Naar een eenheid waar je stil van wordt... (1)

1982-11-05
  • Jaargang 26
  • nummer 41
Gebed en Gebod
In de contacten tussen kerken die verlangen tot meer eenheid te komen, vormt altijd weer het gebed van onze Heiland, dat allen die door het woord van de apostelen in Hem geloven, één mogen zijn (Joh. 17: 20), uitgangspunt en hoofdargument om deze eenheid der gelovigen nu ook te laten zien. Men zegt dan: Wat door onze Heer aan de Vader in het gebed wordt gevraagd, welk gebed natuurlijk verhoord is, geldt voor ons als een gebod.
Ook in de contacten tussen de Christelijke Gereformeerde en Nederlands Gereformeerde Kerken treffen we dit aan. Over de synode van eerstgenoemde kerken te Hoogeveen in 1977 rapporteerde ds v. d. Brink op de Landelijke Vergadering te Wezep in april 1978: "Verblijdend is dat deze synode opnieuw de Chr. Geref. Kerken heeft gewezen op het gebod tot kerkelijke eenheid, vervat in het Hogepriesterlijke gebed van Johannes 17". En in Opbouw (4-6-'82) schreef hij over de synode van deze kerken te Amersfoort van 1980: "Dat deze synode niet gekenmerkt mag worden als de synode van de "passen op de plaats", mag verder blijken uit de eerste uitspraak, aangenomen met grote meerderheid: "De Synode besluit uit te spreken dat de kerken in gebed, prediking, ambtelijke arbeid en publicaties, gelovend in de kracht van Christus' gebed om eenheid, aandacht dienen te besteden aan Christus' gebod tot eenheid, opdat het besef van en het verlangen naar deze eenheid verlevendigd wordt" .
Wat de Ned. Geref. Kerken betreft, maakt de wijze waarop ds v. d. Brink dit alles vermeldt, zonder meer duidelijk dat deze uitspraken haar volle instemming hebben. En er valt niet aan te twijfelen, dat hij zich haar tolk mag weten, als hij zijn artikelenreeks "Naar een federatie met de Chr. Gereformeerde Kerken" in Opbouw eindigt met de uitspraak: "Het is zoals de laatste C.G. synode zei: "Uit het gebed van de Here Jezus om eenheid, vloeit voort het gebed tot eenheid". (25-6-'82).

"dat zij één zijn zoals Wij"
Misschien komt bij u het vermoeden op, dat ik er wel wat moeite mee heb dat uit het gebed van onze Heer wordt geconcludeerd tot een gebod voor ons op dit punt. Neen, het ligt anders.
Mijn bezwaar geldt, dat men de woorden van onze Heiland onvolledig aanhaalt en, zonder rekening te houden met heel het verband waarin ze staan, gelegenheid biedt aan het woord "eenheid" een eigen inhoud te geven. Natuurlijk is hierbij geen voordacht of opzet in het spel, maar het gebruik van de term "eenheid" in de verhouding tussen twee kerken roept automatisch allereerst de gedachte op aan organisatorisch samengaan. Os v. d. Brink laat op de zojuist aangehaalde woorden dan ook volgen: "Daarbij mag het dan niet gaan om een eenheid die alleen formeel en organisatorisch is. Maar om een intense zorg en liefde voor elkaar." Hij verwijst daarbij naar 1 Kor. 12 : 12. Met deze verwijzing gaat hij echter voorbij aan de betekenis van "eenheid" in het verband van Johannes 17 en dringt hij het element "organisatorisch" ook sleehts zeer beperkt terug ("niet ...een eenheid die alleen organisatorisch is"). En van deze organisatorische eenheid is in het gebed van onze Heiland in het geheel geen sprake.
Wie er over nadenkt, moet het wel opvallend en vreemd vinden, ja onbegrijpelijk, dat in die talloze gesprekken over Christus' gebod tot eenheid zo weinig aandacht is gewijd aan het wezen en de aard van die eenheid. Want Jezus zelf spreekt daarover in Johannes 17 enkele malen, waarbij Hij die eenheid steeds duidelijker karakteriseert:

vs. 11: "dat zij één zijn zoals Wij"
vs. 21: "opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn"
vs. 23: "opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één".

Zoals u ziet, behoort de bede van Jezus om de eenheid van zijn apostelen, om de eenheid van allen "die door hun woord in Hem geloven" (vs. 20) tot de grondstructuur van zijn gebed.
En de korte kenschets in vs. 11 ("zoals Wij") wordt verder uitgewerkt in vs. 21 ("Gij in Mij Ik in U... zij in Ons") en vs. 23 ("gelijk Wij Ik in hen, Gij in Mij... zij volmaakt tot één").
Hoe komt het dan toch, dat over de aard van die eenheid bij het spreken over het gebod tot eenheid der gelovigen zo weinig vanuit dit hoofdstuk gezegd wordt? We kennen de oproep: "opdat zij allen één zijn" zo goed, dat we gewoonlijk ook wel weten, dat hij ontleend is aan Johannes 17. En velen kennen zelfs de Latijnse weergave ervan: "Ut omnes unum sint". Maar voor het verstaan van deze oproep brengt ons dat niet verder, als we hem niet ook gaan lezen in het verband van Johannes 17 en de Latijnse weergave volledig maken door de toevoeging: sicut Nos, zoals Wij.
Misschien komt onze aarzeling van zulk een eenheid te spreken wel daaruit voort, dat wij de karakterisering van die eenheid door onze Heiland (één zoals de Vader en de Zoon, één zodat wij in de Vader en de Zoon zijn) zo ver boven ons bevattingsvermogen achten, dat we ons daarover geen voorstelling durven en kunnen maken. De benaming: Het Hogepriesterlijk gebed, zoals dit hoofdstuk wordt aangeduid, kan die gedachte gemakkelijk versterken: Jezus wijdt Zich hier ten offer voor de zijnen en we hebben hier dus een gesprek van de Zoon met de Vader, dat vooral de volkomen gehoorzaamheid van de Zoon aan de Vader en de eenswillendheid van de Zoon met de Vader in Gods heilsplan betreft. Op die manier heffen we de inhoud van Jezus' gebed uit boven de werkelijkheid van het leven van alle dag. En dit werkelijke leven staat Jezus bij het uitspreken van dit gebed juist scherp voor de aandacht: "Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze" (vs. 15)

Naar Johannes 17 niet ècht geluisterd
Tegenover de werkelijke inhoud van Johannes 17 nemen we eigenlijk een negatieve houding aan. En dat komt ons duur te staan. Wat zijn er al talloos vele besprekingen, vergaderingen en conferenties gewijd aan de vraag, hoe de door Christus geboden eenheid kan worden gerealiseerd.
En de artikelen van ds v. d. Brink en ds v. Smeden zijn er het zoveelste bewijs van, dat de eenheid die men op het oog heeft - ook al venvijzen beiden naar het gebod dat in Johannes 17 besloten ligt - slechts over een heel lange weg (misschien) kan worden verwezenlijkt.
Ik wijs slechts op enkele punten. Ds v. Smeden (Opbouw 2-7-'82) verdeelt de suggesties die ds v. d. Brink heeft gedaan "wat wij kunnen doen om de toenadering te bevorderen" (Opbouw 18-6-'82) in feite in twee groepen: die mogelijk èn die niet eenvoudig zijn. Nauwere samenwerking op het gebied van de pers, bepaalde deputaatschappen op het terrein van diaconale en maatschappelijke aangelegenheden, onderwijs, industrie, Israël acht hij mogelijk. Maar t.a.v. de Theologische Hogeschool ziet hij "een regeling niet zo simpel". Nu had ds v. d. Brink alleen maar de opmerking geplaatst: "We zouden het best mogen zeggen als we graag een professor zouden willen en kunnen leveren." Geeft de komst van zulk een Ned. Geref. professor aan de Theologische Hogeschool te Apeldoorn dan problemen? zult u zeggen. (We spreken natuurlijk helemaal over een denkbeeldig geval.) Ds v. Smeden vindt duidelijk van wel: "omdat het onderwijs aan die school onder kerkelijk toezicht staat; hoe zou een tuchtzaak, dit onderwijs betreffende, moeten worden aangepakt, en door wie? Hiermee wil ik bij voorbaat elke inbreng van de Ned. Geref. Kerken niet uitsluiten, maar een regeling hiervan lijkt me niet zo simpel, zolang het niet helemaal duidelijk is welke nu "de kerken" zijn van welke de school uitgaat."
Opnieuw treedt aan het licht: de "eenheid" waartoe men de oproep meent te horen in Johannes 17, wordt helemaal gezocht in het organisatorische vlak en is, als zij een beetje wezenlijke inhoud krijgt, in feite niet te realiseren.
Immers - zo vraagt ds Van Smeden - als tucht geoefend zou moeten worden over een hoogleraar, lid van de Ned. Geref. Kerken, kan men dan aan die kerken wel deze tuchtoefening toevertrouwen? Of versta ik zijn bedoeling hier verkeerd?
In elk geval is duidelijk, dat de eenheid, waarom Jezus bidt in Johannes 17, na al die besprekingen nog niet in zicht gekomen is. Ds v. Smedenstelt dat ook heel open: "Men (de synode van de C.G.K.) aarzelde op de drempel van de federatie, omdat men nog aarzelde ten aanzien van de geboden eenheid". Ook van de zijde van de Ned. Geref. Kerken is deze eenheid, die bedoeld wordt in Jezus' gebed, naar haar strekking niet aan de orde in de samensprekingen, Volgens ds v. d. Brink (Opbouw 4-6-'82) sprak de hiertoe aangewezen commissie uit: "Het gaat bij federatie ... om een verbond van kerken, die via toenemende samenwerking op weg zijn (cursief van mij, M.) naar eenheid".
Laten we dus maar gewoon Johannes 17 gaan lezen. En daarbij toezien dat onze gedachten zich niet laten meevoeren door de ons zo vertrouwde klanken. Want het is een bekend hoofdstuk! Maar het bleek reeds, dat we met de kern er van toch eigenlijk geen raad weten.
Er in ieder geval weinig mee doen. En er weinig profijt van hebben.
Daarom moet het de moeite waard zijn de betekenis van Jezus' bede om de eenheid van "allen die door hun woord in Hem geloven" te leren verstaan in samenhang met heel het gebed. Opdat we daardoor vertroost worden.
Want op de zo juist aangehaalde woorden volgt ook nog: "De heerlijkheid die Gij Mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, opdat zij één zijn" (vs. 22). Wat we onder die heerlijkheid ook precies mogen verstaan, zij spreekt van een onvoorstelbaar schone gave die met de eenheid van al1en samenhangt. Daarover dan in enkele volgende artikelen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief