Toch maar "een" mens?
1982-10-29
Maar een mens.- Jaargang 26
- nummer 40
Dat kan betekenen: je bent een mens, en mensen zijn niet zoveel waard.
Maatje kunt de klemtoon ook anders leggen: je bent wel een mens, en mensen zijn heel wat waard. - maar ondertussen ben je - hoe waardevol ook -toch maar één van de velen, één onder miljoenen. Meer niet ..Tenslotte toch niets bijzonders.
Niets bijzonders?
Maar psalm 139 dan? Ik ben toch geen massa-artikel, maar een heel apart borduurwerk van God.
En het evangelie van Johannes dan? Want speciaal in dat evangelie valt er wel een heel duidelijk accent op het bijzondere van eIk mens, waarmee Jezus in aanraking kwam. En op het aparte van Jezus' relatie met deze of gene: Hij had Lazarus Hef en Hij had Lazarus' zusters lief. En hoewel Jezus al zijn discipelen Hef had (b.v, Joh. 15 : 9 vv) wordt één van hen dan toch maar speciaal aangeduid als "de discipel die Jezus liefhad".
En dan Maria, zij uit Magdala. De vrouw uit wie Jezus zeven duivelen had uitgeworpen, Dat wil zeggen: Jezus had haar uit de hel gehaald. De hel, waarin ze zo lang geleefd had, door niemand te bereiken. Een hel van angst en eenzaamheid, vervreemd van iedereen, een onbekende voor zichzelf.
En toen was, Jezus gekomen en Hij had haar weer zichzelf gemaakt: Maria. Hij had in dat verwrongen, geruïneerde schepsel de eigenlijke Maria gezien.
Wel onherkenbaar geschonden en verminkt.
Maar toch ... En toen had Hij haar tevoorschijn geroepen. Nou, daar was ze dan weer, terug uit het donker, terug uit de nachtmerrie, terug uit de onherkenbaarheid. Daar was ze weèr, gekend, herkend door die ene: door Jezus.
Sindsdien is haar omgang met Jezus doortrokken geweest van de ~eJ.;Woddel1ing: Hij ziet mij. Hij geeft om mij. Hij gaat in, niet op "een" mens, één van de velen, maar op mij.
Ik ben voor Hem maar niet een vrouw, maar Maria. Hij noemt me bij mijn naam. Want het is hem om mij begonnen.
Is het een wonder dat ze na Jezus' begrafenis eigenlijk niet van zijn graf ,is weg te slaan.
En dat ze weer teruggaat, nadat ze eerst met de andere vrouwen is thuisgekomen ?
En dan - voor de tweede keer op die morgen bij het graf - is daar opeens die man, die ze door haar tranen heen nauwelijks ziet, wiens stem ze zelfs niet herkent. Zo ontoegankelijk is ze voor alles, wat tot haar probeert door te dringen.
Tot opeens toch iets door die muur weet heen te breken.
Iets. Een stem. Een stem, die haar roept, die om haar roept: Maria!
Een stem? Zijn stem. En dan is er ook geen aarzeling meer en geen twijfel. Want dat alles wordt weggespoeld, weggeváágd door dat ene alles overstemmende feit: Hij roept om me. Hij roept: Maria, waar ben je? Ik zoek jou!
Later zegt Jezus dan: ga 'dat nu maar aan de anderen vertellen. En nog later tegen die anderen: ga dat nu samen maar aan iedereen vertellen. Want zoals ik jou bij name roep, Maria, en zoals ik jullie bij name roep, Johannes en Mattheüs en Thomas, - zo ga ik miljoenen bij name roepen: Corrie en Mieritje en Evert en...
En ze allemaal bij name roepend, roep ik hen allen uit hun eigen. hel te voorschijn en uit hun eigen dood tevoorschijn, roep ik ze weg uit hun tranenstroom, uit hun verscheurdheid, uit hun verwrongenheid.
En als ze mij horen roepen, dan horen ze God roepen, God, die ze doorgrondt en kent en ze stuk voor stuk bemint. En als God roept, dan kooi je tevoorschijn, dan wordt je wie je bent en wat je bent, dan wordt je zo als Hij zelf je heeft geweven en geborduurd, dan kom je dadelijk tot je zelf.
Dan ga je leven. Dan ga jij leven. Want om jou is het God begonnen: Niet om "een" mens. Maar om jou.
God roept om mij. Omdat Hij zei! iets geweldigs van me maakte.
Hij roept om mij, mismaakt, tegenstrijdig, machteloos, overgeleverd aan de hel waarin ik me verstrikt heb, - de hel van mijn verlegenheid of van mijn trots, van mijn minderwaardigheidscomplex of mijn jaloersheid, of de hel die ik nief eens een naam kan geven, maar in elk geval de hel waarin ik onherkenbaar ben voor mezelf en onbereikbaar voor anderen. Maar niet onherkenbaar voor Hem. En niet onbereikbaar voor Hem, die zijn handen naar me uitsteekt en me vastgrijpt en mijn naam noemt: Jij!
En dáártegen is alles wat me dwarszit, alles wat me beschadigt, daartegen zijn al mijn verminkingen niet bestand. Als Hij roept om mij, dan kan geen macht verhinderen, dat ik voor God besta.