Enkele opmerkingen inzake de taal

1983-05-20
  • Jaargang 27
  • nummer 20
Het doet mij altijd deugd wanneer ik iemand ontmoet die hart heeft voor de taal, die strijdt voor een goed gebruik en voor zuiverhouding van het Nederlands, en tegen bederf en vervlakking daarvan.
Met meer dan gewone belangstelling heb ik dan ook kennis genomen van het artikel van G. v. d. Brink in Opbouw 27, nr. 15, van 15 april 1983, getiteld "Rap rollen de woorden". En zijn "stille kruistocht tegen de vervlakking van de Nederlandse taal" heeft mijn volle sympathie.
Naar aanleiding van dit artikel zijn echter wel enkele opmerkingen te maken. Terecht hekelt de schrijver het, dat wat men noemt verouderde woorden het bestaansrecht wordt ontnomen. Zulke woorden worden vreemd, duur en aanstellerig genoemd. Wie er zo over denkt, vergeet dat er "groepstalen" zijn. In de ene kring spreekt men een andere "taal" dan in de andere.
In een officiële voordracht heeft men een ander taalgebruik dan in de dagelijkse omgangstaal.
Beide "talen" zijn Nederlands, maar er is verschil in niveau. Dat kan overdreven worden. Het valt mij telkens weer op dat allerlei mensen die geïnterviewd worden - men ziet en hoort dat door de moderne media - "thans" zeggen in plaats van "nu", en "reeds" in plaats van "al", terwijl dat helemaal niet noodzakelijk is. Voorts: in de loop der historie hebben veelal betekenisverschuivingen plaats. Het woord "knecht" bijvoorbeeld had vroeger de betekenis (althans mede) van "jongen".
In Job 3 : 3 Statenvertaling lezen we: ... Een knechtje is ontvangen.
En in Ex. 2: 6 Statenvertaling staat: ... zag zij (Farao's dochter) dat knechtken (Mozes) ... De betekenis "jongetje" is in de loop van de tijd helemaal verdwenen.
Zulke verschuivingen hebben zich ook bij andere woorden voorgedaan.
En daarmede zullen we toch in het hedendaagse taalgebruik rekening moeten houden. We kunnen niet zo maar verouderde woorden of verouderde woordbetekenissen aanhouden omdat we tegen vervlakking van de taal zijn.
En wie zal zeggen waar precies de grens ligt? Wanneer is een woord of een woordbetekenis nog aanvaardbaar en wanneer is dat niet meer het geval?
Een soortgelijk probleem is er met betrekking tot uit een andere taal overgenomen woorden. Hoe lang is een woord een gallicisme of een germanisme of een anglicisme, en wanneer heeft het burgerrecht gekregen in het Nederlands? De heer v. d. Brink zegt in zijn artikel: "Waarom zouden prachtige voegwoorden als daar zijn ...
middels ... , wijl verouderd, niet meer gebruikt mogen worden?"
Voor mijn besef, en ook voor het Woordenboek van Koenen, is "middels" een verwerpelijk germanisme.
Bestond het vroeger als een Nederlands woord? Ik weet het niet. Maar zoals het tegenwoordig gebruikt wordt en ingang vindt, is het een germanisme.
Overigens is "middels" geen voegwoord, maar een voorzetsel.
In het hedendaagse Nederlands wordt ook het werkwoord "afbouwen" in de zin van "langzamerhand beëindigen" hoe langer hoe meer gebruikelijk. Men hoort dat de exploitatie van de mijnen in Limburg wordt afgebouwd, dat bepaalde subsidies worden afgebouwd e.d. In Koenen staat echter: "Opm.: - in de betekenis van 'geleidelijk verminderen' is Dui".
Het Nederlandse "afbouwen" heeft m.i. de zin van "een bouwwerk afmaken, voltooien".
Nog een andere zaak. Het bijwoord "terecht" wordt tegenwoordig ook wel gebruikt als bijvoeglijk naamwoord. In een tv-reclame wordt een bepaalde drank aanbevolen met aan het slot: uw terechte keus. Tegenover "terecht" staat "ten onrechte", maar men vormt tegenwoordig het woord "onterecht"
en gebruikt dit ook als bijvoeglijk naamwoord. Wanneer krijgen zulke woorden een rechtmatige plaats in onze taal, en wie maakt dat uit?
Hand over hand neemt ook toe het gebruik van "ooit" in de zin van "eens", "voorheen". We treffen het ook aan in het artikel van v. d. Brink: " ... ds. H. G. Abma, door de Volkskrant ooit de beste (sic) stylist van het Nederlandse parlement genoemd". In mijn oren klinkt dat heel vreemd. Maar misschien vindt ook dit nog eens ingang.
Er zijn meer dingen te noemen.
Zo het gebruik van "hetzelfde" in de zin van "eender". Dit woord wordt hetzelfde geschreven als dat.
In de 24ste druk van Koenen wordt dat nog niet vermeld (1956), maar in de 27ste druk (vijfde oplage 1977) lezen we: "bw: al deze kwesties zullen niet - worden behandeld op gelijke wijze".
Herhaaldelijk kom ik tegen, ook in geschriften van hooggeleerde scribenten: in de loop der tijd, terwijl het toch moet zijn: in de loop des tijds, of: in de loop van de tijd. Men ontmoet ook: in grote getale, van koninklijke bloede, met voorbedachte rade etc. We schrijven allang niet meer de naamvals-n, en dat is mij wél, maar wanneer we in dergelijke uitdrukkingen de e handhaven (getale, bloede, rade) dan moeten we ook de n vasthouden.
Wat mij bij deze en dergelijke vraagstukken intrigeert, is dit: Bestaat er ook een norm die bepalend is? of moet de spraakmakende gemeente het maar uitmaken?
Spreekt zij het laatste woord? Maar zij is vaak slordig en onzorgvuldig.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief