Het Liedboek

1982-11-12
  • Jaargang 26
  • nummer 42
LIED 160 "Tot in het taaleigen toe is dit kerstlied op de melodie van Psalm 118 klassiek" (Comp. p. 148). Voor de benaming "morgenster" (strofe 1) zie Openb. 22 : 16; voor "menslievendheid"
zie Titus 3 : 4. Het is een lied met vele duidelijk schriftuurlijke gedachten. De melodie is die van Psalm 118.
Tekst: 3; melodie: 3.

LIED 161 In tegenstelling met het voorgaande is dit Lied in verschillende opzichten onduidelijk: de beeldende taal en de woordspelingen roepen telkens vragen op naar de juiste betekenis ervan.
Daarbij komt het niet tot een duidelijke slotsom: waar blijft de vrucht van de opstanding? (strofen 3 en 4). De melodie is zeer geschikt voor de kerkzang, Tekst: 1; melodie: 3.

LIED 162 De inhoud van dit Lied wordt het best gekarakteriseerd door het refrein: midden onder u staat Hij die gij niet kent. Deze uitspraak is, afgezien nog van de andere bezwaren die tegen de tekst zijn in te brengen, voor een kerklied onaanvaardbaar. Christus is toch voor de gelovig belijdende kerk niet de onbekende zoals in dit lied wordt gesuggereerd. De melodie is niet bijzonder geschikt voor de kerkzang.
Tekst: 1; melodie: 2.

LIED 163 Ook dit Lied kenmerkt zich door allerlei dichterlijke en in menig opzicht ongrijpbare uitdrukkingen, vanwege de vele woordspelingen. "Woordspelingen, waarvan de verfijning al bijna bedorven is, als men ze met de vinger aanwijst", aldus de in dit opzicht voldoende duidelijke typering van de commentator in het Compendium (p. 425). De uitdrukking "in godsnaam" (strofe 5) lijkt ons door het modernistische gebruik wel wat te zwaar belast voor de kerkzang.
De melodie is goed.
Tekst: 1; melodie: 3.

LIED 164 De inhoud van dit Lied is vrijwel bepaald door de in Luc. 2 : 42-52 beschreven geschiedenis van de 12-jarige Jezus. Hier en daar zou mogelijk wel eens een vraagteken te plaatsen zijn, maar nauwgezet lezen en overwegen van de tekst maakt het geheel toch wel duidelijk en aanvaardbaar.
De melodie is eenvoudig en goed.
Tekst: 3; melodie: 3.

LIED 165 De oorspronkelijke dichter van dit Lied (Luther) heeft zijn gedachten betreffende de doop hier op verschillende manieren weergegeven. "Het was bedoeld als een uitleg bij de dogmatiek en had oorspronkelijk de titel “Ein geistlich Lied von unsrer heiligen Taufe, darin fein kurz gefasset, was sie sei, wer sie gestiftet, was sie nütze" (comp. p. 427).
De melodie is wei wat moeilijk, maar alleszins de moeite waard om te leren. "Ze vraagt een volle stem en lange adem en moet zonder haast gezongen worden; voor wie dat doet is het loon groot!" (comp. p. 428).
Tekst: 3; melodie: 3.

LIED 166 Ondanks de toelichting die de dichter heeft gegeven in het compendium (p. 428, 429) blijft di.'t Lied dermate ondoorzichtig dat het o.i. voor de kerkzang moet worden afgewezen. Enkele duidelijk herkenbare elementen als de aanbidding door de wijzen (strofe 1), de doop in de Jordaan (strofe 2), de bruiloft te Kana (strofe 3) dragen echter niet bij tot de verstaanbaarheid van de tekst.
De melodie is die van Psalm 118.
Tekst: 1; melodie: 3.

LIED 167 Oorspronkelijk is dit Lied bedoeld geweest als een feestlied ter ere van Maria. Daar in de loop der geschiedenis deze viering steeds meer op de achtergrond is geraakt, is daarvan thans in dit lied niets meer te vinden. Het verhaal van Simeon wordt hier op een zodanig exemplarische wijze behandeld, dat het als kerklied niet aanvaardbaar is. Zo kunnen b.v. in strofe 1: "in uw tempel zien wij u misschien", in strofe 4: "geef ons de zwanenzang te zingen, ik doe mijn oude ogen dicht" (overigens niet in het origineel te vinden), als duidelijke illustratie hiervan dienen; Taal en stijl -laten voorts ook nogal te wensen over, zoals b.v. in strofe 3 "wees in ons leven luister en licht in onze pijn, en in ons huis en duister de milde zonneschijn" en in strofe 5: "ja, ja, ik mag geloven".
De melodie is levendig en sierlijk.
Tekst: 1; melodie: 3.

LIED 168 Dit Lied draagt duidelijk de sporen van de tijd waarin het is ontstaan: de tijd van de contrareformatie en van de 30-jarige oorlog. Uitgangspunt voor de dichter was het gebed voor zijn rooms-katholieke medechristenen. Hij ontleende dit aan het gebed van een Jezuïet die voor de "dwalende" protestanten had gebeden! (Comp. p. 433). De herdichting heeft betrekking op de innerlijk aangevochtenen, de van de kerk vervreemden, de door de kerkelijke praktijken gewonden. (Comp. p. 434). Vanwege de onbevredigende taal en stijl voldoet het evenwel niet als kerklied.
De melodie, waarvan de componist niet aanwijsbaar is, is een goede aanwinst voor de gemeentezang.
Tekst: 2; melodie: 3.

LIED 169 "God heeft de mensen voor het licht bestemd, maar zij hebben de duisternis liever gehad dan het licht (Joh. 3 : 19) - dat is het thema van dit Lied. Het is een lofzang op het licht dat in Jezus Christus voor ons is opgegaan. Daarom is het vooral een lied voor de kersttijd." (Comp. p. 435).
De melodie, waarschijnlijk verkregen door vereenvoudiging van een volkslied uit de 15e eeuw, is organisch opgebouwd en daardoor zeer geschikt voor dit lied.
Tekst: 3; melodie: 3.


A. t.a.v. de tekst der liederen:
het cijfer 1 bij niet voluit Sohriftuurlijke tekst, b.v, vanwege het humanistische karakter of door een sterk piëtistische inslag;
het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke,. maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst;
het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.

B. t.a.v. de melodie der liederen:
het cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodie;
het cijfer 2 voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort;
het cijfer 3 voor .,een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief