Boekbesprekingen

1983-04-29
  • Jaargang 27
  • nummer 17
Ter introductie van "Stonden Zijn voeten op Engelse bodem?" van D. W. L. Milo.

Met genoegen voldoe ik aan het verzoek van de sohrijver zijn brochure uitgegeven bij drukkerij "Steenbergen" onder de titel "Stonden Zijn voeten op Engelse bodem?" aan te kondigen.
De lezer van "Opbouw" zal weten, dat bet hier gaat om een serie artikelen, enkele maanden geleden in ons blad gepubliceerd. De schrijver heeft ze nu a titre personnel in brochure-vorm laren drukken.
De titel (niemand ontga het vraagteken) schijnt op het eerste gezicht apocrief. Vergis u niet: we kennen een aantal apocriefe boeken van het N.T., door geen protestant en evenmin door de R.K. kerk zelfs maar als deuterocanoniek aanvaard. Ook daarin staat heel wat over Jezus in zijn jonge jaren, vóór zijn publieke optreden.
Prof. dr P. A. van Stempvoort schreef o.m. hierover in zijn boeiende boek "Waarheid en Verbeelding rondom het Nieuwe Testament". Ik citeer: "De allesbeheersende tendens van de apocriefen is deze, dat zij onze menselijke nieuwsgierigheid willen bevredigen.
Zij willen ons inlichten over allerlei h1iattenen donkere plekken in het Nieuwe Testament, over alle zaken waarover de bijbel zwijgt" (pag. 19).
We krijgen dan ook allerhande wonderverhalen te horen, wonderen bijv. die de kleine Jezus, spelend met zijn vriendjes, verrichtte.
Over dergelijke zaken handelt de brochure beslist niet. Zij gaat uit van wat in Engeland (het land van de traditie) aan overlevering bestaat - en dat blijkt veel te zijn. Als een eerste specimen noemt de schrijver het gedicht "Jerusalem" van William Blake, Al ligt toevalligerwijze op mijn bureau "Het complete grafische werk van WJilliam Blake", ik acht mij niet competent een oordeel te vellen over de vraag of diens werk mythologisch, mystiek, symbolische moet worden geacht.
Maar het lijkt mij onwaarschijnlijk, dat een dichter als Blake in een land met zoveel hardnekkig bewaarde traditie bij toeval een lied dichtte, waarin hij van Jezus' voetsporen in Engeland gewaagt.
De sterke kant van deze brochure is m.i. de uitvoerige documentatie vanuit een veelvoudige traditie. Geen spoor daarvan is prima vista in de H. Schrift te vinden - toegegeven. Maar evenzeer is waar, dat de bijbel ruimte laat voor een verblijf van Jezus buitenslands.
Overweging van die mogelijkheid kan leiden tot verheldering van verschillende Schriftplaatsen, zoals de schrijver laat zien.
Een goede zaak is, dat hij uitgaat van wat we belijden in art. 7 van de NGB: "We geloven, dat deze Heilige Schrift Gods wil volkomen bevat en ons voldoende onderwijst van al wat men geloven moet om zalig te worden" (vert.
C. Vonk). Hij is niet uit op het aandrogen van nieuwe heilsfeiten zo min als van overdreven wonderverhalen.
Het is zelfs zo dat de schrijver in het laatste hoofdstuk ("Voorlopige afsluiting") zelf de nadruk legt op voorzichtigheid inzake de overlevering om zijn eigen (niet gedrukte) woorden te gebruiken: het gaat over geschiedenis rond de heilsgeschiedenis.
Aan het evangelie wordt in geen enkel opzicht tekort gedaan. Tegelijk is waar wat de schrijver zegt: "Er is veel materiaal aangedragen, dat gedeeltelijk fonkelnieuw voor onze lezers moet zijn". Ik denk, dat vrijwel ieder dat zal beamen - en het is een compliment voor de schrijver.
Daarom hoop ik, dat het niet bij een "voorlopige afsluiting" blijft en dat er een vervolg komt. In een "weekblad tot opbouw van het gereformeerde leven" is m.i. ruimte genoeg voor zulke verrassende artikelen. Want ook analyse van traditie, mits genormeerd aan Gods Woord, kan Ons inzicht in de wereldgeschiedenis (ons verleden) verrijken.
Berust onze hedendaagse kennis op.
allerlei gebied niet op wat ons op welke wijze dan ook is overgeleverd?
U begrijpt: graag beveel ik lezing en herlezing van deze brochure aan.
Kritische lezing (garantie voor mee en doordenken) wordt zeker door de schrijver op hoge prijs gesteld, Deze brochure is te bestellen door overmaking van f3,25 per ex. op girorek. 575663 t.n.v. G. de Kruijf, Waterhoenlaan 60 te Zeist.

E. R. Postma, Eindhoven

Aseneth, Jozef en Baruch

"Toen Aseneth Jozef zag, drong een diepe smart haar ziel binnen, haar hart trilde, haar knieën knikten; zij beefde over haar hele lichaam en grote vrees overviel haar. Zij zuchtte en sprak: "Waar zal ik heengaan en waar mij voor zijn aangezicht verbergen?
Want hoe kan ik Jozef, de Zoon van God, nog onder ogen komen, nu ik kwaad van hem heb gesproken?
Waar zal ik heenvluchten en waar mij verbergen, want hij ziet elke schuilplaats en niets van wat verborgen is ontgaat hem, dankzij het grote Licht dat in hem is ... "
Een citaat uit het werk Jozef en Aseneth, dat in de tweede eeuw van onze jaartelling moet zijn ontstaan. Het verhaal is - zij het met een zeer dunne draad - verbonden aan het Bijbelse verhaal van Jozef in Egypte, waar we in Genesis 42 : 45 van Jozefs huwelijk lezen.
In dit verhaal weinig over de Bijbelse Jozef. De vertaler van het werk omschrijft het als "een sprookje, een liefdesroman en een mystiek-gnostisch geschrift" enerzijds en als "een ridderroman" anderzijds. (12) In elk geval komen in dit geschrift, dat volgens deskundigen van joodse oorsprong moet zijn, allerlei geestelijke elementen naar voren.
Aseneth, de dochter van een Egyptische priester, moet haar afgoden wegdoen alvorens ze Jozef kan huwen.
Evenzo moet de gelovige zich van alles ontdoen dat hem verhindert de waarheid te zien. (In de inleiding lezen we dat in gnostiek taalgebruik "Egypte" geregeld verwijst naar de materiële wereld. (16, 21, 22».
In het verhaal komen we engelen tegen en twaalf mannen die met Jozef meegaan. (de vertaler meent dat die twaalf te verbinden zijn met de twaalf tekenen van de dierenriem. (24, 47) In het stuk is sprake van "klederenmystiek" (19) en "links" en "rechts" komen voor, als aanduiding van resp. vrouwelijk en mannelijk.
Naast deze hoog-geestelijke duiding is het verhaal wel aardig, soms wonderbaarlijk en niet buitengewoon pretentieus.
Het verhaal loost gemakkelijk.
Iets zwaarder kost vond ik de Apokalyps van Baruch, het tweede verhaal In het hier besproken boek. In de inleiding op dit werk lezen we: "De Apokalyps van Baruch behoort met IV Ezra en Henoch tot de belangrijkste openbaringsgeschriften uit de intertestamentaire tijd. (ca, 200 v. Chr. - 100 n.Chr.)." (63) Het uit zeven delen bestaande verhaal neemt in ons boek 50 pagina's in beslag, waarbij nog gevoegd 9 bladzijden inleiding en 15 bladzijden notities. Het is interessante literatuur, voor wie belangstelling heeft, of denkt te hebben, voor joodse apokalyptiek.
Pseudepigrafen deel 2 is een keurig uitgevoerd boek, goed "vertaald, ingeleid en toegelicht" door M. de Goeij. (Een paar keer had ik bij zijn inleiding overigens wel wat vragen.) Het boek is onderdeel van een serie, waarin o.a, ook het eerste deel van de Apostolische Vaders, waarover ik enige tijd geleden een positieve beoordeling schreef. Dit deel telt 143 pagina's. De prijs: f 24,50. Het boek is niet echt goedkoop te noemen.

P. J. van Kampen, Zeist

De bevinding in de prediking

De contribuanten van de Willem de Zwijgerstichting (adres Postbus 642, 7300 AP Apeldoorn) ontvingen enige tijd geleden een brochure van 40 blz.
onder bovenstaande titel, geschreven door dr A. van Brummelen, Ned. Herv. predikant te Huizen.
Deze Stichting heeft ten doel verdieping en versterking der reformatorische beginselen in ons volksleven, alsmede de verlevendiging van het historische besef en verdediging van het protestants-nationaal karakter van ons volk, gelijk dit onder invloed van de Hervorming en onder leiding van Oranje zijn stempel ontving. Jaarlijks verschijnen daartoe twee brochures, die U ontvangt tegen een bijdrage van f 10,-.
Nu lijkt het me, dat het geschrift van dr Van Brurnmelen en het doel van de Stichting elkaar niet dekken. De bespreking van het onderwerp is n.l. niet beheerst door de reformatorische beginselen, maar door wat via de "nadere reformatie" (midden 17e eeuwen daarna) de kerken is binnengedrongen.
Typerend voor de reformatie was: de terugkeer tot Gods Woord. Geschriften uit de 16e eeuw leggen daar getuigenis van af. Merk b.v. op hoeveel tekstverwijzingen de formulieren van enigheid, evenals de oude liturgische formulieren, bevatten.
De geschriften uit de tijd van de nadere reformatie leggen veel meer nadruk op de "godsdienstige beleving"
van de christen en dit laatste neemt ook in de onderhavige brochure een grote plaats in.
"Bevinding wordt gezien als beleving van het geloof" en dat heeft een naar binnen gerichte kant (een op ons hart betrokken ervaring) en een naar buiten gerichte zijde (goede werken). De brochure bepaalt zich vooral tot die geloofservaring, die in de prediking een duidelijke plaats moet hebben.
Waarom? Nadat in de Woordbediening aandacht is gegeven aan wat de HERE deed en voor Zijn gemeente doet (voorwerpelijk), moet ook gesproken worden over de genadewerking "in het hart van de mens" (onderwerpelijk).
De "bevindelijke toeeigening" van de Waarheid behoort telkens te worden beklemtoond. Daaruit zal moeten blijken de echtheid van het geloof.
Dit alles laat de schrijver nauwelijks vanuit de Schriften zien, Meer aandacht ontvangt de confessie en nog meer regels zijn gewijd aan klassieke geschriften: van Calvijn, Bunyan en Wilhelmus à Brakel. Aansluitend aan de door laatstgenoemde en zijn 17e eeuwse collega's beoefende scholastiek, volgt dan een schematisering: een buitenhof der bevinding (aanvechtingen) en een binnenhof (de werkingen des Geestes), terwijl renslotte een "model" van bevindelijke prediking volgt door een schets te geven van een preek van ds J. J. Knap Czn., een bekende publicist uit de jaren 1920/1930.
Het laatste hoofdstuk bevat een (,terechte) afwijzing van de ervaringstheologie, zoals Dorothe Sölle die presenteert. Maar moeten we ons daartegen afzetten door iets als een "bevindingsheologie? Ik zet dit met opzet tussen haakjes, omdat de schrijver dat zo niet doet; wel vraag je je af waarom mevrouw Sölle ten tonele moest komen.
Betere remedie (en de enige) is: luisteren naar Gods Woord, dàt ter harte nemen, het dóen, dàt moet je leven beheersen; Psalm 119 is één doorlopend loflied op de rechte bevinding.
Calvijn schreef (Institutie, lIl, 1I, 6) dat het Woord als een spiegel is, waarin het geloof God aanschouwt. Dat geloof is een kennis van Gods wil jegens ons, die uit zijn Woord verkregen is. En het fundament daarvan is een vaste overtuiging van de waarheid Gods.
In de vorige eeuw heeft dr A. Kuyper daarover breedvoerig onderwijs gegeven.
Prof. Veenhof deed daarover een boekje open in "Predik het Woord" (Goes, 1942). Daaruit nu enkele aanhalingen, betrekking hebbende op het besproken onderwerp: "Ge kunt u, niet waar, het werk en de waarheid Gods denken zoals die buiten u liggen en zonder u bestaan, zodat, al vielt gij weg, of al waart gij er nooit geweest, dat werk en die waarheid Gods toch een en hetzelfde zouden blijven. In die zin nu genomen, noemt men dat werk en die waarheid Gods voorwerpelijk, daarmede bedoelende dat ze aan onze blik voorgeworpen worden. Voor de huisdeur van uw persoon; niet er binnen".
"Maar nu kunt ge u ook dit werk en deze waarheid Gods op andere wijze huisdeur opendoet, ze binnenlaat, en als nu dat werk Gods alleen bestaat voorzover het in u werkte en gij dit merkt, en nu die waarheid Gods alleen bespreekt voorzover gij ze in u opnaamt, ze kent en ze belijdt. In oot geval nu wordt dat werk en die waarheid Gods met genomen als een voorwerp dat buiten u maar in u als onderwerp ingebracht, en daarom heet zulk een beschouwing dan onderwerpelijk."
Even verder: "Noch de voorwerpelijke, noch de onderwerpelijke lijn mag bij de Dienst des Woords de richting bepalen (... ) De waarheid wordt door God zelf in Zijn Woord naar de mensen toegebracht en voorgehouden.
God grijpt de mensen met we waarhéid aan. Ze worden er in betrokken, er door verantwoordelijk gesteld." (blz. 137 e.v.).

M. de Jonge, Voorburg


DAGBOEKNOTITIE

Vandaag
is er een preek geweest
waarin
alleen door God
wat werd gezegd.

Ik werd
van iemand
die luistert
verandert
in iemand
die hoort:

een en al oor
omdat er een en al Woord was.

Woord was
een en al
en allesomvattend
erbarmen in Christus
en er stond
niemand vervelend te doen
over zondebesef of zo,
alsof dat een deur was.
Ik ging stil naar huis,
omdat ik al binnen was
eer ik het wist.

Uit: "En toch ... " - Geert Boogaard.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief