Over vernieuwing van het theologisch onderwijs - 1

1983-05-06
  • Jaargang 27
  • nummer 18
Onder de titels 'Het profetische spreken' -1 en -2, en 'De theologie' schreef ds G. Janssen een drietal artikelen in de nummers 5, 6 en 8 van de lopende jaargang van dit blad, waarin hij een bespreking geeft van wat naar zijn mening onder de in de titels genoemde begrippen te verstaan is.
Meer dan eens heeft hij daarbij ook het werk van het Nederlands Gereformeerd Seminarie ter sprake gebracht.

Aan het slot van de reeks stelde ds Janssen; dat "nadere bezinning op een open gesprek" over theologie als wetenschap en dergelijke hem wel gewenst leek - "waarbij dan ook termen als 'het profetische spreken' en 'de taal van de Heilige Geest', 'spreken uit de Schrift' enz. in hun eigenlijke betekenis, bedoeling en consequenties tot de onderwerpen zouden kunnen behoren."
Hij voegt daar bij: "het is goed niet langs elkaar heen te praten" en hij eindigt met verwijzing naar de tekst Efeze 4: 15, waar de apostel schrijft over het ons aan de waarheid houden en zo met elkaar in elk opricht naar Christus toegroeien, die het Hoofd is. Opbouw, 27e jaargang, no. 8, 25-2-'83, pag. 59.

Op deze vriendelijk gestelde uitnodiging tot een open gesprek in breder kring wil ik bij dezen graag ingaan en, om zo te zeggen, een eerste aanzet geven.
Ik doe dat in de vorm van een causerie, die ik onlangs voor een broederkring hield - omdat de door ds Janssen genoemde onderwerpen daarin successievelijk aan de orde komen, en wel in het verband waarin hij ze zelf ook stelde, van het theologisch onderwijs en het nog breder terrein van het kerkelijk leven.

Het lijkt aanlokkelijk om direct op de arakelen van ds Janssen in te gaan en te zeggen waar het m.i. aan schort.

Maar we zullen eerst de bespreking van de begrippen en het geheel geven om daarna in een "Naschrift" nog aan te wijzen, hoe ds Janssen 'theologie' opvat als "het gelovig en samenvattend naspreken van de Schrift als vrucht van gehoorzaam luisteren" - en hoe hij daarmee waarschijnlijk hetzelfde bedoelt als wat wij onder 'profetisch spreken' verstaan, maar waarbij hij vergeet, dat aan de bestaande opleidingsinstituten onder 'theologie' iets heel anders verstaan wordt! Zijn opvatting van 'theologie' dekt in het geheel niet datgene waar men bij de meeste opleidingen mee bezig is.
Wat is de oorzaak daarvan?
We gaan nu over tot ons onderwerp.
In het "Naschrift" komen we op de gestelde vraag terug.

1. Wetenschappelijk theologisch spreken en het spreken uit de Schrift

De vernieuwing van het theologisch onderwijs, zoals we dat aan het Nederlands Gereformeerd Seminarie beogen, hangt ten nauwste samen met het onderscheid tussen het profetisch naspreken van de Heilige Schrift èn het spreken vanuit de wetenschappelijke theologie.

Het theologisch denken heeft in de loop der eeuwen steeds grote macht uitgeoefend in de gemeenten des Heren en dikwijls over de Schrift geheerst.
Het is onze bedoeling te laten zien welke gevaren dat in zich bergt. Wij menen nl. dat het een ernstige dreiging voor Christus' gemeenten inhoudt, omdat deze alleen door het levende Woord Gods gevoed en gebouwd kunnen worden.
We moeten er dan zeker als kerken wel op toezien, dat het theologisch denken, dat zich boven de Schrift verheft, geen heerschappij voert bij de opleiding van onze a.s. dienaren des Woords. Er is reformatie nodig op dit gebied.

“Prof. Hepp wist alles van God"
Voor de aanduiding van dit onderscheid en de noodzaak van vernieuwing in het theologisch onderwijs beginnen we met een citaat uit een interview. In 1970 had nl. P. Koenes een vraaggesprek met prof. dr S. U. Zuidema, hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, over prof. dr V. Hepp die daar vele jaren hoogleraar in de dogmatelogische vakken is geweest.
Dit interview werd opgenomen in het blad "Patrimonium"
waaruit prof. dr K. J. Popma het citeerde in zijn artikel "Zin en dwaling van de theologie". 1) Zuidema gaf in dat vraaggesprek zijn mening over Hebb, als volgt.
"Hepp gaf colleges in de dogmatiek.
Hij wist alles van God. Hij wist hoe God er van voren, van achteren, van boven en van beneden uitzag. Dat wist hij precies.
Dat kon hij scholastisch deduceren, beredeneren, en als hij er niet mee klaar kwam, gebruikte hij een hypothese en daar sprak hij dan de volgende keer over. Ik ontdekte echter (aldus Zuidema nog steeds) dat het een wijsgerige hypothese was en dat hij zogenaamd "reine theologie" bedreef, hetgeen niet waar was, want hij ontleende zijn hypothese aan de wijsbegeerte.
Dat zei hij trouwens ook. Hij had voor zijn theologische stellingen een wijsgerig bewijs nodig en zo bouwde hij zijn dogmatische colleges op".
Met dit scherpgetekende beeld duidde Zuidema aan wie de scholasticus Hepp was. Je kunt er iets van de geest proeven, die toen nog op dogmatisch gebied de boventoon voerde en die veel verwoesting heeft aangericht. We behoeven maar te denken aan het synodale drijven dat in de jaren veertig op grond van scholastieke leersystemen de Gereformeerde Kerken gescheurd heeft. Hepp's brochurereeks "Dreigende deformatie", die in de jaren dertig het licht zag, gaf in feite de stoot tot de door de Generale Synode van 1939 op gang gebrachte "ketterjacht".
Hepp heeft de belijdenis uit willen bouwen met een theologisch systeem.
Hij duchtte gevaar van het Schriftuurlijk spreken voor zijn eigen volop scholastieke wetenschap.
Ik heb het zelf in 1939 eens meegemaakt, op bezoek als student uit Kampen, bij een college van Hepp aan de V.U., dat hij zijn gebed begon met de woorden: "Gij God der gemene gratie ... " als een houw in de richting van prof. dr K. Schilder, die kritiek op A. Kuyper's Gemene Gratie-leer had uitgebracht.
Honend sprak hij over "het Seminarie aan de overzijde van de Zuiderzee". Dat was "Kampen", waar Schilder en Greijdanus streden tegen Woordverlating en opkomende hiërarchie.
Dat "Kampen" bestaat nu niet meer. De Oudestraat-Hogeschool is al lang in handen van de moderne theologie. En aan de V.U. zit dezelfde moderne en Linkse theologie boog te paard. De scholastiek van Hepp is in de synodale kerken weggeschopt, Het "oeuvre" van prof Hepp zelf, een "Gereformeerde dogmatiek", waarvan in handschrift deel I gereedgekomen was, is bij de slag om Arnhem in 1944, met al zijn boeken, verbrand. Hij heeft het goede Schriftgetrouwe werk, via zijn aanvallen in de reeds genoemde brochurereeks, voor wat betreft de Gereformeerde Kerken onder tafel gewerkt. En in deze synodale Kerken kwam er daarna een nog veel kwader theologie voor in de plaats! Men denke aan Kuitert, Wiersinga, Wesseis e.a., die elk voor zich het scholastieke denken ver achter zich gelaten hebben, maar bij wie de relativering van de Waarheid Gods er bepaald niet minder op geworden is.

Alètheia-zeggen - theologein
Overigens was dat niet een eigenaardigheid van prof. Hepp alleen, dat Hepp "alles van God wist".
En daar gaat het nu om, voor het tekenen van het onderscheid dat in het begin genoemd is. Het hangt ten nauwste samen met de plaats van de theologie en met het Griekse waarheidsbegrip. Want het (klassiek-) Griekse waarheids-, alètheiabegrip houdt in: "volledige toedracht en het verslag daarvan geven".
Zo vind je het al bij Homerus en in de Griekse wijsbegeerte.
Alètheia-zeggen, dat is volledig de toedracht meedelen, de gehele waarheid zeggen. Zo wilde Hepp de volledige toedracht zeggen omtrent God en Goddelijke zaken.

De oude kerkvaders deden dat onder invloed van de toenmalige filosofie.
Men noemde dat: "Deum dicere", "God-uitzeggen", "theologein", theologie bedrijven.
Ze pasten nl. het niet-bijbelse waarheidsbegrip toe op de leerinhoud van de Heilige Schrift en zo konden zij dan, naar zij meenden, de volledige toedracht leren kennen omtrent God en Goddelijke zaken.
Ze ondergingen daarbij de invloed van Philo. Er was wat van wáár, van wat von Harnaek zei, dat het dogma wèrk was van een Griekse geest op de bodem van het Evangelie. 2)
Maar de grens tussen God en kosmos werd daarmee wèl overschreden!
Men meende God te kunnen "uitzeggen".
Dat redenerend en deducerend "theologein" was en is echter wat anders dan het luisteren naar de Logos, we Zèlf de Wáárheid zegt!
Hij was eens "komende in de wereld", en de wereld heeft Hem niet gekend (Joh. 1: 9, 10). Hij heeft van Zichzelf getuigd: "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven" (Joh. 14: 6). Hij gaf Zijn leven terwille van de kosmos. Hij spreekt Zelf de "alètheia" midden in de praktijk. Hij is hèt Leven!

Maar al vroeg werd, onder Origenes, de Grieks-humanistische wijsheid eenvoudig ingelijfd in het theologisch denken; het werd wat omgewerkt en direct gebruikt. "De Iichamelijkheid van de logos van de Stoa loochende men en men leefde nu in de zoete waan, dat daarmee het logosbegrip van de Heilige Schrift zuiver was gegrepen.
De Logosspeculatie van die dagen vergat de hoofdgrens te trekken tussen God en schepsel! Eerst Calvijn leerde scherp de grens zien
tussen Hem, die de wetten stelt en hen, die aan we wetten onderworpen zijn.
We voelen hier meteen al het verschil tussen het Iuisteren náár en profetisch náspreken van de-taal-van-de-Heilige-Geest in de Schrift, èn het wetenschappelijk redeneren, dat de grens tussen God en kosmos wil overschrijden. Het menselijk denken blijft met op zijn plaats. De ratio wil meer zeggen dan het Woord van God zelf! Zo is het telkens opnieuw in de geschiedenis geweest.


1 K. J. Popma in: Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte, juni 1971, no.
2, p. 2.

2) Zie o.m. A. von Harnack, Das Wesen des Christentums, 1900, G.T.B. Siebenstern, 1977, p, 120.
pen". 3)

3) D. H. Th. Vollenhoven, Logos en Ratio, Kampen, 1926, p. 18.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief