Aan Gods zegen is het al gelegen

1983-05-06
  • Jaargang 27
  • nummer 18
"En God zegende hen en God zeide tot hen: ... "

Gen. 1 : 28

Zegen is leven Het is telkens weer indrukwekkend om in het scheppingsverhaal te lezen, hoe God door zijn machtswoord de wereld uit het niets te voorschijn roept. God spreekt en alles ontplooit zich. Eerst komt het licht. Dan wordt het land gescheiden van het water. Bloemen gaan bloeien en bomen steken elkaar naar de kroon. In de onmetelijke ruimte beginnen de zon en de maan. de sterren en de planeten een stralende loopbaan. De zeeën worden bevolkt met vissen en onder de blauwe hemel vliegen de eerste vogels.
En dan horen we voor het eerst van de zegen van God: "En God zegende ze en zei: Weest vruchtbaar en talrijk ... " (vs 22). De vissen en de vogels hebben Gods zegen. Hij geeft ze de ruimte om te leven en te gedijen. Ze mogen er zijn van God.
Vervolgens lezen we hoe op de zesde dag na de landdieren tenslotte de mens geschapen wordt naar Gods beeld, als zijn gelijkenis.
En voor de tweede keer horen we dan van Gods zegen. Maar vergeleken bij de eerste keer is er een belangrijke toevoeging: "God zegende hen en God zei tot hen: ... "
Bij de vissen en de vogels treedt Gods zegen haast vanzelf in werking: ze zijn vruchtbaar en ze wórden talrijk.
Maar de mens wordt in de zegen uitdrukkelijk persoonlijk aangesproken. En van hem wordt een antwoord verwacht.
God treedt met de mens in gemeenschap.
God zegent hem, dat wil zeggen Hij geeft hem de kracht en de mogelijkheid om de rol te spelen die God hem heeft toegedacht, de rol van gespreks- en bondgenoot. Maar om deze rol te kunnen vervullen moet de mens voortdurend met God in gemeenschap blijven. Als dit niet gebeurt, dan bloedt het leven dood.

Zegen vraagt om antwoord
Het is een onloochenbaar feit, dat een baby om te kunnen groeien niet alleen goed voedsel en hygiënische verzorging nodig heeft, maar allereerst persoonlijke aandacht.
De ouders moeten het kind knuffelen en er lieve woordjes tegen zeggen. Wanneer dit achterwege blijft kwijnt een kind geestelijk en lichamelijk weg. Zoiets laat zich levenslang merken.
Zegenen ligt in onze taal vlak naast zeggen. Zegenen zou je kunnen vergelijken met lieve woordjes zeggen. Zoals een moeder haar kind vol liefde toespreekt, dat het straalt en trappelt van plezier, zo kwam God tot de mens met zijn zegen. Maar zoals een baby teruglacht naar zijn ouders, zo zullen Adam en Eva blij gereageerd hebben als zij God hoorden in de avondkoelte en met Hem mochten wandelen in de hof. Zullen ze niet vrolijk en blij, lopend aan Vaders hand, gezongen hebben: 0 HEERE, onze God, hoe heerlijk is uw Naam op de ganse aarde! De zegen van God roept de mens tot lofprijzing.
Heel de bijbel door wordt de mens daartoe aangespoord. Zoals bv. in Ps. 134: "Komt, prijst de HEERE, alle gij knechten des HEEREN", in de berijming van 1973: "Gij dienaars aan den HEER gewijd I zegent zijn naam te allen tijd." De berijming is hier correcter dan de vertaling. Het is opvallend, dat het woord dat m.b.t. God met 'zegenen' wordt vertaald m.b.t. de mensen stelselmatig met 'loven, prijzen' wordt weergegeven. De vertalers hebben het kennelijk maar vreemd gevonden, dat God door mensen gezegend zou kunnen worden.
Maar evenals het liefdevolle kontakt tussen moeder en kind niet alleen het kind, maar ook de moeder goed doet zo is het ook in het kontakt tussen God en mens. God geniet ervan als wij lieve woordjes terugzeggen, als wij Hem loven, als wij Hem zegenen. Hij groeit er van. In onze lofprijzingen maken wij Hem groot! Hij troont op de lofzangen van zijn volk (ps. 22: 4).
Daarin houden wij Hem hoog.

De zegen belemmerd
In Gen. 3 e.v. wordt verteld hoe de mens deze wederkerige zegensverhouding tussen God en hem grondig heeft verstoord. En prompt gaat de vertrouwelijke omgang ontbreken.
Dan verandert de zegen in vloek. En als de mens toch de zegen zoekt spreekt het niet langer vanzelf dat hij die ontvangt.
Voor hun opstand konden Adam en Eva als het ware bij God in en uit gaan. Ze waren bij God kind aan huis. Maar na hun val kunnen ze niet meer zomaar bij God terecht.
Ja, onder Israël heeft God op aarde nog een klein stukje wereld afgebakend, waar het weer enigszins leek op vroeger. Dat kleine stukje paradijs was te vinden in de tempel.
Daar woonde God zelf en daar gebood Hij de zegen.
Maar wat een enorm verschil met vroeger. Toen vloeide de zegen als 'n ononderbroken krachtige stroom van eeuwig leven naar de mensen uit. In de tempeldienst echter moest die bruisende, levenwekkende stroom Gods kinderen bereiken door een ingewikkeld systeem van leidingen en kanalen.
Allereerst moest je altijd naar de tempel toe om de zegen in ontvangst te nemen. Die tempel was het enige stukje grond waar God nog wilde wonen. Verder was heel de wereld onheilig.
Maar in de tempel kon je ook niet zomaar terecht. Je moest blijven wachten in de voorhof, terwijl de priesters voor jou gingen vragen bij God. De priesters waren speciale, gewijde mensen daarvoor.
Alle andere mensen waren onheilig.
Maar de priesters konden ook maar niet elk moment van de dag bij God belet vragen. God bad aparte tijden vastgesteld waarop ze voor Hem mochten verschijnen. En nooit zonder offer. Alleen 's morgens en 's avonds na het brengen van het reukoffer mocht de dienstdoende priester God om zijn zegen vragen. Alle andere tijden waren onheilig. Pas dan en slechts zo mocht de priester de wachtenden in de voorhof zegenen met de bekende woorden van Num. 6: 24-26.
Toch, hoeveel barrières er ook overwonnen moesten worden, de gemeenschap met God kwám tot stand en de zegen werd gegeven.
En ieder die ervoor openstond voelde zich gedrongen tot de lofprijzing:

Zegen, mijn ziel, de grote Naam des HEEREN,
laat al wat binnen in mij is Hem eren,
vergeet niet hoe zijn liefd' u heeft geleid.

(Ps. 103, 1)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief