Waar was Jezus tussen zijn 12e en, 30e jaar?
1982-11-19
De Bijbel zegt 9), dat Jezus toenam in wijsheid, in grootte en in genade bij God en de mensen. Daarbij was Hij zijn ouders onderdanig. Hij groeide dus op tot volwassenheid, kreeg de wijsheid die bij zijn leeftijd paste (of meer), werd graag gezien door de mensen en door God gezegend. In het gezin van Jozef en Maria was Hij volkomen op zijn plaats.- Jaargang 26
- nummer 43
Het volgend bericht over Jezus is, dat Hij door Johannes gedoopt werd en, na diens gevangenneming, zijn werk overnam: door te verkondigen dat het koninkrijk der hemelen nabij was. Jezus was toen juist 30 jaar oud 10). Wij weten dat zijn opvoeding in Nazareth is geweest 11), zijn eerste wonder te Kana en zijn tweede wonder te Kapernaum 12).Hij was intussen in Kapernaum gaan wonen 18)en de overlevering zegt dat Maria, blijkbaar weduwe, daar eveneens woonde.
Dat is alles wat de Bijbel ons vertelt van het leven van onze Heiland tussen zijn 12e en 30e jaar. Eigenlijk ligt daartussen een bevreemdend zwijgen. Jezus heeft immers echt als jongen, als jongeling, als jongeman geleefd; deels in Nazareth, deels ... waar eigenlijk? Onze vaderen hebben de Joodse geschiedschrijver Plavius Josephus uit de band gelezen, om zoveel mogelijk kennis rondom de heilsgeschiedenis op te doen. Zijn wij zo veel beter dan zij?
Als Jezus die 18 jaren binnen het land Palestina had gewoond, zou Hij jaarlijks enkele malen naar Jerusalem zijn gegaan en zou daar stellig zijn neef Johannes hebben ontmoet. Johannes, zoon van de priester Zacharias, zal in of nabij Jeruzalem hebben gewoond. Johannes was, evenals Jezus, op de hoogte van hun verhouding en beider bestemming. Maar toen Johannes Hem eindelijk ontmoette ... was hij onzeker. Niet bij de doop in de Jordaan - maar daar was een Goddelijke openbaring. Wel stuurde hij vanuit de gevangenis een vertwijfelde boodschap: bent u het die komen zou of verwachten wij een ander 14)?Herkende hij Jezus - of niet?
Er zijn meer vragen. Toen de Heiland in het openbaar begon op te treden was men blijkbaar verbaast, een (nauwelijks bekende) persoonlijkheid te horen, van wie deze kennis niet kon worden verwacht 15). Ook de scharen waren versteld over zijn leer 16).Want Hij leerde met gezag (uit de eerste hand) en niet als de Schriftgeleerden 17), die beroemde rabbijnen napraatten 18). Dit plotselinge en gezaghebbende optreden, als inzet van zijn heilswerk, verraste ook zijn stadgenoten. Ze vroegen zich af: is Hij niet de zoon van de (vroegere) timmerman Jozef 19)?En is zijn moeder niet Maria? En zijn zijn broers niet allen bij name bekend? En kennen wij zijn zusters niet?
Er is hier een verwonderd en gedeeltelijk herkennen: Hij was in elk geval in zijn vaderstad aanzienlijk minder bekend dan zijn 4 broers, zijn zusters en zijn moeder. Van zijn opleiding wist niemand iets af. Men krijgt de indruk, dat Jezus een aantal jaren buitenslands is geweest. Hetgeen bepaald zou stroken met het duidelijk gemarkeerde begin van zijn optreden, welk optreden sedertdien niet meer werd onderbroken.
Wij willen nog een voorval noemen, dat raadselachtig zou zijn wanneer onze Heer in de tussenliggende jaren in Palestina had gewoond. Toen Hij met Petrus in Kapernaum kwam (wonen), vroeg een Romeins belastingambtenaar voorzichtig aan Petrus: betaalt uw Meester de didrachmen niet? De SV zegt didrachmen, de NBG-vertaling hoofdgeld. Er zijn ook vertalers die van cijnspenning spreken, van de "halve sikkel" en van de "tempeIbelasting" (Brouwer). U weet het antwoord van onze Heer: "van wie nemen aardse koningen tol of schatting: van hun zonen of van vreemden? De zonen zijn vrij - maar om geen aanstoot te geven;"
En Petrus vond in de bek van een vis een stater, goed voor twéé hoofdgelden van 2 drachmen elk 20).Was Petrus dan belastingplichtig? Net zo min als zijn Meester.
Dikwijls is aangenomen, dat de ambtenaar om het tempelgeld van Ex. 30 : 13 vroeg. Dat was een halve sikkel (toevallig gelijk aan 2 drachmen in later tijd) en moest als losprijs worden betaald voor elke jongeman, die 20 jaar was geworden. Indien het hier inderdaad om dat tempelgeld ging zouden we meteen kunnen vragen: waar was Jezus op zijn 20e, dat Hij dit eenmalige losgeld niet op tijd heeft betaald?! Dan was bijna bewezen, dat Hij jaren lang buitenslands was geweest.
Maar zo eenvoudig is het niet. Kapernaum was een grensplaats, met een Romeins garnizoen en een douanekantoor. Van doorgaande handelsgoederen werd tol geheven, van elke reiziger een hoofdgeld. Het feit dat de vraag niet rechtstreeks aan Jezus, maar aan de '(bekende) Petrus werd gesteld, stempelt Jezus tot een half-bekende. Het was voor de ambtenaar een vráág: of Hij gast of inwoner was, belastingplichtig of niet. De vraag was zeker niet naar de "halve sikkel" - de Hebreeuwse munt, in Exodus voorgeschreven als de halve "heilige sikkel" - maar naar de Griekse didrachmen, de munt van de tijd. Het antwoord van de Heiland werd eveneens in moderne klinkende munt gegeven: een stater. En niet de "sikkel des heiligdoms", de munt die, bij de tempel, van de wisselaars moest worden gekocht!
De vraag naar een betaling van het tempelgeld zou echter een belediging zijn geweest; zou twijfel aan de nationaliteit en de besnijdenis van Jezus hebben uitgedrukt. Maar uit het overleg: of Jezus wel of niet in Kapernaum thuishoorde dan wel buitenlander was, blijkt dat men Hem niet of onvoldoende kende.
Wanneer de Bijbel dus duidelijk de mogelijkheid van een verblijf buitenslands openlaat, kunnen we verder gaan. Waar was de Heiland dan in de tijd tussen zijn 12e en 30e jaar?
De overlevering in Cornwall en Somerset zegt duidelijk: Hij was hier, in dit land, herhaaldelijk met Jozef van Arimatheaen uiteindelijk voor langere of kortere tijd in eenzaamheid. Hij was geïntroduceerd door zijn oudoom, die hier regelmatig voor de tinhandel kwam. En voor Hij zijn openbaar optreden in Palestina begon heeft Hij hier een eigenhandig gebouwde lemen hut bewoond: nabij Avalon, nu Glastonbury genoemd. Na de hemelvaart is Jozef hier met elf andere vluchtelingen komen wonen en bracht het evangelie van zijn verzoeningsdood, opstanding en hemelvaart.
Het lijkt wat erg apocrief wanneer het u rauw op het lijf valt. Maar overlevering is een taai ding. En overlevering betekent altijd: het voortleven en zo goed mogelijk doorgeven van belangrijke historische gebeurtenissen. Niet alleen door de barden - wat hebben die in dit land een rol gespeeld! - maar ook in de volkstaal is de historie blijven leven.
In Priddy, een mijnwerkersplaatsje nabij Glastonbury, zegt men vandaag nog: "zo zeker als onze Heer hier geweest is". In enkele plaatsen van Cornwall wordt vandaag 'bij het gieten van gloeiend tin een arbeidslied gezongen, waarvan het refrein luidt: "En Jozef was in de tinhandel".
Cornwall en Somerset zitten vol mijnen. Al in 1500 v.C, stonden de gebieden bekend om hun metalen. Ze waren de voornaamste leveranciers van Phoenicië. Herodotus (445 v.C.) noemde de Britse tin-eilanden, Pytheus (352-323) noemt de tinhandel, evenals Polybius (160 v.C.). Diodorus Siculus beschrijft nauwkeurig hoe het tinerts werd uitgegraven, het tin gewonnen, in blokken geslagen, gedragen en verscheept naar het Franse Morlaix, vandaar naar Marseille vervoerd op paarden, dan naar Poenicië verscheept. Nog altijd zijn er plaatsen in Somerset, die namen dragen als: Paradijs, Jezusbron en Paradijsboerderij.
Glastonbury heeft een machtige kloosterbibliotheek gehad, die met het Brits Museum was te vergelijken. Maar deze is in de 12e eeuw afgebrand - geen letter is er bewaard. Of nee, toch wel. Twee historieschrijvers hebben een aantal jaren in Glastonbury gewoond en hebben er hun werken geschreven, met alle manuscripten binnen handbereik: Gildas (516-556) en William of Malmesbury (1125, veertig jaar voor de brand). We komen op hun werken terug.
De onder ons bekende Augustinus kwam naar Engeland om dat te christianiseren.
Tot zijn verwondering trof hij in het Zuidwesten een bloeiende kerk aan. Hij schreef in 597 aan paus Gregorius: "hier hebben de eerste zendelingen (of bekeerlingen) door Gods voorzienigheid een kerkgebouw aangetroffen, niet door mensen gebouwd maar door Goddelijke constructie (of: door de handen van God), tot heil van zijn volk. De Almachtige heeft door veel wonderen en verschijningen getoond, over deze kerk te waken, welke aan Hem en zijn moeder Maria is opgedragen".
Vermoed wordt vandaag, dat de door onze Heer opgetrokken lemen hut enkele jaren later door Jozef en zijn gezellen als kapel is gebruikt. Zij hebben hier iets aangetroffen, dat van Jezus afkomstig was. De verklaring dat de kapel aan Jezus en Maria zou zijn gewijd wordt bevestigd door Maelgwyn van Llandaff (450), Wm van Malmesbury en anderen. Zeker is dan Paulinus, uit het gezelschap van Augustinus, de primitieve kapel beschermd heeft met planken en een dak. Anderen hebben de kerk nader versterkt en geconserveerd - hetgeen op grote eerbied wijst.
De reeds genoemde historicus Gildas sohrijft: "Christus, de ware Zon, schonk zijn licht, de kennis van zijn geboden, aan dit eiland, gedurende het hoogtepunt van de regering van Tiberius Caesas". - Welnu, deze keizer trok zich terug in 27 nC, stierf tien jaar later. Wanneer de kruisdood van onze Heiland in het (gecorrigeerde) jaar 30 viel, heeft onze Heer volgens Gildas vóór het jaar 27 in Glastonbury gewoond, gestudeerd, gesproken, onderwezen.
Er is nog een belangrijk getuigenis. Taliesin, die wei de vorst onder de barden genoemd is en zelf een Druïde was, schreef circa 550: "Christus, die van den beginne het Woord was, was vanaf het begin onze Leermeester en nimmer hebben wij zijn prediking verloren".
Er zijn twee koninklijke besluiten bewaard gebleven, een van koning Ina in 704 en een van koning Cnud in 1032, die beiden werden ondertekend in de (geconserveerde) kerk van "leem en twijgen" te Glastonbury. Alle genoemde handschriften bevinden zich in de bibliotheek van het Brits Museum te London. Er is nog veel meer te melden en wellioht zullen we dat ook doen. Maar we moeten concluderen.
De legende, dat Jezus als knaap of jongeling herhaaldelijk in Zuidwest Engeland is geweest, komt niet in tegenspraak met de Bijbelse gegevens - kan daar zelfs duidelijk een plaats vinden. Jozef van Arimathea was een rijk man, een vooraanstaand man; door aan Jezus de laatste eer te bewijzen gaf hij de indruk tot de naaste bloedverwanten te behoren. En als Jezus inderdaad een aantal jaren de eenzaamheid van voorbereiding heeft gezocht, kon Hij moeilijk een betere plaats vinden: op een eiland, ver van de decadente Romeinse overheersing, ver van het heidendom, de afgoderij van zijn tijd, en ver van het verfoeilijke rabbinisme, Maar wel tussen vredelievende, beschaafde mensen, wier godsdienst...zeer dicht bij Mozes stond! Trouwens: wat was de verhouding tussen Jozef van Arimathea en Jezus eigenlijk?
Noten
9) Luc. 2 : 51, 52
10) Luc. 3 : 23
11) 4 : 16
12) Joh. 4 : 46 en 54
13) Matt. 4: 13; Marc. 2: 1, Joh. 2: 12
14) Luc. 7 : 19
15) Joh. 7 : 15
16) Matt. 7 : 28; 22: 33; Marc. 1 : 22; 11 : 18
17) Marc. 1 : 22
18) Matt. 16: 12
19) Matt. 13 : 55; Marc. 6 : 3
20) Matt. 17 : 24.