Persschouw
1983-05-20
Twee journalisten vroegen Prof. dr ir. E. Schuurman uit Breukelen naar zijn mening over het verschijnsel automatisering. De "Variant", wekelijks bijvoegsel van het "Nederlands Dagblad", bood ons een uitvoerige uiteenzetting van de visie van genoemde hoogleraar op de arbeid, de techniek en de toekomst.- Jaargang 27
- nummer 20
Wij lichten daaruit slechts een klein gedeelte. Hier is het:
Zin'-loosheid
"Er zijn echter altijd ontwrichtingen en verstoringen geweest", constateert Schuurman. "Toen er een tekort aan arbeidskrachten was, bleek die ontwrichting, En nu er te veel zijn blijkt die verstoring evenzeer. De diepste oorzaak ervan ligt in de zonde en het kwaad.
Typerend voor die ontwrichting is, dat er voortdurend normatieve grenzen overschreden worden. Een artikel, dat ik onlangs schreef over "Wij en de automatisering" maakt duidelijk, dat de schepping zo rijk is aan ontplooiingsmogelijkheden, dat werkloosheid een oordeel inhoudt over de manier waarop wij mensen onze opdracht verstaan en in praktijk brengen. De mens is geroepen tot arbeid. In de schepping zijn zoveel mogelijkheden, die niet benut zijn. Je kunt het ook anders zeggen: De schepping is zo rijk aan 'zin', omdat zij betrokken is op het koninkrijk Gods. Dat is onuitputtelijk en onoverzichtelijk, Misschien weten we met die zin geen raad meer en worden we daarom geconfronteerd met werkloosheid als zinloosheid.
Werkloosheid is trouwens een zinloos begrip. Het zou ons moeten schokken dit woord te gebruiken.
Tijdverdrijf is ook zo'n woord. Terwijl tijd in de schepping gegeven is, willen wij die geweldige gave van God bij wijze van spreken zo snel mogelijk kwijt raken. Ik denk, dat het gebruik van dergelijke termen als werkloosheid en tijdverdrijf te maken heeft met de eigenmachtrigheidvan de mens. De mens wordt echter tot arbeid en zinvolle tijdsbesteding geroepen, dat is een opdracht van God".
Treffende woorden! Om ernstig over na te denken! Ze werpen een verrassend licht op een nijpend probleem!
Kerkelijke eenheid
Met grote belangstelling slaan wij van terzijde de ontwikkeling van de aktie: "Samen op weg", waardoor men de eenwording van de Hervormden en Gereformeerden gestalte tracht te geven, gade.
Prof. dr W. van 't Spijker van Apeldoorn heeft er in een paar artikelen in "De Wekker" ook enige aandacht aan besteed. In dat verband gaat hij nader in op de roeping de eenheid te zoeken met alle ware gereformeerden zoals die al verwoord werd in de Acte van Afscheiding uit 1834. Wij geven van zijn tweede artikel hierbij het slot door: Voor ons allen blijft gelden wat de "Acte van Afscheiding" èn "de hartelijke Uitnoodiging aan alle gereformeerden" uit 1834 zegt.
Neen, die Acte is geen belijdenisgeschrift, dat nog eens weer bij : de drie formulieren komt. Maar zij heeft wel op een correcte manier weergegeven wat in kritieke dagen de roeping blijft van allen, die de Here in waarheid vrezen: Wij reiken de broederhand en zoeken gemeenschap met alle ware gereformeerden.
Laten we daarmee vandaag beginnen, niet afwachtende wat anderen over vier jaar eventueel eens zouden kunnen gaan doen. 't Is de vraag of we het beleven. We zouden ermee kunnen beginnen, met die vraag eens serieus aan de orde te stellen binnen het contactorgaan van de gereformeerde" gezindte. En dan niet vanuit de mogelijkheden, die wij zien, maar vanuit het besef, dat de roeping Gods. die van boven is, ook heilzaam en krachtig is. Bucer zegt ergens: God geeft nooit een gebod zonder dat Hij ook de kracht geeft. Waar zijn gebod is, daar is de kracht!
0, wat zou het een omkeer van alles in Nederland betekenen, wanneer allen, die echt gereformeerd willen zijn, en die willen staan op de grond waarop onze vaderen stonden, wanneer die allen eens zouden beseffen hoezeer ze elkaar nodig hebben en hoezeer zij allen, niemand van hen uitgezonderd, staan onder het Schriftwoord: geen mens zal scheiden wat God samenvoegt!
Niet om met dat woord in de lijdelijke hoek te kruipen en te kijken wat anderen ervan maken, maar om het te horen als een bevel en als een belofte, wèt èn evangelie, als een oproep tot onszelf om te zeggen: Broeder! Hier is mijn hand!
Deze woorden zijn ons uit het hart gegrepen! Wèl dient geaksentueerd te worden, dat het serieus zoeken naar kerkelijke eenheid zelfbeproeving vraagt en zelfverloochening met zich meebrengt. Dán alleen word je bewaard voor verbittering als je merkt, dat je pogingen schipbreuk lijden, omdat men van de andere kant pas de uitgestoken broederhand wil aanvaarden als je aan HUN eisen hebt voldaan!
De betrouwbaarheid van de Bijbel
In een artikel: Gebruik en misbruik van de archeologie, geplaatst in "Evangelisch Commentaar", heeft Prof. dr K. R. Veenhof behartigenswaardige opmerkingen gemaakt over de voorzichtigheid waarmee men in de wetenschap t.a.v. het "toch gelijk hebben" van de Bijbel te werk dient te gaan.
Prof. Veenhof kritiseert in genoemd artikel de E.O.-uitgave: "Het ontstaan van Israël, De geschiedenis van het Oude Testament", van de hand van Dr W. J. Ouweneel. Prof. dr J. Douma heeft aan deze materie twee driestarren in "De Reformatie" gewijd. Het slot van de tweede driestar luidt als volgt: "Maar ons geloof in die betrouwbaarheid is niet gefundeerd op wat de archeologie van het Midden-Oosten naar boven haalt. 'Al zouden we kunnen bewijzen, dat Abraham bestond, bewijst dat de werkelijkheid van Gods verbond?' vraagt prof. Veenhof.
Die vraag stel ook ik en met Veenhof antwoord ik: nee. Ik geloof in de betrouwbaarheid van de Schrift, ook al zal Abrahams naam en geschiedenis nimmer uit de bodemschatten van het Midden-Oosten te voorschijn komen.
Toch wordt de vraag, die prof.Veenhof stelt, ook wel eens anders geformuleerd: 'Als we zouden kunnen bewijzen dat Abraham niet had bestaan, zou dat de werkelijkheid van Gods verbond dan aantasten?' Op deze vraag antwoorden tal van Schriftcritici opnieuw met: nee, terwijl het antwoord 'ja' moet zijn. Gods verbond is werkelijkheid in onze geschiedenis geworden - een geschiedenis met Adam en Eva, met Noach en Abraham, met David en Zerubbabel, met Jozef en Maria. En als zulke namen ons uit niet-bijbelse bronnen bekend zijn of bekend zouden worden, is er niets op tegen daar dankbaar gebruik van te maken.
Archeologie, die de betrouwbaarheid van de bijbelse gegevens in twijfel trekt, mag op haar beurt in twijfel getrokken worden. Archeologie bewijst ons geloof niet, maar zij kan het wel bevestigen. Wij volgen in ons geloof immers geen verdichtsels na, maar hebben met een geschiedenis te maken, die heel echt gebeurd is, zich in het Midden-Oosten heeft afgespeeld en daarom haar sporen ook buiten de Bijbel in de bodem van dit stukje wereld kan hebben nagelaten."
We betuigen van harte onze instemming met deze opmerkingen en konstateren dankbaar de overeenstemming tussen Douma en Veenhof op dit punt!