Boekbespreking
1983-05-13
- Jaargang 27
- nummer 19
Boekbespreking
DE NADERE REFORMATIE
Niet altijd is het verschijnen van een herdruk de moeite van het vermelden waard. Dat is mijns inziens wèl het geval met de zojuist uitgekomen tweede druk van het boek van Dr.T. Brienen, De Prediking van de Nadere Reformatie. De schrijver, die tegenwoordig chr. geref. predikant in Zeeland is, promoveerde op dit werk.
Zoals bekend, is de Nadere Reformatie een belangrijke stroming in het vaderlandse Calvinisme van de 17e eeuw tot nu toe. Op dit terrein, waarop, bij mijn weten, maar weinig boeken een beeld van de stroming als gehéél geven, spreekt Brienen dus allereerst over de invloed van de Nadere Reformatie op de wijze van preken.
Eerst wordt aandacht geschonken aan de wijze van preken in de eraan voorafgaande 16e eeuw. Tachtig bladzijden spreken over de specifieke ontwikkelingen van de Reformatie in ons land. We lezen over predikanten als Angelus Merula en Jan Arendz.
Dan - relatief kort - volgt een overzicht van de wijze van preken in groeperingen als de doopsgezinden, luthersen, remonstranten en de waalse kerken. Tegen die achtergrond volgt dan de bespreking van de preekstijl van de mannen der Nadere Reformatie.
In veel groter detail dan tevoren komen de (overgebleven en ons beschikbare) preken aan de orde van Jean Taffin, Udemans, Teellinck, Voetius, van Lodensteyn, Wilhelmus à Brakel, Smytegelt, Friedrich Adolf Lampe en, tenslotte, Van der Groe.
Als inmiddels zo'n 300 pagina's hieraan gewijd zijn, volgt nog een drietal hoofdstukken als besluit. Daarin b.v. aandacht voor de invloed die de Nadere Reformatie heeft uitgeoefend op het Piëtisme, de Afscheiding, de Gereformeerde Bond, de Gereformeerde Gemeenten en de Oudgereformeerden.
Het laatste hoofdstuk heeft de titel: "Beoordeling en Perspektief" .
Als een-na-laatste hoofdstuk wordt uitvoerig ingegaan op "de klassifikatiemethode binnen de prediking van de Nadere Reformatie". Het is met name deze "klassifikatie-methode" waarop de schrijver hier de aandacht wil richten.
De Nadere Reformatie kent de zgn. "onderscheidenlijke prediking". De toepassing van de prediking, als zodanig al van zeer groot belang geacht, werd ook bewust gericht op verschillende kategorieën toehoorders.
Brienen toont aan dat, naarmate de tijd verstrijkt, de indeling in kategorieën van (veronderstelde) toehoorders in de toepassing toeneemt, verfijnd wordt en ook dat veel predikers hoe langer hoe meer aandacht aan die onderscheiding in groepen gaat schenken.
Spreekt Voetius (1589-1676) over "uitwendige-, praet- en pronkchristenen ... slappen, lauwen of ook "gemakkelik moderate, neutrale, wereltse en yverlose christenen" .(198),. bij latere predikers wordt de rij aanzienlijk langer. Smytegelt (1665-1739) spreekt over "zwak- en kleyngelovigen, die ook wel eerstbeginnenden, overtuigden, bekommerden, verslagenen bestredenen worden genoemd".
Zij zijn de gerookte rietjes, de mensen "met kleine genade, kleine kennisse, klein geloof, klein licht en veel strijd, met vele donkerheden, met vele dodigheden, en met vele zwangheden in het harte"... Daar zijn verder de sterken, de verzekerden ... de verdere gekomene in de genade' (134, 5).
Van der Groe (1705-1784) voert het systeem tot zijn uiterste en spreekt over onbekeerden, wellustige mensen verstandchristenen, burgerlijke kerkleden, gerusten te Sion, werkheiligen, onboetvaardigen, aardsgezinden, bijna-gelovigen, zorgelozen".
Allen spreekt Van der Groe aan elk naar hun staat en stand ... hoewel niet in elke preek even breed en allen tesamen" (154). (Aan de kant der gelovigen wordt een ietwat kleiner aantal kategorieën onderscheiden).
Wie dit onderscheidenlijk preken zo tegenkomt, zal, dunkt me, niet veel overeenkomst opmerken met de prediking die in onze kring gebruikelijk is. In die zin zullen we ons hier mogelijk ook niet zo verwant mee voelen. Datzelfde vind ik persoonlijk ook van de zgn. Bruidsmystiek van een man als van Lodensteyn (1620-1677). Degene die van zichzelf merkt dat hij "een sondaar is... hij moet als gedurig weenende henen gaan en sijn weg met tranen bedauwen in een serieus gezigte wat hij eens geweest is . . . Desulke willen Christus als de Bruyd, gelijk een bondeltje Myrrhe, leggen tussen hare borsten, de eygen plaats voor Jesus, met wie een ziel getrouwd is" (114).
Voordat zo'n oordeel te spoedig geveld wordt of te negatief uitvalt, wel wat opmerkingen. Ten eerste waren de mannen van de Nadere Reformatie in hun tijd gezien en graag gehoorde voorgangers. Ze trokken volle kerken.
Ten tweede zijn velen van hen maatschappelijk zeer bij alles betrokken geweest; hun prediking heeft ook voor de samenleving een scherpte gehad, die voor veel tijdgenoten moeite gaf, juist omdát die zo aktueel en ontdekkend was. Door het lezen van dit boek heb ik voor deze predikers vaak groter respekt gekregen: zowel voor hun vroomheid als voor de moeite die ze zich getroost hebben het Woord van God verder te brengen.
Nu heel wat gemeenten meer kontakt met de Chr. Gereformeerde Kerken beginnen te krijgen, kan het extra nuttig zijn van de inhoud van dit boek kennis te nemen. Ik denk dat weinig boeken ons meer inzicht zullen geven in de achtergrond van de "meer bevindelijke stroming" in onze zusterkerken. Overigens, heb ik begrepen dat juist in die kring wel bedenkingen tegen Brienen's belichting en interpreatie zijn gerezen.
Bovenstaande neemt niet weg dat de lezer een specifieke interesse zal moeten hebben, wil hij het boek ter hand nemen. Tenslotte is het ook een dissertatie; het zegt dus niets ten nadele van de schrijver.
Als naslagwerk is het boek zeker bruikbaar voor mensen in speciale dienst der gemeente, maar ieder die meer wil weten van onze nationale kerkgeschiedenis, moet het boek maar eens "besnuffelen". Dat een boek van deze aard een tweede druk haalt, is een teken van de waarde die velen erin hebben erkend.
De prijzen van nu in aanmerking nemend, betaalt de koper niet teveel voor dit boek.
T. Brienen - De Prediking van de Nadere Reformatie. Ton Bolland, Amsterdam, 378 pag. - Prijs f 45,-.
P. J. van Kampen, Zeist
EN TOCH NIET VERTEERD
90 jaar geleden
Juni 1892: vereniging van de Afgescheiden kerken (1834) met die uit de Doleantie (1886); samen gingen ze verder als Gereformeerde kerken in Nederland.
Een kleine groep, slechts acht gemeenten, besluit aan die vereniging niet mee te doen, maar als Christelijke Gereformeerde Kerk te blijven voortbestaan.
Dat gebeurde 90 jaar geleden en ter gelegenheid daarvan verscheen bij Kok te Kampen een boek, dat iets uit de geschiedenis van die kerken sinds 1892 weergeeft. Het is geschreven door de predikanten M. Drayer en J. H. Velema en één van de Apeldoornse hoogleraren, prof. dr. W. van 't Spijker. Het boek telt 179 bladzijden en kost f 37,50.
Het beginsel van de Afscheiding
Waarom bleef een aantal gemeenten bij de vereniging van 1892 terzijde staan en hoe is te verklaren, dat dit achttal zo groeide: in 1895 reeds 33, in 1900 waren het er 63, thans 180 met een ledental van ruim 75.000?
Op vele plaatsen in het boek kom je het antwoord daarop tegen: behoud van "het beginsel van de Afscheiding".
In het tegen de vereniging ingediende bezwaarschrift zeggen de ondertekenaars tegen de synode, die over deze belangrijke zaak zou oordelen "het heil der gemeenten, het ongeschonden bewaren van het beginsel der Afscheiding, het recht der afzonderlijke gemeenten om over hare Vereeniging met andere te beslissen, de vreeze voor scheuring in eigen boezem, dringt ons Uwe Vergadering met alle bescheidenheid, maar daarom met niet minder klem, te verzoeken: broeders! sluit thans nog niet definitief de door zoovelen gevreesde Vereeniging". In 1953, toen de kerken geconfronteerd werden met aanzienlijke moeilijkheden, komt in een rapport de zinsnede voor "Het gaat de broeders om het vasthouden van het beginsel der Afscheiding.
Om een schriftuurlijke bevindelijke prediking en om een kerkelijk leven in nauwe gebondenheid aan de Heilige Schrift en in rechte afhankelijkheid van de Heilige Geest en zijn werk".
Je vraagt je af, wat is dan precies dat "beginsel der Afscheiding"?, maar ontvangt daarop geen concreet antwoord.
Wel is uit velerlei beschrijving op te maken, dat de Chr. Gereformeerde broeders (zusters zijn in het boek nauwelijks ter sprake gekomen) zich nauw verbonden weten - en willen blijven - aan dat wat speciaal de kerken der Afscheiding typeerde: gereformeerd-bevindelijk leven en een prediking daarop gericht.
Familie-album
Het boek is door de vele foto's en door het karakter van de bijdragen, iets als een familie-album geworden, fraai uitgevoerd. Reeds als je er in bladert, komt het verleden je tegen, je herkent dit en weet nog van dat.
Mannenbroeders, zich bewust van hun waardigheid als kerkeraadslid, predikant of synodelid, kijken je vriendelijk aan. Maar je ziet ook foto's van meisjes- en jongelingsverenigingen, van kerkgebouwen en orgels. Alles uit een wereld van lang geleden, die toch ook - althans voor de ouderen onder ons - onze wereld was: de besloten kring, toegewijd bezig met de studie van Bijbel en beginselen, of wel samen uit.
Het familiaire karakter komt eveneens naar voren in de bijdragen. Een globaal overzicht van de kerkelijke vergaderingen, waar die en die in het moderamen zaten, of van kerkelijke deputaatschappen, opgedragen aan bekenden-van-ouds. Ds. Drayer heeft zich daar in verdiept en gezellige schetsen gegeven over veel, wat zich in "onze kerken" (C.G.K.) ontwikkelde en voordeed.
Kerk -kerken
90 jaar geleden wilde men "de kerk der Scheiding voortzetten, vandaar het behoud van de naam "Christelijke Gereformeerde kerk" (enkelvoud).
Plaatselijk waren de gemeenten, landelijk vormden ze samen de kerk.
Deze naam typeert een periode. Al lezende ontkom je niet aan de indruk, dat de C.G.-familie min of meer "van boven af" bestuurd is geworden.
In 't begin, toen een kleine groep alléén kwam te staan, is dat eigenlijk vanzelfsprekend geweest.
Met de groei van het aantal gemeenten namen echter ook de problemen toe. En dan zie je, dat veel waar men mee zit, "naar boven" geschoven wordt met de vraag om advies, soms om een beslissing.
In 1906 was er bijv. bezwaar (bij de synode) tegen een gemeente, die collecteerde voor een noodlijdende zusterkerk, zonder dat de betreffende synodale commissie daarvoor toestemming had gegeven! Een andere synode stond voor de vraag of een sluiswachter wel lid van de kerk kon worden (of blijven) vanwege zondagsarbeid en weer een andere "meerdere vergadering" moest uitspreken of in een bepaalde situatie openbaar dan wel algemeen christelijk onderwijs voor kinderen van een gemeente voorkeur verdiende. Alle zaken, die zo'n tachtig jaar geleden actueel waren.
Daar komt nog bij, dat de broeders predikanten in die tijd in de kerkelijke samenleving sterk domineerden (overigens niet enkel in het C.G.-kerkverband!) Zij waren het, die bewust de gemeenten leidden en veelszins hun stempel op haar zetten; dat betekende heel wat, omdat de C.G.K. in die jaren (eigenlijk tot aan 1940) veel te verduren had. De (verenigde) Gereformeerde kerken lieten niet na haar aan te spreken over de scheur van '92. Van de kant van de Gereformeerde gemeenten kwamen aanvallen, waarbij men verloochening van de theologie van de Nadere Reformatie poneerde. De C.G.K. moest zich derhalve naar twee kanten verweren. Voeg daarbij dat in de loop der jaren verschillende predikanten deze kerk hebben verlaten, dan is de gesignaleerde centralisatie in leiding en bestuur wel te verstaan, evenals een voortdurende afweerhouding.
Het grote aantal synodale deputaatschappen (30 tot 40) wijst in eenzelfde richting.
In 1947, toen een herziene uitgave van "De kerkorde van Dordrecht A0 1618-'19 en de synodale bepalingen der Christelijke Gereformeerde Kerk" tot stand kwam, besloot de synode tevens dat de naam van de kerk voortaan zal zijn: de Christelijke Gereformeerde kerken in Nederland (meervoud dus).
Tegelijk is toen een kerkelijk zegel ingevoerd naar een ontwerp, dat de kerk van Ulrum (de moederkerk der Scheiding) in gebruik had. Dit zegel heeft een randschrift (in het Latijn), ontleend aan Ex. 3 : 2 en de titel van het boek is de vertaling ervan.
Kerkelijk leven
Prof. van 't Spijker heeft dit in een viertal hoofdstukken weergegeven.
Ook hier weer: niet zozeer het leven van gemeenten, maar dat van het geheel. Wat hij schrijft over de opleiding (de Theologische Hogeschool te Apeldoorn) is de moeite van een afzonderlijke bespreking waard. Misschien is dit stuk in het boek wel het meest markante deel voor wat betreft het verschil C.G.K. - N.G.K.
Verhelderend is zijn schets over de veranderingen binnen de C.G.K. ná 1920, o.a. vanwege de weerslag van de kwestie-Geel kerken, de interne strijd die in de jaren-dertig gevoerd is over het Verbond en de herdenking in 1934 van de Afscheiding. Hij sluit. die schets met dat eeuwfeest af en ds. J. H. Velema gaat verder met te beschrijven 'kerk in oorlogstijd' en 'verhouding tot andere kerken'. Daaruit blijkt hoezeer de opsteIling-naar-buiten zich wijzigt. Een zeker isolement (vóór 1940) is doorbroken en de C.G.K. treedt gemakkelijker in contact met anderen. Na de periode van strijd en afweer komt een tijdperk van overleg, zowel met de Gereformeerde kerken, met de Gereformeerde Bond in de N.H.-kerk, als met de vrijgemaakte kerken. Deze contacten lopen echter alle in de jaren-vijftig vast.
Samenspreking met de Ned. Geref. Kerken
Ds. J. H. Velema schrijft daarover: "Concrete toenadering is er op verschillende plaatsen tot de Nederlands Gereformeerde Kerken. Deze kerken ontstonden in 1969 uit de Geref. Kerken (vrijgemaakt) vanwege het overspannen kerk-begrip waartegen men in verzet kwam op allerlei manieren.
We kunnen dankbaar zijn voor iedere waarachtige toenadering tot welke kerk ook, die voortspruit uit liefde tot Schrift en belijdenis en die gekenmerkt wordt door geestelijke motieven en uitkomt in eenheid in geloof en geloofsbeveling (... ). Toenadering tot welke kerk ook mag nooit gaan ten koste van datgene wat behoort tot het erfgoed van eigen kerk - niet onze identiteit; niet het door mensen als het kenmerkende van onze kerken geachte - maar wel: de katholieke, geestelijke, persoonlijke benadering van, verwoording in, bearbeiding van de gemeente, in één woord de schriftuurlijke prediking, de aandacht voor zonde en genade, het werk van Christus voor ons en in ons".
Toch niet verteerd
In het slothoofdstuk onder deze titel wijst ds. Velema op het wonder van het mogen blijven bestaan van de C.G.K., ondanks veel spanningen en gebreken. Hij roemt Gods bewarende trouw. Christus' kerk leeft van het geheim van vuur, en Zijn zorg blijkt daarin, dat we niet verteerd worden.
't Is goed, om niet te zeggen nodig, kennis te nemen van dit boek. De goede contacten, die op veel plaatsen zijn en groeien, kunnen zich intensiever ontwikkelen naarmate we onze C.G.-broeders en -zusters beter leren kennen, óók in hun historische afkomst, strijd en streven. De HERE opent soms wegen, waar wij ze niet verwachten. Juist daarom moeten we op Hem blijven letten.
M. de Jonge, Voorburg