Wie haakt er op in?

1982-12-31
  • Jaargang 26
  • nummer 49
Bij het bespreken van "De Brief aan de Efeziërs" hebben we opgemerkt, dat ds. Van den Berg afzonderlijk aandacht vraagt voor twee onderwerpen. Het eerste, hierboven genoemd, verwijst naar Ef. 2 : 21, 22. Hij schrijft hoe alle volken in alle tijden godsdienstig bezig zijn geweest.
In hun cultus (openbare eredienst) hebben tempel, altaar, offeranden, priesters een plaats.
Bij Israël was dat niet anders. De HERE gaf dat volk vele wetten, waarin Hij duidelijk regels stelde voor de cultische (godsdienstige) handelingen.
Toen de Here Jezus aan het kruis de geest gaf, scheurde het voorhangsel van de tempel. Toen was het uit met dat speciale gebouw, met offerdienst, priesterlijk werk enz. De tempel, zo leert de Geest ons, is de gemeente, zijn de gelovigen. (1 Petr. 2 : 4-10; 1 Kor. 3 : 9, 16 v.v.: Ef. 2 : 19-22; 1 Tim. 3 : 15; 2 Kor. 6 : 16). Heel het leven is eredienst. (Rom. 12: 1). Tot zover volgden we de schets.
Maar dan concludeerde de schrijver "dat er in het leven van een christen niet langer een speciale afdeling is, waarop je het etiket 'godsdienstig bezig zijn' kunt plakken ... Heel ons leven is een godsdienstoefening geworden. Godsdienst is niet meer gebonden aan een cultus." En even verder "Ontbijten en vakantie houden dragen nu niet minder het karakter van godsdienstoefening dan onze zondagse samenkomsten."
Verder gaande komt het karakter van de gemeentelijke samenkomsten (kerkdiensten) ter sprake. Deze hebben z.i. geen ander karakter dan andere vormen van samenkomsten: gemeentevergaderingen, bijbelkringen e.d. "Ze staan niet op een ander, heiliger niveau."
We treffen vele tekstverwijzingen aan, die steun geven aan het betoog van ds Van den Berg. Ik zal die niet releveren. Ieder leze het artikel zelf. "Ik ben me ervan bewust", zegt hij ,;dat (dit alles) voor velen ietwat shockerend kan overkomen." Dat is zeker. Maar dat behoeft niet met zich te brengen, dat we het terzijde leggen. Een gesprek met de Heilige Schrift in de hand mogen we niet ontwijken en de schrijver vraagt min of meer om reactie.
Als ik op één punt inhaak – en laat velen mij wat dat inhaken betreft volgen - is het met de vraag: is er echt geen onderscheid tussen "godsdienstig" en "anders" bezig zijn? Als de Groningse pastor schrijft "Wanneer ik als christen bezig ben met mijn werk, behoort dat niet minder tot mijn eredienst dan wanneer ik bid", wil dat dan zeggen dat dagelijks werk en bidden voor de HERE niet onderscheiden zijn? En dat ook wijzelf geen onderscheid (mogen) maken? In het leven zijn verschillende bezigheden: kinderen verzorgen, je huis opknappen, de auto een beurt geven, bijbelstudie, ter kerke gaan. Verschillende functies. Als we psalmen zingen, voor onszelf of in de samenkomsten van de gemeente, richten we ons tot de HERE en dat op een andere manier, dan wanneer we trouw zijn in ons dagelijks werk. Die "godsdienstige functie" komt n.m.m. duidelijk uit in Ef. 6 : 10 e.v. en wat daar staat is voor dezelfde mens als het voorgaande (1-9), maar het is toch voor hem een andere situatie.
Met de schrijver kunnen we dankbaar zijn voor de verlossing van ons hele leven en die zal ,iOP alle terreinen" moeten doorwerken. Maar dat heft het verschil tussen de éne situatie (functie) en de andere niet op. De Here Jezus zelf was op de bruiloft te Kana op andere manier bezig als toen Hij op de berg ging bidden. Van belang lijkt me na te lezen hoofdstuk IX van het boek "Leven in het verbond", door A. Janse (Kok, Kampen - 1937).

Bijbelse normen voor de beleving van de seksualiteit
Dat is het tweede onderwerp n.a.v. 5 : 3. Zeer actueel. Veel vragen, die ook in onze kring leven (behoren te leven), komen er in aan de orde.
"In de huidige discussies kom je nogal eens de gedachte tegen, dat de moderne ideeën over euthanasie, abortus, samenwonen, geslachtsgemeenschap vóór en buiten het huwelijk, homoseksualiteit, pedofilie enz., allemaal volslagen nieuw zijn en in onze tijd pas voor het eerst gehoord en gepraktiseerd worden. Al deze en dergelijke ideeën en praktijken komen op ons af en worden ons gepresenteerd als vragen die zó absoluut nieuw zijn, dat de Bijbel er eigenlijk geen zinnig woord over te zeggen heeft. NIETS IS MINDER WAAR." Omdat de gemeenten uit de oudheid daarmee ook in aanraking kwamen, onderwees de apostel (de Heilige Geest) in brieven onze broeders en zusters uit de eerste eeuw. Dat onderwijs is in dit tweede excurs aan de orde. Het lijkt me voldoende daar aandacht voor te vragen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief