Lukas kiest een doek

2008-12-19
  • Jaargang 52
  • nummer 25
Eén voor één loopt Lukas in de stille zaak de nog sneeuwwitte doeken langs. Bij een klein doek blijft hij staan. Hij doet een pas achteruit, knijpt zijn ogen toe en tekent in gedachten de donkere kraamkamer uit: het interieur van een stal, het kind in de voederbak, daarbij de ouders. Als hij het tafereel voor zich ziet, schudt hij verwonderd zijn hoofd. Het houdt iets van een geheimenis, een onwerkelijk, onbestaanbaar geheimenis: dit kind, deze zwerveling en ontheemde brengt mensen thuis; deze armoedzaaier maakt mensen rijk.

Onwillekeurig fluit hij zachtjes de woorden van het ‘Komt, verwondert’ voor zich uit: ‘Ziet, die ’t woord is, zonder spreken, ziet, die vorst is, zonder pracht, ziet, die ’t Al is in gebreken….’ Hij neemt het kleine doek in handen en knikt goedkeurend. Bij een zo nietige geboorte past een eenvoudig schilderij van bescheiden omvang. Terwijl Lukas zich met het doek naar de kassa begeeft, verspringen zijn gedachten van het geboorte-uur naar hetgeen vervolgens in de vroege ochtend gebeurde. Maria had verteld dat een stel ongewassen, onbehouwen kerels – zwaar wasemden ze de geur van verse mest uit – de stal waren binnengestommeld. Ze was ervan geschrokken. Wat moest dat schorriemorrie bij haar in de stal? Maar toen de herders hun verhaal deden en zij in hun ogen de naglans zag van het licht dat hen omstraald had, maakte dat zo een diepe indruk op haar, dat ze hun woorden één voor één in haar hart gesloten had. ‘Herders …,’ – Lukas trekt een pijnlijke grimas – ‘… eerlijk gezegd vormden ze voor hem één pot nat met Marokkaanse straatschoffies, junks en zigeuners. Dat uitgerekend zij de eerste getuigen mochten zijn van het grootste geheim dat de aarde ooit heeft geherbergd (nu ja, geherbergd …). Geen intellectuelen, geen kunstenaars, geen koningen, priesters of profeten, zelfs geen artsen.’ Hij herinnert zich dat niemand minder dan Paulus – en wie had ooit zo’n diep inzicht in dit geheimenis ontvangen als hij – helemaal in extase kon raken over uiterst gênante details als deze. ‘Het is Zijn handelsmerk, Lukas, Zijn handelsmerk! ‘Wat niets is, wat onbeduidend en veracht is, dat kiest Hij uit om wat wél iets is teniet te doen. Hij kiest wat dwaas is uit om wat wijs is te beschamen. Hij kies wat arm is uit om wat rijk is te beschamen.’ Het is duidelijk, die herders moeten er ook op, of Lukas het nu wil of niet.
Omdat op dit kleine doek geen plaats is voor de herders, zet Lukas het terug en begeeft hij zich naar de wat grotere doeken. Maar nog voor hij die bereikt heeft, schiet hem de geboorteaankondiging van de hemelse boodschapper te binnen. Feestelijk riep die de herders toe: ‘Vandaag is in de stad van David eindelijk jullie redder geboren. Hij is de Messias, de Heer!’ Lukas kent deze woorden maar al te goed. Hun strekking is hem ook volstrekt duidelijk. Dit kind is niet op een willekeurige plek in een willekeurig land uit willekeurige ouders geboren. Het staat in een eeuwenoude lijn, is het cumulatiepunt van al Gods beloften die onlosmakelijk verbonden zijn met koning David en Israël, met de woorden van zieners en profeten.
En met dat Lukas hieraan denkt, beseft hij: ‘Ook hier moet ik iets mee.’ Alleen de stal, het kind en de herders, dat is vragen om misverstanden. Mensen zullen denken dat het kind als een komeet uit de hemel is komen vallen. Dwaalgeesten zullen er mee aan de haal gaan, er een tijdloos verhaal en een eeuwige waarheid van maken.
Een frons trekt over Lukas’ gezicht: ‘Maar hoe in de wereld geef ik ooit uitdrukking aan dat eeuwenoude perspectief, die lijn van Gods beloften?’ Eigenlijk kan dat alleen maar op een beduidend groter doek, waarop niet alleen de stal en de herders, maar ook Bethlehem, de stad van David staat afgebeeld.

‘Doet u deze maar.’, zegt hij even later bij de kassa. De eigenaar van de zaak – hij heeft Lukas al glimlachend en grimassend, fluitend en fronsend de doeken langs zien lopen – zegt voor de grap: ‘Ik heb ze in nog groter maten, hoor.’ ‘Nog groter? Nee, deze is groot ge …’. Lukas breekt zijn zin af. Verhip, die man brengt hem op een idee. ‘Wacht even’, mompelt Lukas, ‘laat me nog even nadenken.

’ Groot, groter, grootst … Lukas moet opeens denken aan de allergrootste van de Romeinse keizers, Augustus zelve. De senaat te Rome had hem een erenaam gegeven, ‘de Verhevene’ en naar zijn naam zelfs één van de maanden van het jaar vernoemd. Van 27 voor Christus tot 14 na Christus zwaaide hij de scepter over het Romeinse Rijk. Zijn wil was wet. En uitgerekend Augustus was het die de census had uitgeschreven door welke Jozef en de hoogzwangere Maria naar de Davidsstad waren afgereisd. Dus was hij het door wiens toedoen hun kind daar in die stal geboren werd. Baas boven baas. Plots schiet Lukas in de lach, de verkoper schrikt ervan op. ‘O God’, denkt Lukas ‘o God, wat een regie, wat een humor: Augustus, de Verhevene, als figurant in het blijspel dat de geboorte van Jezus Christus is! De keizer naar wie nota bene een maand van het jaar is vernoemd, krijgt een plekje aan de rand van het verhaal van degene om wie heel de jaartelling draait!’ Christus is de zon en keizer Augustus niets anders dan een piepklein planeetje dat om Hem heen draait!
Lukas loopt opgetogen naar het grootste doek dat er staat.
Zonneklaar, Augustus moet er ook op. Al is het alleen maar om zo in één oogopslag de ware grootheid van dit kind zichtbaar te maken. Als Lukas iets later de verkoper vraagt hem het grootste doek thuis te bezorgen, merkt die nieuwsgierig op: ‘Ik zag u zo drentelen en dubben en vroeg me af: Wat gaat het worden?’ ‘Ach, meneer’, antwoordt Lukas, ‘Kerst…, je verkijkt je er op. Het is altijd weer groter dan je denkt.’

Drs. Jan Mudde is predikant van de NGK van Haarlem.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief