Over vernieuwing van het theologisch onderwijs – 4
1983-05-27
Na al wat in de voorgaande artikelen gezegd is, besluiten we met een derde paragraaf en met een "Naschrift", dat nog enkele woorden zegt over de bij de aanhef van deze artikelen reeds genoemde vraag, hoe het komt dat er verschil is of was tussen wat ds G. Janssen onder 'theologie' verstond en wat wij er onder verstaan.- Jaargang 27
- nummer 21
3. Onze verantwoordelijkheid als Ned. Gereformeerde ten aanzien van het theologisch onderwijs
We achten het een eer als Nederlands Gereformeerde Kerken, na een weg van strijd en verwarring, nog te mogen staan in de traditie van degenen die in de jaren dertig naar de Sohrift terugriepen.
Er is harde strijd gevoerd, al van de jaren twintig af over het verstaan van de Schrift. Intussen lijkt, die strijd aan velen geheel te zijn voorbijgegaan. De hele theologische handel over het anthropomorphe spreken van en over God is praktisch overal, ook aan de Theologische Hogeschool te Apeldoorn, een onbestreden zaak. 21)
Het deed me denken aan de opmerking van een collega die onlangs Canada bezocht en die t.a.v. de prediking in de Christian Reformed Churches opmerkte, dat je wel kon merken, dat, zoals hij het uitdrukte, "de wind, de geest, van SchiIder en van A. Janse en zijn boeken er daar niet overheen gegaan was. Er wordt zeer exemplarisch gepreekt." Ik antwoordde hem, dat dit ook mijn zorg ren aanzien van onze Nederlands Gereformeerde Kerken was. Over enige jaren kan het zover zijn dat voor de jongere generatie veel van wat we hebben mogen winnen door het werk van Schilder en Janse en Holwerda, verborgen is.
Misschien voorgoed voorbij (?) Waar horen onze theologische studenten daar nog van? Waar werken we in dezelfde lijn? Het gaat ons niet om repristinatie, om terug te keren naar een vroegere toestand, maar we willen wel werken in dezelfde reformatorische lijn! Anders vallen we zelfs in deze, door een sterke hang naar subjectivistische vroomheidsbelevingen getekende, tijd op een gevaarlijke wijze terug in de sfeer van mystiek. En dat na al wat er in de jaren dertig op dat front "gewonnen" was.
Daar hebben onze kerken een taak en roeping - tégen het alètheia zeggen van de moderne theologie en tégen de subjectivistische stromingen die volop terrein veroveren.
Dat de plaatselijke kerken er toch voor zorgen - in de lijn van 2 Timotheüs 2: 1 en 2 - dat er mannen zijn die de strijd op al deze fronten hebben leren zien!
Het is, vrees ik, symptomatisch, dat er in onze kerken zelfs opvallend minder belangstelling is voor het werk uit de jaren dertig dan in de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken - zoals me door een broeder die het weten kan, werd meegedeeld.
We moeten niet denken dat we er zijn! De strijd der geesten gaat met volle kracht voort.
Er wordt nog àl teveel gedacht, dat men met het theologisch apparaat de waarheid moet uitpellen uit de Schrift, of dat men daarmee Gods Woord moet terugvertalen - wat ds Visee zo bestreed.
Als we de Schrift naspreken moeten we niet denken dat we die woorden toch eigenlijk in de "theologische lift" zetten 22), zodat we dan achter de betekenis komen, of een betekenis die àchter de waarheid zou liggen te weten komen.
En op die wijze z.g. alètheia zeggen, God uit-zeggen. Nu, daar is de taal van de Schrift te koninklijk voor: van de Heilige Geest - en dus van de Goddelijke Auteur zelf.
Naar Hem te luisteren en met Zijn staf de schapen te laten hoeden, de staf van het Wóórd - ook onszelf en het komende geslacht dáár gaat het ons om. Want we zijn met het zoeken van reformatie in het theologisch onderwijs bezig voor de toekomst - met het oog ook op onze kinderen en kleinkinderen. Als het de Here behagen mag ook hun "ruimte" te geven.
Moge het velen gegeven zijn in deze historische, reformatorische lijn méé te werken. Het zou gebedsverhoring zijn.
In dit "Naschrift" geven we ons nog apart rekenschap van de
Naschrift
moeite die ds G. Janssen had met de in de brochures van het Ned.Geref. Seminarie gebruikte uitdrukkingen als m.n. 'het profetische spreken'.
We zeiden in het eerste artikel al dat we hierop zouden terugkomen.
Ds Janssen meende destijds n.l. iets van ongezond actualisme in de uitdrukking 'profetisch spreken' te beluisteren. Andere wijzen van spreken zouden in het gedrang kunnen komen, meende hij. We hopen intussen dat een en ander ook voor hem duidelijk geworden is.
We zeiden ook reeds, dat ds Janssen 'theologie' opvatte als "het gelovig en samenvattend naspreken van de Schrift als vrucht van gehoorzaam luisteren" en dat hij daar waarschijnlijk hetzelfde bedoelt als wat wij onder profetisch spreken verstaan. (no. 8, pag. 58).
O.i. vergeet hij echter, dat onder 'theologie' aan de bestaande opleidingsinstituten iets heel anders verstaan wordt, zodat zijn opvatting van 'theologie' in het geheel niet dekt datgene waar men bij de meeste opleidingen mee bezig is.
Bovendien kan door deze begripsverwarring het onderscheid tussen het praktische spreken van de Schrift èn het theologiseren, zoals daarover in de brochures van het Seminarie en ook in deze artikelen kritisch geschreven en gesproken wordt, niet meer opgemerkt worden.
Het gebruik van het woord "theologie" voor het naspreken van de Schrift is o.i. dan ook af te raden.
Mogelijk is de oorzaak van de moeite in dezen, gelegen in het onvoldoende rekening houden met de reeds van de aanvang af in de Calvinistische of Reformatorische wijsbegeerte gemaakte onderscheiding tussen "wetenschap" en "dagelijkse ervaring". Wetenschap als resultaat van menselijk denken, uiteenstellend denken.
Geheel onderscheiden daarvan is het naspreken-in-de-tijd van het midden in de werkelijkheid vermanende, vertroostende, bemoedigende of bestraffende Woord Gods. Dat is het "profetische spreken" - het is het zeggen van de dingen die thans gezegd moeten worden.
Wanneer de wetenschappelijke verhandeling op de preekstoel gebracht wordt, is het, hoe orthodox getoonzet ook, een tijdloos geheel.
"Profetisch spreken" is het levende Woord Gods verkondigen - in de lijn trouwens van onze roeping genoemd in Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus.
21) Zie Lezingen Studiedag, a.w. p.17 v.v.
22) Vgl. Lezingen Studiedag, a.w.
p. 19. Ds. H. Smit stelt in de Studiemap Theol. Begeleiding C no. 14, de vraag of men als je laat staan wat er staat "oog", "arm", "hand", enz., dan eigenlijk de dimensieverschillen tussen God en ons niet wegstopt. "Men leest eenvoudig wat er staat, máár nu zitten al die eenvoudige woorden zèlf in de theologische lift!!" Ons antwoord is: Kijk, dat is de al hiervoor gesignaleerde fout - het grote misverstand, zo men wilalsof wij met ons theologisch apparaat deze woorden toch nog weer zouden moeten "bewerken", alsof we de Waarheid zouden moeten "uitpellen".