Over vernieuwing van het theologisch onderwijs – 3

1983-05-20
  • Jaargang 27
  • nummer 20
In het voorafgaande artikel wees ik op de problematiek van het theologiseren, dat zijn plaats vergeet tegenover God en Zijn Woord, zodat het Woord onder het wetenschappelijk juk moet doorgaan.
We gaan, in antwoord op de artikelen van ds G. Janssen in "Opbouw", de nummers 5, 6 en 8 van de lopende jaargang verder met ons onderwerp.

Invloed van de reformatie van de jaren '30 in het
theologisch onderwijs "Profetisch spreken'

Om nu het onderscheid tussen de theologische begrippensfeer en het profetische Woord nog verder aan te duiden - in verband met het karakter en de methode van het Seminarie-onderwijs - letten we op de belangrijkste vraag waar alles om draait: hoe ziet de HERE de Christenheid? Heeft Hij er nog lust in om er wat aan te doen?
Wat komt er? Komt er zegen of dreigt er vloek?
We weten allen dat die praktische vraag door de theologische wetenschap nooit onder ogen gezien wordt. Die is trouwens ook niet bij machte om de gemeenten te leiden.
Ze kan, uit de aard van haar wetenschappelijk "theologein" , niet anders dan abstract in de dogmatiek de zaken op een rijtje zetten en behandelen, indelen en schematiseren.
Maar de wetenschap kan niet midden in de tijd spreken, "profeteren". (Zie ook "naschrift") Intussen blijft het een uiterst belangrijke vraag, waar onze toekomst van afhangt, of Gods Woord zegen of vloek over de Christenheid uitspreekt. Soms, in de geschiedenis - vanaf Deuteronomium 28 al, voor alle kerken, voor Israël in de woestijn, onder Jozua, onder de richters, voor Israël en Juda, in de dagen van Jeremia, voor de dagen van Ezra en in het jaar 70 voor de kerk van de apostelen, in Pergamum en Laodicea, tot in onze dagen toe - soms sprak Hij van oordeel, soms, in dagen van wederkeer waren er ontroerende beloften, dan was het vol van de kracht van de Heilige Geest.
Dat waren dan geen algemeenheden, die altijd van toepassing waren over elke kerk en elke tijd.
Dan sprak het levende Woord!
Wij hebben deze dingen in de jaren dertig weer leren verstaan. Het staat haaks op al het getheologiseer van Hepp en Kuitert en van zovelen meer. Je vreest dat Gods gunst van de westerse christenheid wijkt. Maar - en dat is óók wáárhet is geen noodlot. Als er bekering is bij een overblijfsel, is er wellicht behoud! 10) Daarom roepen we op tot bekering vanaf de preekstoelen - en dàt ook ons volk vóórgehouden moet worden.
Dat het Woord Gods gehoord moet worden!
Vanzelfsprekend is dit van het grootste belang voor ons Seminarieonderwijs.
Dat aanstaande predikanten door het huidige "theologein" niet omvergelopen worden en "stenen voor brood" zullen brengen, zodat men wel "hongert en dorst" naar het Woord, maar het niet meer vindt. 11) Hierbij komt natuurlijk de vraag wel ter sprake of we de wetenschappelijke theologie dan verwerpen?

We antwoorden daarop: zeker niet. Maar de wetenschap moet geen macht krijgen in de kerk - zeker niet als die afvallig is.
Kijk naar Rome - Thomas van Aquino.
Kijk naar Maccovius - de scholastiek.
Kijk naar Kuitert - metadogmatiek.
"Als de man-van-wetenschap als zodanig leidsman wordt in de kerk, dan gaat de ontwikkeling van de wetenschap de toon aangeven". 12) Met alle gevolgen vandien.

Toch zeggen we daarmee niet dat het wetenschappelijk werk, ook dat in dogmatiois, zonder waarde is.
Integendeel, de wetenschappelijke theologie in al haar vertakkingen hééft een taak in het op systematische wijze nadenken over dogmatische of ook exegetische of andere onderwerpen rut haar vakgebied.
Allerlei zaken en problemen kunnen diepgaand aandacht ontvangen en ook allerlei schijnproblemen die verwarring wekken, kunnen ontmaskerd worden. We kunnen stellen: de wetenschappelijke theologie kan soms de kerk zelfs belangrijke diensten bewijzen - als ze maar in dienst staat van het schriftgehoorzaam profetisch denken van de kerk.

In het spoor van Calvijn
We gaan hier in het spoor van Calvijn. Hij beleed Gods Woord in de oude belijdenis van de kerk en hij had ook zicht op de juiste plaats van de wetenschap. Voornamelijk in de strijd tegen allerlei ketters, die met hun wetenschap kwamen aandragen, gebruikte Calvijn ook wetenschappelijke termen, maar hij liet zich niet onder de macht daarvan brengen.
Al in de eerste uitgave van de Institutie
bespreekt Calvijn de oude terminologie inzake begrippen als "persona" en "substantia" . 13) Hij geeft evenals Augustinus de voorkeur aan "essentia" boven "substantia", in het spreken over de Drieëenheid.
Als er echter van ketterse kant bezwaar wordt ingebracht, dat deze termen niet in de Schrift voorkomen en door mensen uitgedacht zijn, dan antwoordt Calvijn, dat inderdaad al wat wij uit onszelf over Hem bedenken dwaas en onbetekenend is, en dat er daarom uit de Schrift een vaste regel van denken en spreken moet gezocht worden, "Maar", aldus Calvijn, "wat is er tegen om dingen, die in de Schriften voor ons begrip ingewikkeld en moeilijk zijn, met duidelijker woorden uit te leggen ... ?"
Het moet wel gebeuren met woorden die getrouw de waarheid van de Schrift dienen. Maar dan is er niets tegen om woorden als "Drieeenheid" en "Persoon" te gebruiken.
Anders zou men er bezwaar tegen moeten maken, dat "de waarheid helder en duidelijk gemaakt wordt". 14) Zo maakte het woordje "homoousios"
onderscheid tussen de Schriftgelovige christenen en de "heiligschennende arianen", zoals Calvijn ze noemde.
"Noem Christus eenswezens: dan rukt gij den listigaard (Arius) zijn masker af, en toch voegt ge niets aan de Schrift toe".
"Zeg (tegen Sabellius) dat Zij drie zijn, dan zal hij uitroepen dat gij drie Goden noemt. Zeg, dat in het éne Wezen Gods Drieëenheid der Personen is: dan zegt ge in één woord, wat de Schrift spreekt, en ge hebt ijdel gebazel onderdrukt".
Maar Calvijn haalt wèl met instemming Hilarius aan, dat al wat men verder zoekt dan de namen Vader, Zoon en Heilige Geest, "buiten de mogelijkheid ligt om door de taal te worden aangeduid, door de zinnen te worden onderzocht en door het verstand te worden begrepen". 15) Calvijn heeft het hermeneutisch beginsel duidelijk uitgesproken 16) en konsekwent naar methode en doelstelling met de scholastiek afgerekend! 17)

De Middeleeuwse scholastiek had nog Aristoteles als haar leidsman gehouden en liet de theologie door diens heidense filosofie beheersen.
Ze had nog geen begrip van een christelijke filosofie, die de wetenschappen hun plaats en taak wijst en die er van weet dat het denken niet over de Schrift mag heersen.

Toegepast in de methode van het onderwijs
We vragen nu misschien: hoe zal dat concreet toegepast worden?
Daar wil ik een voorbeeld van geven.
Bij de behandeling van het alomtegenwoordig-zijn van God in de Locus de Deo, kan men dat doen in de lijn van Augustinus - "to on", "het zijnde" - van Philo overgenomen.
Je kunt bijv. ook spreken over de ruimte-theologie van Newton, die de ruimte het "sensonum Dei" noemde, het zintuig waarmee God alles waarneemt. Maar je zult dan direct merken, dat de alomtegenwoordigheid van God, gedacht als eigenschap van een metaphysisch Goddelijk Weren de mensen niet hindert! God is dan overal gelijk! Maar in de Schrift is het een verschrikking! Hij vervult de hemel en de aarde en Hij zou de valse profeten, die uit hun eigen hart profeteren, wel vinden.
Jer. 23: 23-32. Hij kwam op hen af. En in Amos 9 : 2-4 sprak de HERE van de Baäldienaars: "AI groeven zij door tot in het dodenrijk, Mijn hand zou hen vandaar weghalen; al klommen zij op ten hemel Ik zou hen vandaar omlaag trekken. Al verscholen zij zich op Karmels top, Ik zou hen daar opsporen en weghalen; .. "
Ook kan Zijn nabij-zijn tot bemoediging wezen. Zo in Psalm 119: 150/151 (Staten-vert.): "Die kwade praktijken najagen genaken mij (komen dichterbij) ... maar Gij, HERE., zijt nabij". De HERE IS er al, om te helpen en te beschermen.

Dit ligt op een ander vlak dan een theologische verhandeling in het kader van het indelingsschema "mededeelbare en onmededeelbare eigenschappen". Kuyper en Bavinck waarschuwden wel, dat we deze indeling nooit in verband moeten zetten met een abstract Godsbegrip. Maar het gevaar daarvan is op dit theologisch denkvlak maar al te zeer aanwezig.
Het is ook voor de colleges dogmatiek van groot belang te luisteren naar dit levende spreken van de Heilige Schrift. Zo worden de reformatorische lessen van de jaren dertig in het Seminarie-onderwijs met dankbaarheid verdisconteerd.
We zijn toen in die jaren weer op het goede, Schriftuurlijke en reformatorische spoor gezet.
Zo wezen we er al op in een andere publicatie 18), boe het nodig is ons aan de Schrifttaal te houden, bijv. ook als het gaat over het z.g. gebruik van "anthropomorphismen".
We moeten ons niet laten verleiden het z.g. beter te weten dan de Schrift en "theologisch" te zeggen: "God heeft eigenlijk geen oog en geen oor, dat is on-eigenlijk taalgebruik".
We blijven daar in de lijn van Calvijn, die zich niet onder de macht van de scholastiek liet brengen, maar met instemming Hilarius citeerde. We laten staan wat er staat en zetten op een gegeven moment een punt. We kunnen en mogen de grens tussen God en kosmos niet overschrijden. Dit te onthouden is van belang. Wie bijv. gaat verklaren dat Genesis 2 vol met anthropomorpbismen staat, speelt ongemerkt het evolutionisme in de kaart en geeft daar opening aan (zie noot 18).
Prof. dr D. H. Th. Vollenhoven heeft deze zaak weer zuiver gesteld - evenals A. Janse. Volgens Hepp werd hier "het door de kerk als ketters verworpen anthropomorphitisme met vlag en wimpel binnengehaald". Maar ds G. Visee heeft het grote belang van het Schriftuurlijk spreken verdedigd en scherp positie gekozen. Hij heeft deze zaken opnieuw voor onze aandacht geplaatst.
Visee stelde terecht, dat de H. Geest spreekt in verstaanbare menselijke taal. De Heilige Geest spreekt in de Schrift nergens onthropomorph.
Als de HERE over Zijn oog, Zijn oor spreekt, Zijn hand, Zijn machtige arm, dan laten we dat zo staan. Het is theologisch geredeneer tegen God in, als we dan zeggen: "God heeft eigenlijk geen oog, geen oor - dit is anthropomorph".
Visee verwierp terecht de opvatting, dat God Zich aan onze beval1ing zou hebben moeten accomoderen en dat de theologen het daarom "terugvertalen" moeten èn kunnen.
Visee was daar geheel in de lijn van wat Vollenhoven al in 1926 in zijn inaugurale oratie stelde: God spreekt in voor de mens verstaanbare taal en woorden en dus past ons nooh een poging om deze mededelingen te vertalen in de vorm die ze voor God heeft, noch ook deemoed wanneer zulk een pogen mislukt".
19) Wij behoeven als de HERE spreekt, Hem dat noch op de kansel, noch op een theologische katheder te verbeteren, zei Visee. 20) We luisteren hier naar de taal van de Heilige Geest en zetten dan een punt. We gaan daar niet bovenuit.
We kunnen en willen met ons theologisch dènken niet méér zeggen dan Hij geopenbaard heeft.

10) Jer. 18: 7, 8; 26: 3, 19.; Jona 3: 10.
11) Amos 8 : 11-14.
12) A. Janse a.w. in bundel C. P. Boodt, e.a. pag. 134.
13) C.R. I. 59 v. Institutie I. XIII 2.
14) Institutie, I. XIII, 3.
Institutie, I. XIII, 5.
16) Institutie, I. XIII, 23.
17) J. Koopmans, a.w. p. 57.
18) Hoe verstaan we Genesis 1 en 21". Lezingen gehouden op de Studiedag van het N.G.S. te Hattem op 30 okt. 1982, p. 17 v.v.
19) D. H. Th. Vollenhoven Logos en Ratio, Kampen 1926, p. 26.
20) G. Visee, Onderwezen in het Koninkrijk der hemelen, Kampen 1979, p. 44.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief