"Ik kom thuis"
1982-11-19
In zijn bespreking van mijn boek "Ik kom thuis" schrijft ds O. Mooiweer “Eénmaal is de pen van de professor uitgegleden..." (Opbouw 29 okt. 1.1., p. 322, vierde kolom).- Jaargang 26
- nummer 43
Het zou me niet verwonderen, dat op zoveel bladzijden mijn pen vaker uitgegleden was. Naar het oordeel van een recensent, wellicht achteraf gezien - ook naar het mijne. Anderzijds zou ik er niet licht over denken, wanneer die "ene" keer zich had voorgedaan in het genoemde geval. Ds Mooiweer vervolgt nl. de hierboven afgebroken zin: " ...nI. als hij op pag. 94 spreekt van een voortdurende noodlottige bedreiging (cursivering van de recensent, S.). Prof. Schilder zal mèt mij van mening zijn, dat deze terminologie in strijd is met het schriftuurlijk voorzienigheidsgeloof".
Het is in het algemeen een goede regel dat een auteur niet reageert op een recensie. Maar de laatst aangehaalde volzin noopt mij er in dit geval en op dit punt wel toe. Deed ik het niet, dan zou de lezer van blad en boek kunnen denken: wie zwijgt stemt toe (de recensent zegt immers niet: m.i. komt de auteur in strijd met.Maar zoveel als: de auteur zal het met mij eens zijn dat hij in strijd komt met..) m.a.w. de boekschrijver erkent dat zijn woordkeus zich niet verdraagt met het geloof in Gods voorzienigheid. En gezien het belang 'van dit geloofsstuk zou ik zelf dat méér achten dan een 'uitglijden van de pen'.
Daarom hier mijn verzekering dat ik na herlezing van de passage concludeer dat mijn 'pen' - althans hier - niet 'uitgegleden' is. Ik gebruikte het woord 'noodlottig' in de bedoelde volzin in de zeer gebruikelijke betekenis: rampzalig.
Trouwens, àls ik door het gebruik ervan hier was uitgegleden, dan niet slechts éénmaal, maar ook reeds in de negende regel ervóór (waar ik sprak van een "noodlottig kwaad").
Overigens begrijp ik (en waardeer ik) de bedoeling van de recensent wel; hij beoordeelt - mijn hantering van - het bijvoeglijk naamwoord kennelijk vanuit het zelfstandig naamwoord 'noodlot' en dit in de heidense zin van een onafwendbaar 'fatum' o.a. zo verstaan zou ik het met hem afwijzen. Maar - nog afgezien daarvan dat ook 'noodlot' in ruimere zin gebruikt kan worden - het bijvoeglijk naamwoord impliceert in het Nederlands spraakgebruik die 'fatumgedachte niét (niet méér?).
Dit is althans mijn gedachte (waarin ik door het naslaan van enkele woordenboeken - nu pas - gesterkt word); ik verlang van ds. Mooiweer op mijn beurt niet dat hij het met mij eens moet zijn. Maar nu hij zijnerzijds mijn instemming als vanzelfsprekend veronderstelt, meen ik er niet om heen te kunnen dit misverstand uit de wereld te helpen.
Te minder waar de záák - de belijdenis van Gods vaderlijke voorzienigheid, Zondag 10 Heid. Cat. - in geding is. Nog te minder nu ik - 'toevallig' ook al zo’n voor misverstand vatbaar woord - schrijf vlak na 'Dankdag', een datum waarop we extra leren van een fatum af te zien.
Met dank voor de plaatsing,
H. J. Schilder
Kampen, 4 november 1982