De antroposofie (5)
1982-01-29
Wat is de mens?- Jaargang 26
- nummer 4
Rudolf Steiner zei dat een nieuwe bewegingskunst, die inderdaad van het etherische in de mens zou moeten uitgaan, een noodzakelijkheid was, omdat alleen daarmee dingen van geestelijke aard tot de mensen gebracht kunnen worden, die zo diep zijn, dat ze niet in woorden kunnen worden uitgedrukt.
Veltman. Steiner 172.
Ons Ik kan niet alleen werken aan onze ziel, het kan louterend in ál onze wezensdelen ingrijpen, ook in ons ether- en ons fysieke lichaam. Wat wij bereiken hangt af van de krachten die wij in ons Ik kunnen ontplooien.
Loosjes. Wat is antroposofie? 70
Meerdere Delen
Hoe ziet een Antroposoof de mens? Op deze simpele vraag zal niet gauw een eenvoudig antwoord komen.
De Antroposofie ziet namelijk de mens als een vierledig wezen: Hij wordt gekenmerkt door een fysiek lichaam, een etherlichaam, een astraallichaam en een Ik. Naast deze vierdeling wordt in Antroposofische literatuur ook verwezen naar een driedeling. Steiner heeft "als resultaat van dertig jaar geesteswetenschappelijk onderzoek" gewezen op "de samenhang, die bestaat tussen de drie gebieden van onze ziel, ons denken, voelen en willen enerzijds en de drie verschillende gebieden van ons lichaam, namelijk die van ons hoofd, ons middengebied en ons stofwisselings-ledematenstelsel anderzijds." (60) Ik citeer hier uit een beknopt werkje van mevrouw Loosjes, een relatief eenvoudige inleiding in de verschillende aspecten van de Antroposofie.
Samenhang met de Natuur
Niet alleen mensen hebben de verschillende "lichamen" die Steiner onderscheidt. Inderdaad, wij mensen zijn de enigen, heb ik begrepen, die zowel het fysieke als het etherlichaam als het astrale lichaam als het Ik verenigen. Niettemin, lees ik in mevrouw Loosjes' boek, "Het minerale rijk bezit een fysiek lichaam.
Het bestaat slechts uit stof, die, behalve bij kristallen, geen eigen vorm vertoont. Er is een absolute binding aan die. stoffelijke wereld. Het plantenwezen bezit een fysiek en een etherlichaam. Het heeft leven, het kan groeien. Het heeft een eigen specifieke gestalte, die het zelf kan reproduceren. Het is nog gebonden aan een speciale plek op aarde. Het dier bezit een fysiek, ether- en een astraallichaam. Het heeft een innerlijk leven, heeft gevoelens. Het is vrij van de binding met de aarde. Wèl is het gebonden aan zijn driften en begeerten. De mens heeft een fysiek, een ether-, een astraallichaam en een Ik. Hij kan zijn gewaarwordingen tot voorstellingen en gedachten verwerken en zijn driften door het denken regelen.
Door zijn Ik kan hij steeds meer deel krijgen aan de wereld van de geest." (71) Dat de keten daar niet bij ophoudt blijkt uit de erop volgende zin: "De mens is als Ik-dragend wezen een mens, doordat hij, behalve een Ik, tevens de overige wezensdelen in zich draagt. Wezens die géén fysiek lichaam bezitten, kunnen wij met onze gewone zintuigen niet waarnemen. Daardoor zijn de engelen, die zo'n lichaam niet bezitten, voor ons ook onzichtbaar, zolang wij niet over helderziende vermogens beschikken."
Alles heeft zijn plaats
De vier "delen" horen bijeen. Onze anatomische bouw, de verfijning van onze lichaamsdelen, enz. geven ons Ik de mogelijkheid te functioneren: "Dank zij een zo hoog ontwikkeld fysiek lichaam kunnen wij waarnemen en denken, liggen in ons de mogelijkheden om te spreken, tot rechtop gaan, tot een vrij kunnen werken met onze handen, enz. Hiermee is de basis van onze geest gegeven, voor ons Ik... Deze fysieke organen schenken niet zonder meer de geest, maar wel vormen ze de voorwaarde voor het verkrijgen van diepere inzichten." (64,5) Over het tweede, het levens- of etherlichaam, lezen we: "In de mens en in al wat leeft werken krachten die de eigen levensdragende vorm, de gestalte, in stand houden.
Hierdoor kunnen wij een mens na jaren nog herkennen, al is in die tussentijd de substantie, waaruit zijn lichaam is opgebouwd, grotendeels vernieuwd. Onder (etherisch lichaam dient te worden verstaan datgene wat op een of andere wijze duidelijk een geheel vormt, wat vorm, gestalte, heeft... De (levens)-krachten zijn de architecten, de bouwers en tevens de bewoners van het fysieke lichaam. (65,6) De gewaarwordingen, begeerten en driften huizen in het astrale- of zielenlichaam, dat ook de dieren kennen. Die samenhang wordt kennelijk gesuggereerd, als mevrouw Loosjes spreekt over de “zielenhoudingen": "iemand kan een slimme vos, een bange wezel, een terrier, een hyena... zijn." (67) Echter: "De mens is méér dan het dier. De mens kan het dierachtige in zichzelf overwinnen, hij kan zichzelf veranderen. Hij heeft hiertoe de mogelijkheid, daardat hij drager is nog van een vierde wezensdeel, namelijk een menselijk Ik... Het deel dat hij uit de stoffelijke wereld in zich draagt, heeft een bepaalde begrenzing in zijn groei, deze stopt op een zeker moment. Datgene dat hij uit de geestelijke wereld in het eigen wezen kan opnemen kent zo'n begrenzing niet. Hier kan de mens blijven doorgroeien, hij kan zich steeds blijven ontwikkelen." (68) Waarna - passend - -een verhaal volgt over reïncarnatie.
De zeven jaar-ritmen
Concrete toepassing van die opvattingen vindt men in de antroposofische fasenleer . Bij het opgroeien van een kind wordt aan de opbouw van de verschillende "lichamen" gewerkt.
"Met de (eerste) geboorte (verschijnt) het fysieke lichaam, dat nog geheel met de krachten van de moeder is opgebouwd. De eerste zeven jaar ongeveer wordt door het etherlichaam intens gewerkt, om het fysieke lichaam tot een eigen lichamelijkheid om te vormen.
Met het wisselen van de tanden, het hardste element van het fysieke lichaam dat omgevormd kan worden, treedt een zekere afsluiting van dit proces in. Het etherlichaam wordt dan "geboren". De etherkrachten, die voor de opbouw nodig waren, komen dan vrij als voorstellings- en denkkracht: het kind kan beginnen te leren... het is schoolrijp geworden.
Een derde geboorte vindt omstreeks het veertiende jaar plaats. Dan wordt het astrale lichaam geboren: het kind krijgt een veel zelfstandiger gevoelsleven, het krijgt de mogelijkheid tot oordeelsvorming, tot zuiver verstandelijk opnemen... Eerst omstreeks het eenentwintigste jaar vindt de geboorte van het Ik plaats. Dan wordt de mens volwassen, begint hij zijn gevoelens en gedachten bewust te beleven, komt hij tot een eigen, bewuste
activiteit, wordt hij zelfstandig." (74, 5)
De Open School
De Vrije School gedachte, die in onze tijd zo'n grote vlucht lijkt te gaan nemen, gaat van deze principes (mede) uit, heb ik begrepen. In Veltmans boek over Steiner lees ik het volgende (p. 134) "In de eerste zeven jaar van zijn bestaan legt de mens de grondslag van zijn leven.
Gedurende de tweede zevenjaarperiode geeft het in elkaar spelen van levensprocessen en ontwakende zielenfunctie de mogelijkheid van een kunstzinnige beleving van de werkelijkheid. Het kind tussen 7 en 14 jaar is een kunstenaar en moet bij - een zinrijke opvoeding tijdens die fase vooral met kunstzinnige middelen benaderd worden; het leeft nog sterk in gevoel en motoriek.
minder in het denken. De derde zeven jaar fase brengt de ontplooiing van de zielfuncties tegelijk met het ontwaken van de geestelijke individualiteit ... " Een van de gevolgen van deze opvatting is de introductie van deze ritmische, motorische en artistieke elementen in het onderwijs. Eveneens is de antroposoof van mening dat je, om maar iets te noemen, de kinderen "in hun fase" moet benaderen.
Zo moet je het kind in zijn eerste zeven jaarfase niet dingen laten doen die bij de tweede fase horen.
Anders onttrek je “zielenkrachten"
aan hun eigenlijke doel, om ze op iets anders te richten. Dat doet het kind schade. Hoe interessant en mogelijk zelfs succesrijk deze opvoedwijze ook zijn mag, het dient te worden opgemerkt dat ze niet losgemaakt kan worden van Steiners (occulte) "bekendheid" met het verschijnsel mens. Het is bepaald geen "waardevrije benadering", maar verweven met de antroposofische mensbeschouwing.
Eurythmie
De bewegingsleer, oftewel eurythmie, is eveneens niet los te maken van Steiners onderscheid in verschillende "lichamen". Zoals het citaat bovenaan het artikel al aangeeft, wil die eurythmie, naar Steiners inzichten, niet zozeer de beweging van het fysieke lichaam oproepen, maar veeleer geestelijker impulsen vrijmaken. Veltman citeert in zijn boek de herinneringen van een antroposofische danseuse. Als in mei 1908 Steiner een voordracht heeft gehouden over de proloog van het Johannesevangelie : "In den beginne was het Woord ... " vraagt hij haar: "zoudt u dat kunnen dansen?" In een ander verband zegt Steiner tegen haar (ik citeer): "De dans is een zelfstandig ritme, een beweging waarvan het centrum buiten de mens ligt. Het ritme van de dans leidt terug naar de oertijden van de wereld. De dansen van onze tijd zijn degeneraties van oeroude tempeldansen door welke de diepste geheimen van de wereld werden gekend." (171) De nieuwe bewegingskunst moest van het etherische in de mens uitgaan, ze moest weer teruggaan op deze "oeroude cultische dans, geleid door machtige priesteressen" (173) en dus een "bovenzinnelijke werkelijkheid" vertolken. Het moet "zichtbare muziek" worden. Nogmaals een citaat uit Veltmans boek (p. 174) "Wanneer de mens spreekt maakt hij fysiek hoorbaar, wat in een hoger deel van zijn wezenhet zogenaamde etherlichaam, dat de drager is van de levende vormkrachten - zich als bewegingen afspeelt. Nu was RudoIf Steiner in staat helderziend deze etherische bewegingen te schouwen en ze in bewegingen van het fysieke lichaam te "vertalen" ... Men kan daarbij denken aan de proloog van het J0hannes Evangelie: In hetzelfde was het Leven. Het kosmische Wereldwoord spiegelt zich, of beter gezegd, drukt zich uit in de bewegingen van hte levenslichaam. Daardoor kan bewustzijn ontstaan ... en het Leven was het Licht der mensen."
Conclusie
Noch de eurythmie noch de Vrije School-gedachte zijn dGSlos te zien van (esoterische) mensbeschouwingen. Steeds opnieuw blijkt er een - voor gewone mensen onzichtbare doch voor ingewijden waar neembare - opbouw in meerdere lichamen. Daarop stoelt zowel bewegingsleer als pedagogie. Steeds opnieuw zoekt Steiner ook aansluiting bij de rest van de kosmos, zoals hij doet in zijn spreken over wat mens en mineraal, mens en plant, mens en dier gemeen hebben.
Een soort opklimmende trap, een keten. En ook wordt een link gelegd naar de engelen, als ik het goed begrijp. Eveneens symptoom van het zoeken naar samenhangen ook het volgende, dat ik in mevrouw Loosjes' boek aantrof: de samenhang tussen mens en kosmos, als het gaat om de aantallen keren ademen per dag en het "platojaar". "Het aantal ademhalingen per dag bedraagt 24 x 60 x 18 = 25920. Het platonische wereldjaar, dat wil zeggen het aantal jaren dat de zon nodig heeft om zich met haar lentepunt ... door de hele dierenriem te bewegen, duurt 25920 jaar ... De mens kunnen wij zo als microkosmos zien, als een wezen dat met de hele kosmos samenhangt, dat een afspiegeling daarvan is." (62) Heel interessant, maar geenszins waardevrij, noch als basis voor opvoeding noch voor bewegingsleer. Het gaat om estoriek, die - waar ze ook van afkomstig mag zijn aantoonbaar géén christelijke wortels heeft.
Besproken: Mevr. Loosjes Wat is Antroposofie?, Vrij Geestesleven, Zeist, 112 blz., prijs f 16,50. Een beknopt en handig boekje. Geschikt voor wie in kort bestek informatie over de Antroposofie wil hebben. Ook aan te bevelen is het boek van de directeur van de Antroposofische Vrije Hogeschool, dr Bernard Lievegoed. De Levensloop van de Mens spreekt uitvoerig over stadia in de menselijke ontwikkeling. Dit laatste boek, dat - lijkt mij - niet erg nadrukkelijk antroposofische opvattingen overdraagt, heeft inmiddels al meer dan tien drukken beleefd. Het lijkt me niet alleen als studieobject voor antroposofie de moeite van het lezen waard. Het is een uitgave van Lemniscaat te Rotterdam.
204 pag. Prijs ± f 20,-.