Nog enkele opmerkingen over liturgie

1983-05-27
  • Jaargang 27
  • nummer 21
Zoals ik in het nummer van 6 mei al schreef, is het de bedoeling van deze artikelen niet alle onderdelen van de kerkdienst te bespreken, maar enkele opmerkingen te maken over bepaalde dingen, die me vaak zijn opgevallen in de voorbereiding voor en de vormgeving van de dienst.

Een eerste opmerking betreft

De dienst der gebeden
Wij beschouwen het als gewoon, dat de dienaar des Woords ook voorgaat in de dienst der gebeden.
Wanneer het de eigen dienaar van een gemeente betreft, zal dat ook wel 't meest voor de hand liggend zijn. Hij mag geacht worden de noden en zorgen, die er in de gemeente zijn, te kennen, en ook de blijdschap over allerlei weldaden onder woorden te kunnen brengen in het gebed.
Maar voor een predikant van een andere gemeente of voor een ander, die van buiten komt en in de dienst voorgaat, is dat veel moeilijker.
De gemeente te Rotterdam-Overschie belichtte bij de informatie over de liturgie, dat het kon voorkomen, dat een ouderling zou voorgaan in het gebed na de preek.
Ingrijpende gebeurtenissen in de gemeente - een sterfgeval, een ongeluk, een ernstig ziekte-geval of de afsnijding van een lid - kunnen veel beter dn het gebed worden voorgelegd aan de HERE door een ouderling, die van alles op de hoogte is. Ik vond dat erg zinvol.
Ook omdat erdoor uitkomt, dat het in de samenkomsten van de gemeente niet een éénmansbediening is.
(Om die reden was onze professor in de homiletiek er sterk op tegen om het instituut van voorlezer af te schaffen. Als er rekening gehouden wordt met de gáve om te lezen lijkt het me uitnemend.) Nu we het over de voorbede hebben, wil ik graag doorgeven, wat ds J. D. Smit onlangs schreef in het kerkblad van Maastricht. Het gaat over een gebeurtenis in een van onze kerken, waarvan hij had gehoord. Een vrouw was ernstig ziek geweest en genezen. Ze zag daarin Gods barmhartigheid en de kracht van het gebed der gemeente.
In de zondagse kerkdienst getuigde ze daarvan en vroeg de gemeente met haar een bepaald lied aan te heffen, dat haar veel kracht had gegeven. Ds Smit schrijft dan: "Dat is nou een heel duidelijk en concreet voorbeeld van elkaar opbouwen en bemoedigen in de eredienst.
Je zou kunnen zeggen: de traditionele dankbetuiging in het kerkblad werd verplaatst naar de zondagse samenkomst."

In de tweede plaats iets over

Het lezen van de wet
De jarenlang gevolgde gewoonte, om èlke zondagmorgen de wet te lezen uit Exodus 20, eventueel met de "korte samenvatting" uit Matth. 22: 37-40, heeft bij velen de gedachte doen post vatten, dat het zo per sé móét. Alleen Deut. 5 mocht ook nog.
In een kerkbode las ik een artikel, waarin zelfs het lezen van de "hoofdsom" uit Matth. 22 wordt afgewezen. De schrijver motiveert zijn mening, dat uitsluitend de tien geboden mogen worden gelezen, aldus: "Van de Sinaï
spreekt God tot Zijn volk. Daar stelt Hij Zelf de liturgie vast van Zijn spreken in de eredienst. Daarin achtte God Zijn werk compleet, toen Hij met eigen vinger de tien geboden op twee stenen tafelen schreef. Een hoofdsom werd door Gods vinger daar niet aan toegevoegd."
Nu is al dikwijls opgemerkt, dat de Schrift nergens spreekt van tien geboden. Ze worden genoemd de tien woorden, de woorden van het verbond. (Ex. 34: 28; Deut.4 : 13). Als we Deut. 5 lezen, beginnen we gewoonlijk met vers 6, maar het is nuttig eens met vers 1 te beginnen. Dan zien we, dat Mozes tot Israël zegt: "Jahweh, onze God, heeft met ons een verbond gesloten op Horeb. Niet met onze vaderen heeft Jahweh dit verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier heden allen in leven zijn." (vs. 2 en 3). De tien geboden zijn de men woorden van het Horebverbond. Natuurlijk hebben die woorden ook voor ons betekenis, zoals héél de Thora. Maar evenmin als ik zal de schrijver van bedoeld artikel nog de sabbatdag onderhouden, want dat is de zaterdag.
Het is goed, wanneer we ons bij het lezen van de wet niet beperken tot Ex. 20 en Deut. 5. Als ik me niet vergis, gebeurt dat ook al in verschillende kerken. En wat zou er op tegen zijn? De HERE heeft ons toch Zijn wil geopenbaard in héél de Schrift?
Wat het Oude Testament betreft, lees ik bij afwisseling graag Lev. 19. Ook wel Deut. 6: het grote en eerste gebod, samen met bv, Rom. 13 : 8-10, het tweede gebod, aan het eerste gelijk. En hoeveel gedeelten in het N.T. zijn niet te noemen, waarin aan de gelovigen in de Here Jezus Christus duidelijk wordt voorgehouden, wat de nieuwe levenswandel is. Ik denk aan Romeinen 12, Gal. 5 : 13-26, Efeze 4: 17-32, Kol. 3 : 5-17.
Af en toe ga ik voor in gemeenten, waar men voor de wetslezing zich stipt wil houden aan Ex. 20 en Deut. 5. Natuurlijk sluit je je daar dan bij aan, maar zo'n beperking is niet vereist, en het is altijd te merken, dat er bij afwisseling in de keus van de Schriftgedeelten met meer aandacht wordt geluisterd.

De Maaltijd des Heren
Dikwijls lees je in de kerkbladen: viering van de Maaltijd des Heren.
Meestal nog wel: het Heilig Avondmaal. Ik rou een lans willen breken voor het gebruik van de eerstgenoemde naam.
Zowel wat betreft de frequentie als wat betreft de wijze van viering is er in de Ned. Geref. Kerken nogal verschil.
Er zijn gemeenten, waar de wering slechts éénmaal in de drie maanden plaats vindt. Bij andere gebeurt het eenmaal per twee maanden. Weer anderen doen het elke maand en een enkele gemeente kent de wekelijkse viering.
Met het laatste is men ongetwijfeld in de geest van de Schrift.
En de reformatoren, behalve Zwingli, zijn tot dat gebruik teruggekeerd.
Calvijn schrijft in de Institutie, dat het altijd moest geschieden, dat er geen samenkomst der gemeente gehouden werd zonder prediking des Woords, gebeden, uitdeling van het Avondmaal en aalmoezen.
De gewoonte, die gebiedt eenmaal 's jaars te communiceren, noemt hij een zeer gewisse uitvinding van de duivel, door wiens dienst ze dan ook ingevoerd moge zijn. (Boek IV, hfdst. XVII, 44 en 46).
In de oude K.O. stond in art. 63: Het Avondmaal des Heren zal ten minste alle twee of drie maanden gehouden worden. Het Akkoord van Breukelen, 1982, heeft zelfs het noemen van twee maanden weggelaten.
Het is merkwaardig, dat van de minstens alle twee of drie maanden de meeste Geref. kerken het minimum hebben verkozen.
Hoe zijn we er toch toe gekomen om de viering van de maaltijd van onze Heer, waaraan God ons Zijn liefde en trouw wil verzegelen, te beperken tot een minimum?
Intussen heeft die driemaandelijkse viering er wel toe geleid, dat' men de maaltijd des Heren - een feestviering! - ziet als en heel bijzondere en ernstige zaak. Er moest een aparte voorbereiding aan voorafgaan en op de zondag, die aan de viering voorafgaat, moest een voorbereidingspreek worden gehouden.
Daarenboven moest elke zondag, waarop de maaltijd wordt gehouden, nog een formulier worden gelezen. En wat voor formulier!
Bepaald niet kort. En men is het lezen van dat lange formulier gaan zien als iets, wat er - in ieder geval in de morgendienst beslist bij hoorde.
Uiteraard is het lezen van dat formulier een rem geweest voor een veelvuldiger viering. Elke week de dood des Heren gedenken is normaal, maar elke week zo'n lang formulier lezen is abnormaal.
Voor alle duidelijkheid nog dit: ik zeg geen kwaad van een goede voorbereiding voor de viering van de maaltijd des Heren. Evenmin als ik kwaad zou willen zeggen van een goede voorbereiding voor het feest van de zondagse kerkdiensten.
Daar pleit ik juist met klem voor. Omdat we graag zondagmorgen op tijd met de gemeente willen samenkomen om onze God te ontmoeten, zullen we bv. niet op zaterdagavond een feest organiseren, dat tot laat in de nacht duurt.
Een goede voorbereiding voor de viering van het heilig feest van Christus' gedachtenis (prachtig lied uit het Liedboek, 358!) is het wegdoen uit ons leven van alles wat de gemeenschap met God en met elkaar in de weg staat. Maar dat klemt dan toch niet heel bijzonder?
Dat geldt toch voor elke kerkgang? (Zie Matth. 5 : 23, 24).
De gedachte, dat elke gelovige zich bij elke viering van dit feest moet beproeven, of hij wel mag deelnemen aan de viering, is wel gegrond op de woorden uit 1 Korinthe 11 : 28, maar dat zègt Paulus daar niet. Paulus waarschuwt tegen de misbruiken in Korinthe: liefdeloosheid, de gemeente minachten, de behoeftigen beschaamd maken, en dan zo maar de maaItijd van de Heer houden.
We moeten die maaltijd niet in die zin tot iets heel bijzonders maken, dat we die als iets heel aparts, iets bijzonder heiligs gaan beschouwen.
Het bijzondere van de maaltijd van onze Heer is, dat God in Jezus Christus met zulke mensen als wij zijn, gemeenschap wil hebben.
Maar voor wie Hem vrezen, is er dan de vertrouwelijke omgang van de Here met Zijn volk.
Als tussen vrienden S. G. de Graaf zei in een preek uit 1934: "Als het verbondmatig leven in de kerk doorbreekt en wij de Schrift gaan verstaan, zullen we vragen: Geef ons meer dat toch zó natuurlijke teken en zegel van die gewone gemeenschap met de Here!"
We zijn nu vijftig jaar verder. Zijn we ook vèrder gekomen?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief