Naar een eenheid waar je stil van wordt... (4)

1982-11-26
  • Jaargang 26
  • nummer 44
De eenheid van de gelovigen onderling (20 - einde)
In deze verzen wordt de eenheid gekarakteriseerd, waar het ons eigenlijk om gaat, de eenheid van "hen, die door hun (nI. van de apostelen) woord in Mij geloven" (20). Daarom lijkt het mij goed even op een rijtje te zetten, wat we tot zo ver door 'gewoon' te lezen hebben gevonden.

1- 6: volkomen eenheid tussen de Vader en de Zoon bij de zending van Jezus in de wereld. Daarbij valt de nadruk op het werk van de Vader Hij heeft aan de Zoon werk opgedragen, daartoe aan Hem macht gegeven en mensen, en Hij zal verheerlijkt worden door nu de Zoon te verheerlijken. Daarnaast wordt reeds een aanduiding gegeven van de eenheid der gelovigen zelf.

6-13: volkomen eenheid tussen de Zoon en de Vader bij Jezus' werken in de wereld, Daarbij valt de nadruk op het werk van de Zoon: Hij heeft wat de Vader Hem gegeven heeft, doorgegeven aan de mensen en deze mensen voor de Vader bewaard. Daarbij wordt ook reeds enigermate getekend de eenheidsrelatie: de Zoon - de mensen - de Vader. En reeds hier bidt Jezus, ziende op de tijd waarin Hij niet meer in de wereld is, voor de eenheid van de discipelen, en wel zoals de Zoon en de Vader één zijn.

13-20: volkomen eenheid tussen de discipelen en de Zoon doordat zij Jezus' blijdschap ten voile in zichzelf mogen hebben, zoals zij geroepen zijn om zijn werk in de wereld voort te zetten. Met het oog daarop moge de Vader hen bewaren voor de boze, hen heiligen door zijn waarheid, zoals ook de Zoon Zichzelf voor hen heiligt, opdat zij geheiligd zijn. Ziet u ook hier de eenheid: de discipelen-
de Zoon - de Vader, samenwerkend aan de bouw van een nieuwe gemeenschap?

Voor deze gemeenschap wordt in onze verzen gebeden, dat zij één moge zijn. Daarbij moeten we er op letten, dat het betreft de gemeenschap van "hen die door hun woord in Mij geloven".
Zoals Jezus zelf de naam van de Vader geopenbaard heeft aan de mensen (6) en de woorden van de Vader aan hen gegeven heeft (8), zo zal ook in de komende tijd door het woord der apostelen deze gemeenschap worden gevormd. Daarom bidt Jezus, dat zij allen één zijn "Gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U" en dan volgt er nog: "dat zij ook in Ons zijn". Hier mogen we zeker denken aan de waarschuwing van het begin "dat onze gedachten zich niet zouden laten meevoeren door de ons zo vertrouwde klanken".
Want maken we ons eigenlijk wel een voorstelling van de betekenis van de woorden: "Ik in U" of, wat bij ons nog vreemder overkomt, "zij in Ons"? We hebben zo gauw de gedachte: hier naderen we zo dicht tot de heilige God, dat al onze woorden, onze uitleggingen bij voorbaat ontoereikend moeten worden verklaard. Zo lezen we in de commentaar van Prof. Grosheide bij dit vers: "Mensen zijn niet in staat de betekenis van deze uitdrukking (De Vader is in Hem en Hij in de Vader) te omschrijven".
Daartegenover meen ik, dat Jezus zijn gebed spreekt ten aanhoren van zijn discipelen, om hen daarmee te bemoedigen en te onderwijzen. Dezelfde Prof. Grosheide schrijft dan ook bij vs. 13: "Jezus' spreken dient om de discipelen blijdschap te verschaffen" en ook: "De discipelen moeten ook deze bede van Jezus kennen". Welnu, dan mogen we zeker een poging doen om de karakterisering van de eenheid der gelovigen, die Jezus hier geeft, te verstaan en zo helder mogelijk te omschrijven.


Het wezen van de eenheid der gelovigen (21 a)
Voor het verstaan van Jezus' kenschetsing van de eenheid der gelovigen: "één gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn" kan het overzicht van de inhoud van Jezus' gebed tot hiertoe ons goede diensten bewijzen.
Daarin wordt de lijn zichtbaar in de tekening van de eenheid: Vader - Zoon; Zoon - Vader; discipelen- Zoon - Vader. U ziet, dat de volgorde in vs. 21 precies dezelfde is.
Bovendien spreekt Jezus hier woorden, die voor zijn discipelen helemaal niet onbekend en onbegrijpelijk klinken. Want nog kort tevoren, in de afscheidsprediking (14 : 10 en 20), heeft Jezus naar aanleiding van een vraag van Philippus hierover uitvoerig gesproken. In vs. 10 legt Jezus zelf daar uit, wat het betekent dat de Vader in Hem is: "De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet, maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken". En in vs. 20 voegt Hij daaraan toe: "Te dien dage nl. na ontvangst van de Heilige Geest) zult gij weten, dat Ik in de Vader ben en gij in Mij en Ik in u". Misschien zegt iemand: dan is zo juist ten onrechte beweerd, dat deze woorden in hoofdstuk 17 'niet onbegrijpelijk' klinken voor de discipelen.
Want de Geest is nog niet uitgestort. Maar zo moel'en we de Schrift niet pressen. Want vlak voor vs. 10 in hoofdstuk 14 had Jezus al gezegd (vs. 7): "Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien". Dat is tevens bemoedigend voor ons, als we proberen de betekenis van "Gij, Vader, in Mij" te omschrijven.
In aansluiting aan het eerste gedeelte van het gebed (1-6) zou ik het zo willen zeggen: De Vader heeft zijn Zoon in de wereld gezonden (3), heeft Hem werk te doen gegeven (4), maar heeft Hem daarbij ook macht gegeven over alle vlees (2) en zo heeft de Zoon zijn Vader op aarde verheerlijkt (4). Want Hij heeft telkens gezegd, dat Hij niets van Zichzelf kan doen, maar dat Hij het werk des Vaders doet (5 : 19; 30; 7:17; 8:28; 9:4; II:J4; 14:10). De Vader is dus "in de Zoon" daarin, dat "wat (de Vader) doet, ook de Zoon dat evenzo doet" (5 : 19).
"En Ik in U", zo vervolgt Jezus zijn gebed. Om een inzicht te krijgen in de betekenis van deze woorden, letten we nu op het tweede deel (6-13), waarin het werk van de Zoon centraal staat: de Zoon geeft door wat de Vader Hem gegeven heeft. We merkten reeds, dat dit gedeelte eigenlijk een uitwerking is van aangehaalde verzen (5 : 19; 30; 7 : 17 enz.) kunnen ook nu ons van dienst zijn. Want zij zeggen niat alleen dat in het werk van de Zoon de Vader werkt, maar ook dat de Zoon ziet wat de Vader doet (5 : 19,20), spreekt wat Hij van de Vader gehoord heeft (8: 16; vgl. vs. 40; 15 : 15) of gelijk de Vader Hem geleerd heeft (8 : 28), of wat Hij bij de Vader gezien heeft (3 : 11; 32; 8: 38).
Telkens, zoals we zien, komt Jezus hierop terug, dat Hij alles wat Hij zegt en doet, heeft gezien bij, gehoord van, ontvangen van de Vader. Johannes heeft dat reeds samengevat in de proloog van het Evangelie (1 : 18): "De eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen". En het is van groot belang, dat wij duidelijk verstaan wat Jezus bedoelt met "Ik in U". Immers er volgt betreffende de gelovigen nu niet: "Wij in hen" - dat komt in vs. 23 -, maar "zij in Ons". In zijn afscheidsprediking had Jezus alleen nog maar uitgesproken, dat zij in Hem zouden zijn. "Te dien dage (d.i. na de komst van de Geest) zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u" (14 : 20; vgl. 15 : 4 "blijft in Mij, gelijk Ik in u").
Het zal verder duidelijk zijn, dat ik voor de uitleg van dit "in Ons" nu het derde gedeelte van het gebed (13-20) ter verklaring er naast leg.

Tevoren moet ik echter even een vertaalkwestie aan de orde stenen, die met de uitleg te maken heeft. Eigenlijk staat in onze tekst drie keer het woordje 'opdat', maar in de vertalingen gebruikt men vóór "ook zij in ons" het voegwoord 'dat'. Men wil dan aangeven, dat deze uitdrukking op één lijn staat met de vorige, zin. Bij de Statenvertaling is dat begrijpelijk, omdat die een onjuiste lezing volgt: "dat ook zij in Ons één zijn". Naar mijn mening staat "ook zij in Ons" niet maar parallel aan het voorgaande, maar drukt het het doel daarvan uit. Het laatste "opdat" drukt een daarop aansluitend doel uit.

Het doel van de eenheid der gelovigen (21b)
We hebben gezien dat in de verzen 13-20 de nadruk valt op de positie van de discipelen in de wereld en hun taak Jezus' werk in de wereld voort te zetten (14-16; 18). Hoe zij dat kunnen en mogen doen, leren de overige verzen (13; 17; 19).
Eerst vs. 13: "Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben". In het vorig artikel heb ik bij deze tekst gewezen op 2 punten:

1. dit vers grijpt terug op vs. 11: "Ik kom tot U, Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals Wij".

2. In afwijking van de gewone verklaring voor "mijn blijdschap" stelde ik de vraag, of dit niet kon betekenen: dezelfde blijdschap die Ik heb.

Op dat moment zag ik nog helemaal niet, dat dit deel van het gebed correspondeerde met "ook zij in Ons". Maar nu wordt deze uitleg bevestigd. Jezus bidt, dat de gelovigen zó één mogen zijn, als Hij in zijn Vader, "opdat ook zij in Ons zijn". Zij moeten zijn werk, dat de Vader Hem gegeven heeft, voortzetten. Daarom bidt Hij, dat zij mogen doen als Hij, nl. zich in alles laten leiden door het woord van de Vader, zoals Hij van Zichzelf verklaarde: "Wat Ik spreek, spreek Ik zö, als de Vader Mij gezegd heeft" (12 : 50). Als zij zo door de bewaring van de Vader "in zijn naam", d.i. bij zijn woord (vs. 11), zijn geboden bewaren, zullen zij volkomen de blijdschap kennen van Jezus, die van Zichzelf verklaarde: "Mijn spijs is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen" (4: 34). Dan zullen zij blijven in de liefde van de Vader (14 : 21) en in de liefde van de Zoon (15 10), kortom dan is het doel bereikt van die eenheid waarom hier gebeden wordt, dan zullen zij "in Ons zijn".
Vervolgens leren de verzen 17 en 19 ons, hoe de gelovigen de Vader en de Zoon bekwaamd worden tot deze taak. Vs. 17 grijpt daarbij ook weer terug naar vs. 11, waarvan vs. 21 de uitwerking is. Alleen door het heiligende werk van de Vader en de Zoon kunnen de gelovigen staande blijven in de wereld (15) en hun opdracht tegenover die wereld (18) vervullen: "opdat de wereld gelave dat Gij Mij gezonden hebt".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief