God is ieder ogenblik nieuw – 3

1983-04-29
  • Jaargang 27
  • nummer 17
Wat dunkt u van de Christus - wiens zoon is Hij? vroeg de Heiland aan zijn discipelen. Dat is het laatste thema uit de gesprekken met prof. dr Edward Schillebeeokx, dat we zouden bespreken.
Het valt direct op, hoezeer E.S. de nadruk legt op Jezus' absolute mens-zijn tijdens zijn optreden op aarde. Hebben theologen in het verleden wellicht al te zeer de nadruk gelegd op zijn Goddelijke afkomst (hetgeen ondanks de beste bedoelingen afbreuk deed aan Jezus' strijd, die met menselijke krachten geleverd moest worden), E.S. gaat naar ons gevoel te ver in andere richting.
Er is een moderne wetenschap, die Jezus' woorden en daden losmaakt uit de joods-christelijke context van de eerste eeuwen. We denken bijvoorbeeld aan het boek van Van Ginkel en Pieard, "Het evangelie van Jezus". Men wil de historische Heiland "uitpellen" uit het pakket van overleveringen en verhalen van de eerste generaties ná de oog- en oorgetuigen. Toegegeven dat het aldus geretoucheerde portret scherp en zuiver de persoon en het werk van onze Heiland weergeeft - de weglating van wat verder is overgeleverd vervult ons tooh met huiver.
E.S. gaat van deze critische Evangelie-lezing uit. Hij ziet dan ook maar twee "echte wonderen" in het Evangelie; de andere, meent hij, zijn door de eerste generaties ingelaste illustraties van Jezus' optreden, maar komen niet boven het niveau van de Joodse wonderdoeners van die dagen uit (33-40, 51).
De bestudering van de moderne exegeten maakte hem duidelijk, dat deze het evangelie in zijn anders-zijn "In bescherming hadden genomen, 35. Daardoor ontstond een breuk tussen de oorspronkelijke eenheid van tekst en lezer, van bijbel en kerkelijke geloofsgemeenschap". "Het heden van de exegeet dreigde normatief ten aanzien van de tekst te worden". Net zo, meent E.S., hebben de liberaal-critische exegeten van de vorige eeuw hun eigen liberale 19e eeuwse idealen in Jezus geprojecteerd. Daarom probeerde E.S. - via een bistoisohcritische methode als hierboven omschreven - tot een herstel van de oorspronkelijke verbinding tussen Bijbel en geloofsgemeenschap te komen. Hij hoopt in zijn benadering van de historische Jezus "de weg vrij te maken voor een nieuw samenspel tussen tekst en lezer, zodat de lezer wordt gesämuleerd tot persoonlijke en maatschappelijke emancipatie en bevrijding" (36).

Het zal duidelijk zijn geworden, dat wat E.S. doet wetenschappelijk-theologisch wellicht geoorloofd is, maar dat hij langs afgronden gaat. Hij weigert de aangeboden rekening dan ook niet; de tekst uit Hand. 4: 10 "in niemand anders \ligt de redding" - waarmee hij zijn boek "Jezus, het verhaal van een Levende" begint - levert hem enig wetenschappelijk bezwaar "omdat het exclusivistisch is geformuleerd". Maar tegelijk, voegt hij er aan toe, "stel ik mijn critische houding onder het gezag van de joods-christelijke traditie" (wetend dat ook een eeuwenlange traditie er naast kan zijn), 38. En, in het midden latend, de historiciteit van Elia's hemelvaart zowel als Jezus' verrijzenis (40) - belijdt hij: "in Hem werd duidelijk, dat Godzelf heil, universeel heil is voor álle mensen.
Dat werd in Hem duidelijk" (41-46). Toch blijft het alles bij een opstandingsverhaal (47). En vergelijk dat met 1 Cor. 15!
Wiens Zoon is deze Jezus nu, volgens E.S.? De theoloog wijst op het Onze Vader. Jezus zegt Abba tegen God. Men heeft wel gemeend dat dit woord op zijn unieke Zoonschap zou slaan (50). Maar tegelijk leerde Hij ook ons "abba" te zeggen, hetgeen ons evenzeer kinderen Gods maakt. Hij sprak van "mijn Vader en jullie Vader" en in tegenstelling tot die theologen, die hierin een scherp onderscheid tussen het ene en het andere Vaderschap maken, zegt E.S.: binnen het Johannes-evangelie is het duidelijk "mijn Vader is nu ook jullie Vader geworden" (58). "Door de prediking van Jezus, die de discipelen bebben gehoord en waarop ze zich bekeerd hebben", 58. Hierdoor zijn ook zij "uit God geboren", 59.
Toch blijft E.S. om de vraag heen cirkelen. "Het N.T. maakt duidelijk, dat de zending van Jezus gefundeerd is in een intieme relatie met God" ... "zoals ook de zending van Mozes, die met God omgaat als een vriend", 59. De ene hand neemt terug wat de andere schijnt te geven.
Hoewel in latere N.T. gegevens de hoogheidsntels groeien en er een paar teksten zijn, waar "enigszins gezegd wordt: Hij is God" - wijst E.S. op Paulus, die Jezus als ondergeschikt aan de Vader tekent en op Johannes, die Jezus' woord noteert: "de Vader is groter dan ik". Jezus blijft daarom voor E.S.' besef "Een mens die, dat wel, in een unieke relatie tot God staat; welke - dat zou ik willen beklemtonen - van een mystrieuze aard is, die wij theoretisch niet kunnen definiëren", 59. Aan de ene zijde: Jezus als unieke Zoon Gods te zien is volgens E.S. een 4-5de eeuwse denkwijze van Chalcedon; aan de andere zijde: "richt het dogma, de belijdenis, ons geloof, waarin het dogma een belijdenisformule is binnen een heel bepaalde midden-platoons filosofische vraagstelling", 60.

Dat Jezus, als Zoon van God, "een in wezen met de Vader is", zoals de geloofsbelijdenis van Nicea (325) ons doet nazeggen, acht E.S. "een poging om de dimensie van intimiteit tussen "Jezus en de Vader onder woorden te brengen".
In de geloofspraktijk aanvaardt E.S. deze belijdenis. In zijn theologische arbeid onderscheidt hij - en wel naar de Schrift - dat dezelfde Jezus, die "in wil en doen een is met God" - ook gebeden heeft: "niet mijn wil geschiede maar Uw wil".

En toch zou E.S. het kerkelijk credo niet willen vernieuwen, niet willen wijzigen, 61. "Oude formules hoeven niet bestreden te worden: ze spreken de christelijke boodschap uit op een wijze, die voor een bepaalde tijd kenmerkend en bepalend is geweest; en daarin zijn ze voor ons nu nog een baken", 62."Je kunt de mens Jezus in zijn eigenheid niet verstaan, tenzij als het definitieve centrum van de openbaring van het wezen van God Zelf. Gods wezen is mensenliefde; Jezus' leven is evenzeer mensenliefde, in identificatie met zijn Vader. Je moet naar de mens Jezus zien, om te weten wie God is", 63.

"Geloven in God betekent voor mij geloven in de universele heilswil van God.
Geloven in God is de grondslag van mijn hoop op een menselijker wereld. Als je dat stelt, betekent dat dat het heil van Godswege in de geschiedenis door mensen gemaakt wordt. De geschiedenis is heiloof onheil, geen neutraal gegeven.
Een bevrijdingsbeweging als in Nicaragua is geen neutraal gegeven, dat is heil of onheil", 126. "Als het alleen maar een machtswisseling rou blijken te zijn, moeten wij uit naam van het evangelie daartegen protesteren", 127.
Voor in het boek is een getekend portret van dr E. Schillebeeckx afgedrukt: een markante, niet-onvriendelijke, zeer menselijke mannenkop. Het portret is hem door vrienden aangeboden. Wederkerig bood E.S. op verzoek van zijn ondervragers een "psalmgebed" aan het eind van dit boek aan. Er staat boven "Wees niet bang". Wie dat aandachtig en eerbiedig leest - beter: meebidt - zal in E.S. een diepgelovig en van Gods genade afhankelijk mensenkind herkennen.

Kortom, prof. Schillebeeckx is een interessant mens, een ketter in alle betekenissen, een wetenschapsman, een knap theoloog drie konsekwenties aandurft waar elkaar-nasprekende theologen niet aan zouden denken, iemand die soms op gespannen voet met het bijbelwoord staat, maar tegelijk iemand die zijn mede-christenen aan het lezen, denken en geloven zet: teneinde hem zijn geloof in daden van gerechtigheid te doen beleven.

Dat laatste lijkt ons het beste. Een kerk, die ons tot zuiver maar onvruchtbaar geloof brengt, doet haar plicht niet. De Heiland gebood zijn discipelen: "maakt al de volgen tot mijn discipelen, doopt hen, en leert hen onderhouden wat Ik u geboden heb". In het doen van Gods geboden ligt groot loon. Wij moeten, als we geloven, dat geloof tonen in daden van dankbaarheid. Zo veranderen wij onszelf, zo veranderen wij de wereld. Zo worden wij Gods mede-arbeiders.
En daar spoort E.S. toe aan. Zo ziet hij - zo zien wij - Gods koninkrijk komen.

Vermoedelijk zal niemand het ons kwalijk nemen, wanneer wij de vraag naar het Zoonschap van Christus tenslotte nog uit de Schrift beantwoorden. Simon Petrus antwoordde: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!"
Jezus zei: "ZaIig, Simon, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is:"

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief