De sleutels van het koninkrijk der hemelen
1982-10-29
Door dr L. van Hartingsveld, uitgegeven door Kok, Kampen; 109 blz.; f 15,90.- Jaargang 26
- nummer 40
Het is een genoegen dit boek te kunnen aankondigen. De N.H. predikant te Wapenveld stelde zich tot taak na te gaan, wat we in de Schriften over de sleutelmacht lezen en wat hij aanbiedt is niet alleen lezenswaard - dat zeker - maar ook heilzaam, d.i. het leidt tot heil, tot Ieven. Juist in deze tijd, nu allerwege de mondige mens zijn mening propageert en zich door een ander zeker de wet niet laat lezen. Maar, zegt de schrijver, mondigheid is in de Schrift heel wat anders dan er heden ten dage onder verstaan wordt. Mondigheid is volwassen worden in .het geloof. "De prediking opent voor wie gelooft het Rijk van God. Maar wie de blijde boodschap. negeert of verwerpt, blijft buiten staan voor een dichte deur. Er is dus een harde kant aan het Evangelie. Dat kan men in een tijd van verdraagzaamheid en tolerantie, van gesprek en dialoog, niet verkopen. (...) Iedereen moet vrij zijn, zelf beslissen, de stem van zijn eigen geweten volgen, zelf verantwoordelijkheid dragen. We willen overal aan "sleutelen". Maar een kerk met de sleutels van het Godsrijk staat haaks op het moderne levensgevoel." Genoeg om het boek met verwachting ter hand te nemen.
Eerst krijgen we een hoofdstuk over de functie van sleutels en grendels, deuren en poorten, in de oudheid, in de tijd van het Oude Testament: Omdat de sleutels toen zo zwaar waren (ze zijn het nog, zij het op een andere manier!) moesten ze soms wel op de schouder gedragen worden, Jes. 22: 22. Achtereenvolgens komen daarna de sleutels van de stadspoorten, van gebouwen, van de onderwereld, het dodenrijk, die van de moederschoot, maar ook van de ark en de sleutel van de kennis ter sprake. De wetgeleerden met hun (eigengemaakte) interpretaties van de wetten Gods, verhinderden het volk naar dat goede Woord te luisteren. Ze hadden de sleutel van de kennis weggestopt, Luc. 11 : 52. Ze sleutelden zèlf maar wat aan. De Here Jezus geeft Petrus en in hem de apostelen. de goede sleutels, opdat Gods volk op zijn belijdenis in het Koninkrijk der hemelen (het Godsrijk) zal binnengaan. Het op aarde binden met gezag, zeggen waar je je als schaap van de kudde van de goede Herder aan moet houden, zal de taak van de 12 mannen.
zijn, die de Heiland rond Zich verzamelde. Binden is voor hen: het vastmaken aan die belijdenis, aan Gods Woord, aan Zijn zoon. Maar evenzeer het straf opleggen als ongeloof openbaar komt. Ontbinden is het losmaken van de menselijke bindingen, doch ook het opheffen van de straf bij bekering.
Die apostelen werd dus veel toevertrouwd: macht over de sleutels. Namens hun Opdrachtgever moesten ze die gebruiken. Hun openen was G6ds openen, hun sluiten Zijn dichtdoen van de deur. Echte sleutelbeheerders, niemand kan om hen heen, Matth. 16 : 19,20.
De schrijver laat ons zien, hoe de HERE oudtijds in het verbond, dat Hij met Zijn volk Israël sloot, wetten gaf, als even zovele sleutels.
Door het onderhouden van de geboden ontsloot zich de weg ten leven, Ps. 119. Het niet houden ervan leidde echter op een doodsweg, die eindigde in ban, steniging of vervloeking, Deut. 28. Op verwerping van het goede Woord moest volgen “het kwaad uit uw midden wegdoen", Deut. 22: 21. Bijvoorbeeld als een zoon zijn vader en moeder niet eerde en van geen bekering wilde weten: steniging. Een opmerkelijke exegese geeft de schrijver daarbij van Matth. 11 : 19. Als de oversten onze' Heer een vriend van tollenaars en zondaars noemen, verwijzen ze daarmee in feite naar dat woord uit de Mozaïsche wet. Hij moet verdwijnen.
Die beschreven wetten van de HERE werden in de loop van de tijd. en in het bijzonder ná de ballingschap hoe langer hoe meer losgemaakt van hun Goddelijke Auteur en de rabbijnen verzamelden naarstig de vele interpretaties van dat doen en dat nalaten (de Talmud).
Daarmee verdween de sleutel van de kennis. De Wetgever staat als een vreemde bij Zijn volk aangeschreven. De sleutelaars (schrifgeleerden) hebben dan de sleutel van de kennis verdonkeremaand. Ze versperren de toegang tot Gods rijk, Matth. 23 : 13. In volgende hoofdstukken laat de schrijver ons zien hoe "Petrus en Paulus, daarna ook de gemeenten, de sleutels hanteerden. De oudsten krijgen een taak, doch de gehele gemeente ontvangt aanwijzingen toe te zien dat ieder in Gods wegen blijft wandelen, zie bijv. 1 Cor. 10 : 1-13. In vele waarschuwingen en vermaningen "laat ons er ernst mee maken in rust in te gaan", Hebr. 4 : 11 o.a., komen we dat hanteren van de sleutelmacht tegen. De brief aan de Hebreeën is er vol van. Daarmee blijven apostelen en gemeenten op de wegen, die de grote Herder der schapen opende en waarop Hij voorgegaan is. Als we daar oog voor krijgen (en de auteur doet daar veel moeite voor), beperken we de sleutelmacht niet enkel tot teksten uit Matth. 18, maar ontmoeten we voortdurend het openen en sluiten van Gods koninkrijk. Lees daarover ook Openbaringen 2 en 3.
Wat zou de schrijver nu zeggen over de betekenis van de sleutelmacht in deze tijd? Welke plaats heeft die in de gemeenten, voor welke taak staan de ambtsdragers? Hij wil daarover spreken in een hoofdstuk "De kerk en de sleutelmacht". De apostelen, de eerste sleuteldragers, zijn gestorven. De paus, in de rooms-katholieke hiërarchie, is hun opvolger zeker niet. Synodes zijn dat evenmin.
Wie dan wel en hoe? Het valt op dat waar 80 bladzijden lang gehandeld is over het Schriftonderwijs, dit laatste hoofdstuk van 12, bladzijden, niet zo duidelijk is.
Hoewel er vele goede aanwijzingen in staan, zou je zeggen dat de schrijver moeite' heeft met het concretiseren voor vandaag. Dat is geen wonder. Hij maakt deel uit van een kerkgenootschap dat de sleutels zegt te moeten hanteren, maar het in feite niet doet. Zelf zegt hij "De Hervormde Kerk heeft in artikel X van de kerkorde (van het belijden der kerk) gesteld: "De kerk weert al wat haar belijden weerspreekt (... ) De kerk oefent geen tucht." Nu heeft "tucht" voor velen, zegt hij "elders, een nare klank. Het doet denken aan een flitspuit, waarmee je lastige insecten doodt. We kunnen hem daarin' bijvallen en ouderen hebben daar heel erg nare ervaringen mee gehad, het doet nóg zeer. In deze tijd van gezagloosheid. van "ik denk" en "ik meen" staan normen voorts laag genoteerd. Sleutels om wegen te openen en te sluiten? Ach, ga toch door. Ik zoek mijn eigen weg wel zeggen velen.
We hebben er zelf ook wel wat moeite mee te zeggen "dit is de weg, wandelt daarop", Jes. 30: 21 en hen, die dit beslist niet willen, door middel van tuchtoefening te trachten terug te brengen op de goede weg. Welke kerkenraad "zit" daar niet mee? En toch ontkomen we er niet aan te onderzoeken, beproeven, toetsen wat de wil van God in deze is. De gemeente, zo de schrijver, moet zèlf leren onderscheiden tussen wat geboden en verboden, geoorloofd en niet toegestaan, Gode welbehagelijk en Gode niet welgevallig is. Hij waarschuwt dat niet het omgekeerde gebeurt, dat de gemeente zich aanpast aan een rationeel geloof, datgene wat het eigen verstand van de mens uitdenkt, wat hem gelegen komt. Want dan, zo zegt hij, gaat het wel ten koste, van het allerheiligst en ongetwijfeld christelijk geloof.
Maar wat is er een onkunde in de gemeente! Zijn ervaring is dat waar Schriftkennis ontbreekt, de preek ook niet meer resoneert. Iets om te onthouden, meer nog om er mee bezig te zijn.
Maar niet zoals dr Van Hartingsveld zich dat voorstelt. Hij meent dat de preek ook iets zeggen moet over allerlei sociale en maatschappelijke, zelfs politieke problemen.
Nog afgezien van hetgeen we daarmee van onze voorgangers zouden vragen (wie is in staat om dit alles te overzien 1), er zijn zaken, waar niet ieder een antwoord op weet, resp. op behoeft te vinden. We zijn maar mensen met beperkte vermogens en het is ons niet gegeven op alle vragen een verlossend woord te spreken, hoewel...de Here laat ons met Zijn Woord niet alleen. Als er dan geen directe oplossing is of die is ons niet duidelijk dan is er toch wel de houding, die we als christenen in deze wereld mogen. "Gij geheel anders", Ef. 4 : 20 of de vreemdelingschap. zoals die in Hebr. 11 : 13, 14 getoond is. Van dat alles blijkt ons in het besproken boek niet veel. Wel constateert de schrijver dat de sleutel der kennis er is. We hebben de heilige plicht, zegt hij, ons te oriënteren (of te onderwerpen?) aan de Schriften van het Oude en Nieuwe Verbond. Maar hij komt in de beschreven problematiek niet veel verder dan de apostolische vermaning dat de sterken met de zwakken geduld moeten hebben. En dat is wel heel erg zuinig, waar het gaat om zaken van leven of dood, sleutels die het Godsrijk openen of sluiten!