Maar naar het woord van K. H. Miskorte is spreken "een uitbazuinen van de bevrijding, het uitroepen van het feest van God met ons, ondanks alle kwaad en alle raadsels, boven aIles uit."
Is er een oplossing te vinden?
Ik vind, dat we met allerlei oplossingen heel erg voorzichtig moeten zijn. Het is trouwens niet zonder meer een probléém, dat om een oplossing vraagt. Het gaat hier om het werkelijke leven uit de VER!lossing door het bloed van Christus! Dat is niet een zaak van een binnenkamertjesgeloof.
Begrijp mij goed: dat geloof moet wel geoefend en via Schriftlezing en gebed gesterkt worden in de binnenkamer, maar daar mag het niet blijven hangen. Het moet in praktijk gebracht worden op de publieke Ievensmarkt. Ieder zal in zijn eigen omgeving dienen te tonen, onbewimpeld en ongekunsteld, dat hij niet maar een christen genoemd wordt, maar ook daadwerkelijk een christen is! En dan gebeurt het, dat je stuit op een modem levensgevoel, dat volkomen haaks staat op je geloofsbelijdenis en geloofsbeleving (ik zet die twee nu even naast elkaar, niet om ze te scheiden, alleen maar om ze te onderscheiden).
We zullen ons bewust moeten zijn, dat we als kerkleden ademen in wat men tegenwoordig noemt een atheïserend klimaat. Dat betekent, dat steeds meer mensen zonder hoop en zonder God in deze wereld leven, De religie van het Verbond heeft afgedaan voor velen. Men weet niet meer wat men zich moet voorstellen wanneer een ander de Naam van de HERE God laait vallen.
Willen we iets waardevols aandragen ten dienste van een juiste benadering van deze dingen, dan zullen we absoluut bij onszelf moeten beginnen!
Want bij alle kritiek op de kerk moeten wij nimmer vergeten, dat wij zèlf persoonlijk bij die kerk behoren. Ook de jongeren zullen moeten leren niet afstandelijk over het wel en wee van de kerk te praten.
Hoe gaan wij naar de kerk?
Dat is 'en blijft een belangwekkende vraag! Ik denk soms, dat verschillende gemeenteleden de zondag binnenrollenl Ze gaan de zondag- niet in gelovig verlangen tegemoet en bereiden zich op de kerkdiensten allerminst voor. De zondag heeft te lijden onder een selectieve bejegening!
De eerste dag van de nieuwe week heeft hoegenaamd geen betekenis meer voor het leven op de andere dagen van de week. "Geloven op maandag" dreigt een verouderd begrip te worden! Als de ouders vinden, dat de zondagse kerkgang alleen maar een godsdienstige plicht is, wat kan men dan van hun kinderen nog verwachten? Als de ouders bij het minste of geringste het in de kerkdiensten laten afweten, hoe kan men dan de jongeren nog stimuleren trouw het Aangezicht van de HERE te zoeken in de samenkomsten van zijn vd1k? Onze zaterdagavondbesteding zal van die aard dienen te zijn, dat we niet pas op de niet meer zo prune zondagmorgen ons abrupt bewust worden, dat de N.T. rustdag is aangebroken. We zullen ons tegen het eind van de werkweek via Schriftlezing en gebed particulier en in gezinsverband dienen voor te bereiden op de eredienst! De ouders mogen met hun kinderen regelmatig praten over de inhoud van de prediking en de intentie van het gebed voor de ambtsdragers en de gemeente. Dan komt er opening voor de liefde tot het Woord! Dan leren we samen belijden: "Uw Woord, Q HEER, houdt alle waarheid in, Uw heilig Woord is recht voor alle tijden"
(Psalm 119 : 60 NB). Ik wil dit alles illustreren met een dictaat uit het boek van wijlen dr J. G. Woelderink. "Uit de practijk der godzaligheid": "In de dagen der afscheiding was in één van de gemeenten, die zich in Groningen gevormd hadden, een eenvoudig gemeentelid, dat iedere donderdagavond in zijn tafelgebed de voorganger gedacht en de Here opdroeg, opdat de Geest des Heren hem de deur des Woord mocht openen en zo de gemeente gebouwd mocht worden op het fundament Christus. En daarmede ging hij voort, totdat de dag des Heren aanbrak. Ik ben verzekerd, dat dit gebed het grootste aandeel gehad heeft in de opbouw der gemeente en als dergelijke voorbidders uitsterven, gaat de gemeente de wintertijd tegemoet. Daarom zou ik ze willen vergelijken met de dragers van het Olympisch vuur en wee onzer, als ze deze fakkel des lichts bij hun sterven niet kunnen overgeven in de handen van getrouwe mensen, die hun zielen hebben overgegeven voor de Naam des Heren Jezus". (a.w. pag. 127).
Tot slot
Er wordt van ons meer gevraagd dat alleen aandacht te schenken aan de motivatie van hen, die de kerkelijke gemeenschap vaarwel zeggen. De
betrokkenheid op elkaar zal zich via een door de peest gewerkt kerkelijk besef gaan uiten in een omzien náár elkaar! Je wilt elkaar zoveel mogelijk vasthouden om samen op te trekken naar de jongste dag. Op die weg Wil je meerderen van buiten af gaan meenemen. Alleen zal een ongebreideld enthousiasme niet mogen verhinderen zich af te vragen waarom iemand zich bij de kerk aansluit. Is zijn beweegreden zuiver? Wat zóékt hij in die kerk? We moeten hem niet opschepen met een idealistisch kerkbeeld waaruit het element van de onvolmaaktheid finaal verdwenen is. Want dan loopt de pas bekeerde zich in no time stuk op de werkelijkheid, die vanwege onze zonde niet altijd even fraai eruit ziet, Hij zal moeten leren dwars door de dingen heen' te kijken om zijn Heiland te ontwaren in zijn eer en heerlijkheid waarmee Hij als Verhoogde Christus gekroond is. Zo alleen kan hij het uithouden en zijn taak verrichtten temidden van de gemeente in ootmoed en geloofsovergave. Want in Gods Huis wordt alle superioriteitswaan doorbroken. Dat is zonder meer vrucht van de werkzaamheid van de Heilige Geest. Immers de kerk is slechts kerk bij de gratie van Pinksteren! Daarom ter definitieve afsluiting onderstaand gedicht:
De Kerk
Wanneer de kerk alleen voor brave mensen was, zou ik er nooit meer durven komen.
Het is geen stolp voor opgepoetste vromen
of voor de besten uit de klas.
Het is Gods Huis, de wijkplaats voor het hart,
waar altijd weer bevrijding wordt verkondigd en hopeloos in 't leven is verward.
Op deze plaats gaat alle waan aan gruis.
Wie durft hier nog op eigen goedheid hopen?
Maar op de kansel ligt de bijbel open: "Ik droeg uw zonden aan het kruis."
HUIBFENIJN
(Uit: "Naar veilige haven" - Gideon)