TELEFOON

1983-05-06
  • Jaargang 27
  • nummer 18
"Je krijgt met een kwartier Dinges aan de telefoon. Ze was geladen - heb je iets verkeerd gedaan? Ze moest je persoonlijk hebben en wilde mij de boodschap niet geven."

Zo, dat is een koude douche, als je onschuldig thuiskomt. Even snel nadenken: wat kan er fout zijn geweest?
Een verjaardag vergeten?
Een verkeerde brief geschreven?
Niets daarvan. Mijn geweten, onderzocht zijnde, toont geen vlekje op het scherm. Dan is er iets ernstigs aan de hand. Dus het kwartier niet afgewacht, maar zelf Nederland gebeld. *)

"Hallo zeg, wat kan ik voor je doen? Je hebt naar mij gevraagd".

"Ja, ik heb naar jou persoonlijk gevraagd. Ik ben heel boos op je.
Je hebt me gemeen bezeerd".

"Maar lieve kind, wat heb ik gedaan om je boosheid te verdienen?"

"Dat weet je heel goed. Ik kreeg dat malle blad van jullie toevallig in handen, met dat stuk van jou over "Het zwarte schaap". En dat had ik met willen lezen. Een gemeen stuk!"

"Maar ... lieve kind! Wat is daar gemeen aan? Wat heb ik jou daarmee aangedaan? Het is gewoon een tekening van ons leven, iets dat elke dag kan gebeuren; bovendien iets dat echt gebeurd is.
En ik kan het toch niet helpen, dat alles zo gelopen is?"

"Als je nu met het eind begonnen was, dan kwam alles niet zo erg aan. Maar nu lijkt het stuk over die Ierse Rab een leuk artikel, ik lees het mijn man voor, hij zit er om te lachen - en plotseling kan ik niet verder lezen, omdat jij die Rab laat doodgaan op het verkeerde moment."

"Pardon, ik liet hem niet doodgaan.
Daar heb ik geen schuld aan. En dat het stuk niet leuk was heb ik, naar ik meen, er boven geschreven, Is dat zo of heb ik het mis?"

"Jawel, maar daar las ik natuurlijk overheen. Pas toen je aan het slot herhaalde, dat het met leuk was, drong het tot me door. Maar ik vind dat je die afloop voorop had moeten zetten".

"Ken je Hebreeuws?"

"Waarom dat nou weer?"

"Omdat je dan van achteren naar voor had gelezen".

"Rotgrapje. Ik zit ermee. Je hebt me echt bezeerd en zulke stukken hoef ik niet te lezen".

"Kun je je voorstellen, dat ik beslist niemand zou willen bezeren?"

Waarom schreef je het dan? Wat voor les bedoelde je te geven?"

"Pardon, ik ben geen leraar. Ik geef geen lesjes".

"Wat voor boodschap bedoelde je dan te geven?"

"Daar wil ik wel op antwoorden - maar zeg me eerst, waarom jij je bezeerd acht".

"Omdat ik me vereenzelvig met die arme Rab, Die oude dronkaard was immers nameloos eenzaam?
Dat heb je toch goed begrepen?
Nou, dat ben ik ook en dat zijn er duizend va:n je lezers.
Al die mensen heb jij verdriet gedaan".

"Maar waarom zou jij je eenzaam voelen zoals Rab?"

"Man, ik heb mijn moeder niet eens gekend. Ik ben al mijn leven eenzaam geweest en dat zijn er miljoenen op deze wereld. En jij bent de man die zo'n stumper laat sterven, nog wel "in staat van zonde", zoals de pastoor zei. Maar nu je boodschap, die je kwijt wilde!"

"Dan moet ik eerst zeggen, dat ik ook geen boodschap heb weg te geven".

"Waarom schrijf je dan eigenlijk?"

"Omdat dit van me verwacht wordt en omdat ik graag mijn lezers aan het denken zet."

"Waarover zouden je lezers moeten nadenken?"

"Hierover: dat we beter bij het leven kunnen rondkijken, welke mensen vergaan van eenzaamheid.
En niet wachten op hun dood."

"Om dan de schuld met een bloemstukje af te doen, bedoel je?"

"Juist, ja, min of meer".

"Ik blijf er bij: je had die kerel niet mogen laten doodgaan. Dat kwam veel te hard aan."

“En ik blijf erbij, dat ik dat niet kon helpen. De eerste klap heb ik zelf opgevangen. Als die hele geschiedenis mij niet gepakt had, was er ook geen woord in de krant gekomen".

"Dus is het echt net zo gebeurd?"

"Helemaal net zo".

"Dan vind ik het Gode geklaagd, dat zo'n man door een christelijk dorp tot verschoppeling veroordeeld is. Dat die man zich vlak voor de kerk uitkleedde... Heb jij, met je psychologisch vernuft, niet begrepen wat dat betekent?"

"Och, veel psychologisch vernuft heb ik nooit bij mezelf aangetroffen; maar zeg wat je bedoelt!"

"Dat die man zich van narigheid voor de kerk uitkleedde... omdat hij zich zo naakt voelde dat hij naar de moederschoot terug wenste. Maar de kerkdeur zat op slot hè?"

"Knap gevonden. Maar onze dorpskerk zit nooit op slot".

"Misselijke grappen maak jij. De kerkelijke hárten zitten op slot.
Zoals alle kerkelijke harten over de hele wereld. Genade is voor de ingewijden, maar buitenstaanders mogen verrekken".

"Zorg jij maar, dat je geen buitenstaander blijft. Je hoort er bij van huis uit. Dan kun je de genade naar buiten doorgeven, die jij in de kerk aanwezig weet. En dan kun je wat aan je eigen eenzaamheid doen en aan die van anderen".

"Wat voor genade weet jij in de kerk te vinden?"

"Dat zit in de laatste zin van mijn gemene artikel: dat God onze Vader blijft, ook als we in de goot liggen. Heb je dat gelezen?"

"Jawel - maar daar heb ik de kerk niet voor nodig. Die kerk van jou geeft bloemstukken, om haar schuld af te kopen".

"Je zegt het maar! Ik denk dat de meeste bloemstukken heel niet van kerkmensen kwamen!"

"Stel je voor dat ik... Ik denk, dat ik maar negen bloemstukjes zou krijgen ik ben niet lid van een zangclub "
"Je stem is goed genoeg!"

"Je maakt gemene grapjes."

"Jij begint! En het is mijn telefoontje, dus je maakt grapjes op mijn kosten".

"Je bent nog vrekkig ook. Mijn man zei: bel vanavond, dan kost het de helft. Maar ik wil mijn gal niet opsparen voor een paar centen."

"Daarom spuw je ze uit voor mijn rekening? Wel bedankt. Ik hoop dat je er van opknapt".

"Als jij maar begrijpt, dat ik van zulke nare verhalen niet gediend ben".

"Dat begrijp ik wel en terdege.
Zorg maar dat je ons malle blad niet weer in handen krijgt. En kijk intussen goed rond naar eenzame figuren. Ze zijn er bij miljoenen, zoals je zegt. Dan vergeet je je eigen eenzaamheid meteen!"

"Moet je beslist weer het laatste woord hebben?"

"Dat laat ik aan jou. Ga je gang".

"Nou, bedankt dan en tot ziens in Nederland".


*) telefoongesprek naar aanleiding van "Het zwarte schaap', in ons blad van 4-3-83.


Correctie. In mijn 2e artikel over dr Schillebeeckx (22-4-83, pag. 125) staan enkele storende fouten. Onder aan de eerste kolom is bedoeld: "Je wordt geoordeeld naar wat je gedaan hebt - en niet op je religieuze of ethische verantwoording daarvan". Onder aan de tweede kolom: "Zo groeit het inzicht in de universaliteit van Gods heil ..."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief