Had ik dat maar geweten (7)
1982-01-22
"Als kind was ik inderdaad veel strenger dan m'n vader en moeder. Ik had al vroeg een uiterst behoudende, oerorthodoxe inslag en heb me in de loop van m'n leven juist daarvan moeten bevrijden, en niet van de invloed van het milieu".- Jaargang 26
- nummer 3
Maarten 't Hart 1)
De draad kwijt?
Het is heel goed mogelijk dat U zo langzamerhand de draad van deze artikelenserie kwijt bent geraakt. Niet voor niets verslijten de boeken over het geweten hun jaren doorgaans op weinig toegankelijke plaatsen van Universiteitsbibliotheken. Niettemin ga ik nog even door metdeze serie. Waarschijnlijk gaat anders mijn eigen geweten knagen...
Even samenvatten
Na theologie en filosofie waren we bezig met opvoedkundige en psychologische notities over het kinderlijke geweten. We hebben de theoretische kanttekeningen van enkele "oudere" pedagogen behandeld. Belangrijk was daarbij het geweten dat de mens afstand kan nemen van zijn eigen daden.
In het vorige artikel werd de vraag behandeld of het geweten primair erfelijk is bepaald, of dat het geheel door de opvoeding wordt gevormd.
Daarna werd één van de theorieën over de ontwikkeling van het geweten besproken, nl. de leertheorie. Deze week gaan we verder met psychologische kanttekeningen over dit onderwerp.
Freud
De psychoanalyse, onlosmakelijk verbonden met de "grote" Freud, heeft een zeer grote invloed op het denken van de westerse mens. Literatuur, film, toneel, reklame en psychiatrie: dat alles valt niet meer los te denken van de ontdekkingen van Sigmund Freud. Voor een juist begrip van de gedachten van Freud is het goed als we ons even verplaatsen in de tijd waarin hij werkte. Hij werd rond de eeuwwisseling psychiater in het victoriaanse Wenen. Daar kreeg hij te maken met patiënten die - ten gevolge van het strak moralistische denken van die tijd - neurotisch waren geworden. Veel problemen in het emotionele functioneren bleken te zijn terug te voeren op verdrongen seksuele gevoelens. In combinatie met gegevens die hij van tijdgenoten overnam (o.a. over hypnose, en de evolutietheorie van Darwin) bouwde hij op elementen als onderbewuste driften en ontwikkelingsfasen een theorie die wereldberoemd is geworden.
Oedipus en het geweten
In de psychoanalyse speelt de ontwikkeling van het geweten een grote rol. De theoretische constructie rond de gewetensontwikkeling kan ten dele zeer hypothetisch genoemd worden. Het is weliswaar een originele gedachte, maar deze valt nauwelijks te bewijzen.
Volgens Freud zijn de ouders buitengewoon belangrijk bij de ontwikkeling van het geweten. Het kind wordt beheerst door zijn driften. Zijn streven naar lustbevrediging is lang niet altijd akseptabel voor zijn ouders. Tegelijkertijd zien we, aldus Freud, dat een jongen verliefd wordt op zijn moeder; het meisje wordt verliefd op haar vader.
In de jongen-moeder-relatie spreekt deze Weense psychiater van de oedipale situatie, naar analogie van de Griekse mythologie. Zoals al gezegd: de jongen wordt (tussen de twee en drie jaar) verliefd op zijn moeder. Hij vindt echter de vader op zijn weg. De gevoelens die hij heeft jegens zijn moeder roepen angst bij hem op: z'n vader zal hem, als rivaal, straffen.
Identificatie
Het kind wil, aldus Freud, de normen van zijn ouders overnemen. De reden hiervoor is negatief: om de straf van zijn "rivaal" te ontlopen probeert het kind zich te houden aan de wensen die zij hebben ten aanzien van zijn gedrag. De jongen zal zich vereenzelvigen met zijn "concurrent", vader, het meisje met haar moeder. Om te voorkomen dat zijn vader boos op hem wordt of hem zal straffen zal de jongen zich aanpassen aan de eisen die aan hem gesteld worden. Op den duur vervalt de scheiding tussen kinderlijke lusten en ouderlijke normen: de eisen die zijn ouders aan hem stellen worden de eisen die hij aan zichzelf stelt. Dit proces wordt identificatie genoemd. De eisen die het kind aan zichzelf stelt komen vanuit het Super-Ego, het Ideaal-ik. Dit is ongeveer hetzelfde als wat wij in het dagelijkse spraakgebruik onder het geweten verstaan.
Een streng geweten
De patiënten die Freud in zijn spreekkamer ontving waren meestal het slachtoffer geworden van een strak moraliserende opvoeding. Een gevolg van die opvoeding was dat men psychisch gezien niet goed kon functioneren. Er was sprake van een krampachtig geweten: het verschil tussen Ideaal-ik (Super-Ego) en Ik (Ego) bleek te groot. Het gevolg was: voortdurende schuldgevoelens, waar in wezen niet mee te leven viel. Steeds weer werden die onplezierige gevoelens in het onderbewuste gebracht (verdrongen). Dit kostte erg veel psychische energie.
Uiteindelijk dreigde die ondergrondse vulkaan uit te barsten: de mensen werden ernstig neurotisch. Aldus Freud, die met zijn zgn. 'vrije associatie' probeerde die verdrongen gedachten weer bespreekbaar te maken.
Strenger dan de ouders
Terzijde moet worden opgemerkt dat kinderen in bepaalde fasen van hun ontwikkeling strenger voor zichzelf kunnen zijn dan de ouders ooit zouden wensen van hun kind.
In het zeer lezenswaardige interview dat Hans Werkman had met Maarten 't Hart 1) zegt 't Hart dat hij zich niet van zijn milieu, maar wel van zijn eigen oerorthodoxe inslag moest bevrijden. Interessantmaar niet op psychoanalytische leest geschoeid - is zijn gedachte dat niet milieu en opvoeding het kind vormen, maar dat het kind uit zijn milieu datgene selecteert wat bij zijn karakter past. Sommige psychoanalytici menen dat de angsten die het kind op jonge leeftijd heeft een gevolg zijn van zijn zwakke geweten. Het kind verzint boemannen en monsters om zichzelf angst aan te jagen; die komen zijn zwakke Super-Ego te hulp.
Als hij zich misdraagt zouden die boemannen wel weer eens op kunnen duiken... (Fraiberg).
Een pessimistisch mensbeeld
Zoals al werd geschreven, moeten we ons goed realiseren in welke tijd Sigmund Freud zijn theorieën ontwikkelde. Ze werden gebaseerd op gesprekken die hij in de behandelkamer met zijn patiënten voerde. Het was een eenzijdige groep, die nooit de fundering kan vormen voor een bepaald mensbeeld. We kunnen de visie van Freud op de mens (o.a. gebaseerd op Darwin, maar ook op zijn eigen ervaringen) onmogelijk delen. Bij Freud is de mens slachtoffer van dierlijke instincten die voortdurend in conflict zijn met een streng Super-Ego.
De mens die is geschapen naar Gods Beeld biedt ons een heel andere visie op de mens!
Censuur
Beperken we ons verder tot het geweten. Freud ziet het Super-Ego (dat, zoals eerder werd gesteld, ongeveer hetzelfde is als het geweten) als een strenge meester. De censuur van het geweten belemmert de mens in zijn functioneren. Door dat overheersende Super-Ego wordt hij neurotisch. De mensen waar Freud in zijn praktijk mee te maken kreeg, hadden last van hun geweten: ze waren er ziek van. In zo'n situatie was "losmaking" een vereiste.
Antiautoritair?
De nadruk die Freud legde op de gevaren van het strenge geweten hebben ertoe geleid dat velen hem zien als één van de grondleggers van de zgn. "antiautoritaire opvoeding".
Deze wijze van denken over opvoeding was ongeveer 15 jaar geleden sterk in de mode. Freud ging er echter niet vanuit dat er aan het kind geen eisen gesteld moeten worden. Misschien' had hij zelfs in onze tijd juist gepleit voor het stellen van duidelijke grenzen aan kinderen.
De opvoedingsbalans lijkt immers naar de andere zijde te zijn doorgeslagen...
Versmald
We moeten constateren dat het gewetens begrip bij Freud sterk is versmald. De vader en moeder spelen een allesoverheersende rol bij de gewetensontwikkeling van het kind. In primitieve vorm is het geweten gebaseerd op angst voor straf en het verlangen om liefde te winnen (Zullinger).
Met betrekking tot de wijze waarop het geweten tot stand komt gaat Freud uit van een interessante, maar tegelijkertijd vergezochte hypothese.
Een relatie met de goddelijke norm wordt niet voorondersteld: het Godsbesef dat de mens zou kunnen hebben is een gevolg van zijn opvoeding. Brillenburg-Wurth spreekt in dit verband van een naturalistische reduktie van het gewetensbegrip 2). Onder een gesloten hemel vechten de driften die de mens in zich heeft voortdurend tegen zijn strenge Ideaal-ik.
(wordt vervolgd)
Literatuur
1) H. Werkman - Het allerlaatste interview met Maarten 't Hart (in: Nederlands DagbladlVarians; september 1981).
2) G. Brillenburg-Wurth - Zedelijke opvoeding (Kampen, 1960).