Een ABC van het Nieuwe Testament
1983-04-29
Kennen en kennis- Jaargang 27
- nummer 17
Om te verstaan wat de betekenis van deze woorden in het N.T. is, lijkt het me wel nodig kort na te gaan, wat zein het O.T. betekenen. Evenals met veel woorden van het N.T. het geval is, hebben bovengenoemde woorden de "kleur en geur" van het O.T. om zo te zeggen.
Wat nu "kennen" in het O.T. betreft, dat is heel iets anders dan verstandelijk weten. Het is een leren kennen door er mee om te gaan, Om iemand te kennen moot men hem of haar hebben ontmoet. Het is niet maar weten-van-horen-zeggen of een weren in theorie. Het heeft met de praktijk van het leven te maken. Het verstand is er niet all1leenbij betrokken, maar heel de persoon naar verstand, wil en gevoel. Het betekent ook vaak een leven-met en een meeleven-met God kent zijn volk, dat wil zeggen: Hij ziet in liefde op hen neer, zorgt voor hen. Als er in Psalm 1 staat, dat God “de weg der rechtvaardigen kent", dan wil dat zeggen, dat Hij met hen meegaat in al hun doen en laten en dat Hij hen echt doet leven. Terwijl de weg der goddelozen onder Zijn toom vergaat. Hun weg loopt dood, hun leven goot te gronde.
Als er staat in Spreuken 3: “Ken Hem in al uw wegen en Hij zal uw paden recht maken", dan wil dat zeggen: Rekent met God bij al uw doen en laten en bij al wrat u overkomt. Dan zal Hij u er door helpen. Het zal niet altijd langs effen paden gaan, maar het einde van al uw wegen zal goed zijn. Gij komt er door.
Wij kennen die betekenis ook wel in ons spraakgebruik. In een goed huwelijk zal de man z'n vrouw in alles kennen. Hij zal met haar overleggen en met haar rekenen. En zo ook omgekeerd zal een goede vrouw haar man In alles kennen. Ja, dat geldt ook in het omgaan van de rechtvaardigen met hun vee. Toen indertijd een boer z'n vee in de winterse kou en sneeuw liet omkomen, om zo te zeggen, vond hij op zekere morgen een opschrift op het hek: "De rechtvaardige kent het leven van z'n beest, maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed". Ook in die uitdrukking betekent kennen zoveel als zorgen-voor, omzien-naar, meeleven-met.
Die "kleur" heeft het woord ook in het N.T. Als er in Matth. 7 : 23 staat:
"Ik heb u nooit gekend", dan wil dat zeggen: Ik heb nooit iets van u gemerkt.
Gij, werkers van ongerechtigheid, hebt mij niet gekend en Ik u niet. We hadden niets met elkaar van doen. Datzelfde vinden we ook in Matth. 25, als de Here tot de dwaze meisjes zegt: "Ik ken u niet". Zij hebben immers niet gerekend met de onverwachte komst van de bruidegom, ze hebben daarmee geen ernst gemaakt.
Als we lezen in Joh. 1 : 10, dat de wereld het vleesgeworden Woord, de Christus, niet heeft gekend, dan wil dat zeggen, dat de mensen over het algemeen van Hem niet wilden weten.
Als de Heiland in Joh. 10 zich de goede Herder noemt, dan zegt Hij in vs. 14: "Ik ken de mijnen en de mijnen kennen mij"; dan is de zin daarvan: Ik zorg liefdevol voor hen, want Ik stel mijn leven voor hen. En zij kennen mijn stem en zij volgen mij. Zij weten niet alleen met hun verstand wie Ik ben. Maar zij volgen mij in de praktijk van het leven. Ik ga met hen om en zij met mij.
Onze kennis van God en van de Here Jezus is geloofskennis. Niemand heeft ooit God gezien. En wij zien de Heiland ook niet. We kennen niet door aanschouwen, maar door geloof. Hij spreekt tot ons door het Evangelie en wij spreken tot Hem in onze gebeden. Er zijn geleerden geweest, die veel wisten van God, naar ze beweerden. Een in de kerkgeschiedenis bekende prof. die om zo te zeggen wist hoe God in elkaar zat, leefde, naar een tijdgenoot van hem vertelt, een "beestachtig leven". Als dat waar is, dan heeft hij de HERE niet gekend. Want wie de HERE kent staat af van ongerechtigheid. Zo lezen we in 2 Tim. 2 vs. 19: "De Here kent de zijnen (leeft met hen mee, zorgt voor hen) en: leder die de naam des Heren noemt, brem met de ongerechtigheid".
Nu is er ook sprake in de Schrift van een kennis, die opgeblazen maakt. In Col. 1 heeft Paulus gesproken over de echte kennis der gelovigen: "Wij houden niet op voor u te bidden, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God". Maar in hfdst. 2 waarschuwt hij voor een gevaarlijke wijsheid, die is naar overlevering der mensen en die zich bezig houdt met “wereldgeesten". Ik zou liever vertalen met: menselijke voorschriften. Wat dat precies is geweest, daarover zijn de verklaarders het niet eens. Waarschijnlijk had het te maken met Vlasten, eten en drinken en bepaalde dagen, die men moest vieren. Panles spreekt van "gewilde nederigheid en engelenverering en van inwijding in mysteriën".
In m'n pastorale praktijk ben ik wel in aanraking gekomen met een kennis, die opgeblazen maakt. Een zogenaamde kennis van God en de Here Jezus, door direkte belevenis, buiten het geloof en het Evangelie om. Eens had ik een gesprek met een "ingewijde", zal ik maar zeggen. Hij waarschuwde z'n familie, dat zij loog niet gekend hadden wat gekend moest worden.
Men vroeg mij eens naar hem te luisteren. Ruim een uur, misschien wel twee boorde ik hem aan. Hij legde voor de familie en mij "de weg" uit.
Wet hij allemaal had ondervonden: Hemelse optrekkingen en helse aanvechtingen.
Om met Paulus te spreken was hij in de derde hemel geweest.
Maar ook had hij visioenen gehad van het dodenrijk. Hij had een stem gehoord, die zei: "In mijn handpalmen heb ik u gegraveerd" en dergelijke.
En nu wist hij dat hij uitverkoren was en hoefde hij nooit meer iets te vrezen. Onfeilbaar kwam hij in de hemel.
Tegen etenstijd moest ik gaan. Ik zei, dat ik er niets van begreep en dat ik zulke ervaringen niet had. Maar dat ik twee dingen had gemist: Hij had niet gesproken van het Evangelie der genade èn hij had het geloof niet genoemd. Terwijl ik meende dat dit de weg was: Geloof het Evangelie van de Heer Jezus en gij zult behouden worden.
Zijn antwoord was: Dat hoort er ook wel bij, maar er was veel méér nodig en det meerdere had hij nu uitgelegd. Ik sprak hem niet weer. Maar hoorde later, dat hij donker was heengegaan. Was het alles wel ècht geweest?
Een ander geval herinner ik mij. Iemand had zekerheid gekregen van z’n heil op een bepaalde dag, de plaats wist hij nog precies, want toen had hij een inspraak gehoord van "Jij bent een kind Gods" of iets dergelijks. Nu was hij binnen. Bidden deed hij niet meer, naar de kerk gaan had geen zin en zijn bijbel was een boekje van de een of andere oud-vader, waarin zijn weg was beschreven. Intussen stond hij bekend als een gierigaard eerste klas. Hoe het met hem is afgelopen weet ik niet meer. Maar het christendom van sommige streken is puur heidendom. Het heeft veel van heidense mysteriën. We kennen God niet anders dan in het aangezicht van Jezus Christus. Wie Hem gezien heeft, wie Hem gekend heeft, heeft de Vader gezien. Rechte kennis van God is geloofskennis.
En als we de HERE kennen dan kennen we ook de zonde. Zonde-kennis is ook geloofskennis. "Tegen U heb ik gezondigd" erkent David. Het erge van de zonde is dat ze tegen Gods wil ingaat en tegen walt Christus ons beveelt. Hoe zullen we dan onze zonde en ellende recht kennen als we de HERE niet kennen ?
In sommige kringen meent men, dat zonde-kennis vooraf gaat en vooraf moet gaan aan het geloof. Meermalen verzekerde mij een broeder of zuster, dat hij of zij nog niet tot echt geloof was gekomen, maar dat: hij of zij wel wist een slecht mens te zijn. Heel duidelijk staat mij nog voor de geest het volgende. Een broeder, wiens naam ik nog ken, kwam mij eens vermanen, dat ik in de prediking er "meer op moest timmeren". Want wij mensen waren toch zo grondeloos en diep verdorven. Hij was ook een slecht mens.
Op m'n vraag waarin z'n slechtheid dan wel bestond, antwoordde hij: ,,'k ben zo slecht, dat ik dát niet eens weet". Waarschijnlijk een akelig grapje om aan een antwoord te ontkomen. Toen ik daarop zei, dat hij nogal. vast zat aan z'n geld, werd hij goed kwaad. En wilde weten wie mij dat had verteld!
Hele generaties van kerkgangers horen blijkbaar graag, dat de preekheer hun voorhoudt hoe slecht en verdoemelijk ze wel zijn. Ben zeer-zware oudgereformeerde voorganger kon, naar men zei, machtig preken. Hij kon zo het oordeel aanzeggen, dat de "pannen ratelden op het dak", Het was alsof het donderde en bliksemde in de kerk. Toen ik eens een lid van de geref. kerk vroeg waarom hij graag naar die do. luisterde, was het antwoord: "Je kunt er zo lekker griezelen!" Ik denk dat veel bioscoopbezoekers het ook zo lekker vinden om naar een griezelige oorlogsfilm te kijken.
Ze slapen er rustig om en ze trekken zich van deze dingen niets aan.
Trouwens dat wordt door die "slechte" schare ook rustig aangehoord.
Men is toch verkoren óf verloren. Dat staat volgens een noodlotsleer in een zogenaamd christelijk gewaad al van eeuwigheid vast. Daaraan is nu eenmaal niets te veranderen. Wat kan men anders doen dan maar afwachten?
Ze worden er niet koud of heet van. Behalve sommige ernstige hoorders, die zich zulk een prediking wèl aantrekken. Ze komen nogal eens in Ermelo terecht.
Een algemene belijdenis, dat men toch zo slecht is en zondigt "met gedachten, woorden en daden", is denk ik de HERE niet aangenaam en brengt de belijder niet verder. 't Is trouwens de vraag of men het echt meent. Laten we ons er aan wennen met naam men toenaam te belijden wat we misdeden. Zoals Achan bij Jericho.