De gevonden zoon

1982-12-10
  • Jaargang 26
  • nummer 46
Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn,
want uw broeder hier was dood
en is levend geworden,
hij was verloren en is gevonden.

De gevonden zoon, ja, want dat is 't laatste woord van die vader: hij is gevonden.
Hij wàs verloren. Maar de Zoon der mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden. Hij is de Heiland van zondaars. Die zóekt Hij.
Het is "in" om te zeggen, dat Jezus van Nazareth aan de kant van verdrukten en paria's in de samenleving staat. Messias Jezus de partijganger van de armen. Maar dat zegt de bijbel niet. Die zegt op vele plaatsen, dat er bij God geen aanneming des persoons is.
Een rijke zal moeilijk het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar hij wordt er niet om z'n rijkdom van uitgesloten. Ons aller vader beleed, dat hij een vreemdeling en bijwoner op aarde was, want hij verwachtte de stad met de fundamenten, maar hij was een rijke herdersvorst.
Armen van geest worden zaliggesproken door Jezus, maar niet àlle armen. Er zijn ook armen en verdrukten, die hun vuist ballen naar de hemel en naar hun verdrukkers, maar die, als ze bevrijd worden en macht krijgen, op hun beurt verdrukkers worden.

De boodschap van de verlossing spreekt ons aan als verlorenen en schuldigen. Dat is de golflengte van de Schrift, las ik eens. De tollenaars en zondaars, die naar Jezus kwamen horen, worden hier getekend in het beeld van die zoon, die bij zijn vader vandaan wou. Hij wou eindelijk wel eens zelfstandig worden. Hij zocht de vrijheid. En vrijheid, dat is volgens mij, dat ik mag doen wat ~k zelf wil. Ik ben ik. Vader, geef mij het deel van ons vermogen, dat mij toekomt. En hij verdeelde het bezit onder hen. Nu kon hij dan eindelijk doen wat hij wou.
Bevrijd van dat gemekker. Hij maakte goede sier, leefde op grote voet, had vrienden en vriendinnen. Geld maakt vrienden. Ben je schelm of ben je dief, heb je geld, ik heb je lief. Hij verkwistte zijn vermogen in een leven van overdaad. Maar daar kwam een eind aan. Alles bracht hij er door. En er kwam een zware hongersnood. Hij begon gebrek te lijden. De vrienden en vriendinnen bleven weg. Want: geen geld, niet geteld. Zijn diepe ellende wordt getekend in enkele sprekende trekken: hij drong zich op aan een van de burgers van dat landniemand nam hem vrijwillig aan. Hij moest varkens hoeden. (Onreine beesten voor een jood). En niemand gaf hem zelfs de schillen, die de varkens vraten. Dat is de tekening van het leven zonder God. Dat kwam er van de "vrijheid": het leven werd een puinhoop. Geen mens die zich voor hem interesseerde.
Lucht was hij voor iedereen.

Toen kwam hij tot zichzelf. In de ellende dacht hij aan z'n vader. Hij had de vrijheid gezocht. Maar hij begon te beseffen, wat het betekende, los van z'n vader te zijn.
Dit was het einde van de vrijheid! De dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. En hij ging terug. Hij had goed bedacht, wat hij zou zeggen. Toen hij nog ver af was, zag zijn vader hem. Hij dacht niet: zou die hierheen komen? Eerst maar 's afwachten. Maar hij liep hem tegemoet en viel hem om de hals en kuste hem. Z6 blij was hij met de terugkeer van z'n jongen. Toen moest het hoge woord er uit. 't Woord, dat hij wel tien keer gerepeteerd had. Maar vader liet hem niet eens uitspreken. 't Is prachtig om vers 18 en 19 te lezen: wat hij zich had voorgenomen te zeggen, en dan te letten op vers 21. Aan de woorden: Stel mij gelijk met een van uw dagloners, kwam hij niet eens toe. Want voordat hij het kon zeggen, zei z'n vader al tot zijn slaven: Trek hem het beste kleed aan en doe hem een ring aan z'n hand en slacht het gemeste kalf, want dit moeten we vieren met een feestmaal, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden; hij was verloren en is gevonden. Hij zei niet: we zullen het eerst nog maar eens aankijken. Je krijgt een proeftijd van twee maanden. Dat is wel gebeurd in de kerk, die zich zag als een gezelschap van beste oppassende mensen. Daar wist die vader niet van. Nee, 't was feest. Gróót feest. Muziek en dans!

En dan die oudste zoon, die van het land kwam en die feestelijke drukte hoorde. Hij vroeg: Wat is er nou aan de hand? De knecht zei: uw broer is gekomen, gezond en wei teruggekomen, en uw vader is zó blij, dat hij het gemeste kalf heeft laten slachten.
Toen werd de oudste zoon boos. Mij niet gezien, ik ga er niet binnen. Zijn vader kwam naar buiten en drong bij hem aan. 't Mocht niet baten. Nu z'n geld op is, nu kan hij z'n vader wel weer vinden. En nu gaat ie nota bene nog feest vieren. Hij heeft verdiend, dat u hem de deur gewezen had in plaats van feest te vieren voor z'n terugkomst.

Ik wil op een paar trekjes van het verhaal wijzen. De vader zegt: je broer hier was verloren en is gevonden. Die broedernaam kwam niet van zijn lippen. Hij zegt: die zoon van u. Als de jongste zoon is weggegaan, zegt Jezus: hij verkwistte zijn vermogen in een leven van overdaad. En als hij terugkomt, spreekt z'n vader met geen woord over het verleden. Maar de oudste zoon heeft er plezier in, om als z'n broer met berouw is teruggekomen, nog eens haarfijn te vertellen, hoe slecht hij wel was. En dan nog dit: de oudste zegt tegen zijn vader: Zoveel jaren ben ik al in uw dienst. Dat typeert hem. Hij had om loon gediend in het huis van zijn vader. Hij had de liefde van zijn vader nooit verstaan. Hij had het hart van zijn vader nooit gekend.

Daarin heeft de Here Jezus het beeld getekend van die Farizeeën en schriftgeleerden uit vers 2, die maar bleven mopperen en zeiden: Die man ontvangt zondaars en eet zelfs met weinig kennis van God ze hadden. Ja, met al hen. Daaruit bleek toch wel duidelijk, hoe hun theologie en schriftgeleerdheid kenden ze de HERE niet. Want zó is Hij: Hij schrijft mensen niet af, al zijn ze nog zo ver weg gezworven. Als ze verloren gaan, is het altijd omdat ze niet willen leven in Zijn liefde. God verblijdt Zich over de terugkeer van één verloren zoon en Zijn engelen ook,.
Wat is dat ontdekkend in het onderwijs van de Heer. In de hemel is er blijdschap over één zondaar, die zich bekeert. Als de hemelse Vader zo blij is, waarom zijn dan de Farizeeën en schriftgeleerden niet blij? Waarom liepen ze daar maar over te mopperen?
Omdat ze God niet als hun Vader kennen, maar - zoals Jezus ergens zegt - de duivel tot hun vader hebben. En ze doen ook de werken van de duivel. Want waar is gemopper over de bekering van zondaren? Immers, in de hel. Want wat de hemel wint, dat heeft de hel verloren.

Jezus tekent in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard het beeld van de Farizeeën, die het niet konden uitstaan, dat mensen, die jarenlang de zonde hadden gediend, tot bekering kwamen, met die woorden van hen, die de hele dag gewerkt hadden: Deze laatsten hebben één uur gewerkt en u hebt ze met ons gelijk gesteld, die een zware dag en de hitte hebben doorstaan.
Zo denk je erover, als de dienst van de HERE geen liefdedienst is. Maar als je de HERE God kent, dan ben je blij met iedere zondaar, die zich bekeert. En dan kun je ook vlak naast de ellendigste zondeslaaf staan, want als je niet weggelopen bent, maar vijftig of zestig jaar de HERE hebt mogen dienen, dan is dat alleen Zijn genade over je. En als je een kind van God bent, dan weet je goed, dat je in jezèlf een ellendige zondaar bent, die elke dag leven moet - en leven mag! - uit de genade van die God, die goddelozen rechtvaardigt!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief