Het Evangelie een aanstoot

1982-12-03
  • Jaargang 26
  • nummer 45
We kennen allemaal dit hoofdstuk uit onze bijbel wel, want die drie gelijkenissen zijn ons van jongs af vertrouwd: verloren schaap, verloren penning, verloren zoon.
Maal' bij de uitlegging van gelijkenissen zijn er veel ongelukken gebeurd. Vaak waren de uitleggers niet tevreden, voordat ze van iedere bijzonderheid de geestelijke betekenis meenden te hebben gevonden. De hoorders van de preken zeiden dan wel 's: sjonge jonge, die weet er wat uit te halen, terwijl ze beter konden zeggen: nou nou, die durft er wat in te leggen. 't Waren namelijk vaak eerder staaltjes van hersenacrobatiek dan proeven van gezonde Schriftuitleg.

Eerbiedig omgaan met de bijbel is allereerst: lezen wat er staat. En de Here Jezus heeft ons precies gezegd, waar het in de drie gelijkenissen van Lukas 15 om gaat. Want de aanleiding tot het uitspreken ervan vinden we in de eerste twee verzen van het hoofdstuk.
Hier staat iets, wat niet 's een keer gebeurde, maar wat je telkens weer zag. Dat zegt de werkwoordsvorm, die hier wordt gebruikt. Al de tollenaars en de zondaars naderden almaar tot Hem om Hem te horen. En de Farizeeën en schriftgeleerden morden aanhoudend.
(Vertaling van Greijdanus, K.V.) Hoe is het mogelijk, zeggen we misschien. Laten we dat niet te gauw zeggen. Tollenaars - die hebben we wel een beetje geïdealiseerd. En Farizeeën, praat me er niet van, die schijnheilige lui.

Drie hoofdstukken verder staat de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. Nu, wij vinden geen woorden te erg om die Farizeeër te tekenen. Wat een huichelaars waren dat. En zo houden we ze ver uit onze buurt. Maar de tollenaar, dat is 'm. Daar willen we wei naast staan. Want die "tovenaarsgestalte", daar komt het toch maar op aan. Maar wij, van de generatie, die de tweede wereldoorlog bewust hebben meegemaakt - gingen wij gemakkelijk om met collaborateurs of hielden we die liefst maar een beetje op een afstand? Tollenaars waren niet zulke lieve jongens. 't Waren volksgenoten, die zich in dienst van de Romeinen hadden gesteld en dat legde hun geen windeieren. Zacheüs sprak ervan, dat hij mensen wel 's iets had afgeperst (Luk. 19 : 8) en de tollenaars, die bij Johannes de Doper kwamen, kregen te horen: Vordert niet meer dan u voorgeschreven is (Lukas 3: 13). Daar hadden ze blijkbaar een handje van. Bovendien kwamen ze door hun beroep veel met heidenen in aanraking en daardoor werden ze verontreinigd. Ze stonden dan ook met de heidenen op één lijn: buiten de Israëlietische volksgemeenschap. (Vergelijk het woord van Jezus. dan zij hij u als de heiden en de tollenaar, Matth. 18 : 17). Net als de tweede groep, die hier wordt genoemd: de zondaars. Die werden dan ook dikwijls in één adem genoemd met de tollenaars. Onze Heer werd genoemd een vriend van tollenaars en zondaars, Matth. 11 : 19, en de Farizeeën vroegen aan Jezus' discipelen: Waarom eet uw meester met de tollenaars en zondaars? Matth. 9 : 11.

Al de tollenaars en de zondaars plachten tot Jezus te komen. Dat betekent niet, dat ze allen kwamen, hoofd voor hoofd, maar ze kwamen toch in groten getale. En ze kwamen om naar Jezus te horen.
De Here Jezus zei eens tegen de Joden: Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. (Joh. 6 : 26). Welnu, deze tollenaars en zondaars kwamen niet, omdat Jezus zorgde voor brood of omdat Hij hun zieken genas, maar ze kwamen om naar Jezus te hóren. Het ging hun om Zijn wóórd. Dat woord trok hen. Bepaald niet, omdat Jezus ze naar de mond praatte. Hij wees hun zonden wel aan en riep ze tot bekering. Maar er was in Zijn woorden iets, dat hen aangreep en waar ze niet los van konden komen. Ze vonden bij de Heer iets, wat ze nog nooit gevonden hadden bij de Farizeeën en schriftgeleerden. Ze hoorden in Zijn woorden Zijn liefde jegens hen en ze werden getrokken door Zijn èchte heiligheid.
Want zo is dat: mensen buiten de kerk voelen soms heel scherp het verschil aan tussen èchte vroomheid en schijnvroomheid; tussen praatchristendom en daad-christendom. Jezus was ànders dan de leiders van het volk. Zijn ogen waren niet hard. Hij meed hen niet. Hij keek niet op hen neer. Hij had een boodschap van heil en verlossing. Als ze Jezus uitnodigden om bij hen te eten, dan ging Hij bij ze aan tafel zitten. Zoals bij Levi, toen die geroepen was Jezus te volgen. Levi richtte toen een grote maaltijd voor Jezus aan in zijn huis en er was een grote menigte tollenaars en anderen, die met hen aan tafel waren. (Luk. 5 : 29). De Here Jezus zei dan niet: Wat moet Ik bij zulk volk? Maar Hij kwam er graag, want Hij vond het heerlijk het afgedwaalde terug te halen en het verlorene te zoeken, zoals de profetie van Ezechiël over de goede Herder spreekt. (34 : 16).

Juist dáárover morden de Farizeeën en de schriftgeleerden. Een echte, vrome rabbi zoekt zulke mensen niet. Wat zeiden ze ook al weer, toen Zacheüs Jezus met blijdschap in zijn huis ontving? Toen zij het zagen, morden zij allen en zeiden: Hij is bij een zondig man binnengegaan om zijn intrek te nemen. (Luk. 19: 7). Hier ook: ze morden en spraken: Deze - echt minachtend, wij zouden zeggen: die vent ontvangt zondaars en eet met hen. Hij is blij, dat ze komen. Hij heet ze welkom. Nog erger: Hij gaat met ze eten. Dat was een bijzondere grief, die ze tegen Jezus hadden, want meer nog dan bij ons was in het oosten het samen eten een teken van bijzondere gemeenschap. Waarom éét uw meester met de tollenaars en zondaars? Dat was het summum van slechtheid: tafelgemeenschap met zulk gespuis.

Dàt was de aanleiding voor Jezus om die drie gelijkenissen uit te spreken. Hij wilde hen door die gelijkenissen leren, dat het toch eigenlijk heel gewoon was, wat Hij deed.
Welke herder gaat er nu niet achter een verloren schaap aan? Welke vrouw, die één van haar tien schellingen kwijtgeraakt is, gaat niet op zoek net zo lang tot ze hem vindt? Welke vader is er niet blij, als een zoon, die het contact heeft verbroken, weer terug komt?

Waarom morden ze dan, als tollenaars en zondaars tot Jezus kwamen om Hem te horen?
Omdat ze godsdienstige mensen waren, die de mensen beoordeelden naar de vraag, of ze leefden naar hun wetten. Dat waren de rechtvaardigen. En de anderen waren zondaars, aan wie geen zalf te strijken was. Maar het evangelie leert: Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.
(Rom. 3 : 23,24). Dat evangelie is vandaag nog een aanstoot voor de mens. Ook voor kerkse en godsdienstige mensen van links en van rechts. Zalig is hij, die aan dat evangelie geen aanstoot neemt!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief