Het abc van het Nieuwe Testament

1983-06-03
  • Jaargang 27
  • nummer 22
Het meest komt dit woord voor in de gewone, natuurlijke betekenis. Als er bijvoorbeeld staat dat ouders hun kinderen moeten opvoeden in de vreze des HEREN, dan behoeft dat voor ons geen enkele verklaring. 'En dat is in veel uitdrukkingen het geval: kinderen moeten hun ouders gehoorzaam zijn, vaders zullen hun kinderen niet hard behandelen enz. Of deze geboden door ons allen in acht worden genomen is een andere zaak, maar duidelijk zijn ze in elk geval wel.

Mogelijk is enige verklaring wél nodig als het woord voorkomt in vergelijkingen. In Mattheüs 18 vragen de discipelen aan Jezus: "Wie is wel de grootste in het Koninkrijk der hemelen?", waarop Jezus een kind in hun midden zet en zegt: "Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij voorzeker het Koninkrijk der hemelen niet binnengaan. Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen". Hier is het kind niet een voorbeeld van onschuld en onbedorvenheid, zoals dat door humanisten wel wordt voorgesteld, maar van verlegenheid en hulpeloosheid. Dat kindje zal zich midden onder die grote mannen klein en verlegen gevoeld hebben. 't Zal daar wat bedremmeld hebben staan kijken. Het verhaal doet me denken aan de vraag van Johannes en Jacobus aan de Heiland, of ze een eerste plaats naast Hem mochten innemen, als Hij in zijn heerlijkheid zou zijn ingegaan. Zij wilden wel graag de eersten zijn naast Hem.
Ze wilden wel graag een beetje mee heersen, leiders zijn. Dat zit wel in onze oude natuur. En dat zit er al vroeg in. Een kind in de kinderstoel dreint al net zo lang, tot het z'n zin krijgt. En een pientere jongen of meisje speelt al graag een weinig de baas over broertjes of zusjes. In een vreemde omgeving is het wel verlegen en bedrukt, maar in eigen gezin voelt hij zich een hele baas. In het Koninkrijk der hemelen gaat het niet om de eerste te zijn en te heersen. Maar om te dienen. De minste te willen zijn. Zich ter beschikking stellen van anderen. Die het meest tot dienst bereid is, zal de grootste zijn. Helaas wordt de neiging om te heersen ook in de gemeente maar moeilijk overwonnen.
Hoewel de Koning uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd tegen de begeerte om rabbi of leider of meester te zijn, staan ze altijd weer op. We zullen aannemen met de beste bedoelingen, maar wel tegen het woord van de Heer der gemeente.

Ook komt het kind voor in het onderwijs van Jezus aangaande het gebed. Het verwacht alle goeds van vader. Als het vraagt om duisternis is in Hem. En Christus brood en vis of ei, dan zal zelfs een slechte vader het gevraagde geven. Zo mogen wij van onze hemelse Vader de Heilige Geest en Geestelijke gaven met vrijmoedigheid vragen. Hij zal het ons aan niets doen ontbreken. We zullen niets te kort komen in wat wij echt nodig hebben en Vader ons heeft beloofd. Het zal aan ons liggen als wij wél tekort komen.
Laten wij onze mond maar openen en vrijmoedig vragen. Wat ons ontbreekt, schenkt God mild en overvloedig.

Verder wordt ons woord gebruikt in de betekenis van: behorend bij; niet in de eigenlijke betekenis maar oneigelijk of overdrachtelijk.
Er worden geen kinderen speciaal mee bedoeld, maar mannen en vrouwen. Een kind des doods is iemand die ten dode is opgeschreven. Een kind van de duivel of van de hel is een booswicht. Van nature zijn we kinderen des toorns.
D.w.z. liggen we met heel de gevallen mensenwereld onder Gods toorn. En als we naar onze zondige aard blijven leven, zullen we omkomen of vergaan. In de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester is sprake van "kinderen dezer wereld". Daarmee worden bedoeld mensen, die met God en zijn gebod niet rekenen. Zij zijn zoals de slimme rentmeester te prijzen, niet om hun onrechtvaardigheid maar alleen in dit opzicht dat zij met meer overleg te werk gaan dan de kinderen des lichts.
Zij houden méér rekening met de toekomst dan de gelovigen vaak doen. In dát opzicht kunnen wij gelovigen wel wat van de ongelovigen leren. We zullen ons vrienden moeten maken met behulp van de mammon, waarmee veel ongerechtigheid wordt bedreven.
Opdat we zullen worden opgenomen in de eeuwige heerlijkheid.
Op een nieuwe aarde.

In het voorgaande is gesproken van kinderen van het licht. Die uitdrukking komt voor in 1 Thessalonicensen 5. Van de gelovigen in Thess. wordt door Paulus gezegd: "Gij zijt allen kinderen van het licht. En niet van de duisternis".
Licht is een symbool, een teken van al wat goed en waar en waardig en heilig en rechtvaardig is.
God is een licht en gans geen is het licht der wereld. En allen die geloven in de Here Jezus zijn kinderen van het licht en hebben de taak om hun licht te laten schijnen in deze wereld van ongeloof en duisternis. Ze behoren te schitteren als sterren in de donkerheid.
Daar ligt de werkkracht van de gemeente. De ongelovigen moeten zo mogelijk gewonnen worden voor het Koninkrijk en de Gemeente.
Opdat zij ook kinderen van het licht mogen worden en met schijnen in de donkerheid. Daar ligt de werkkracht van de gemeente.
De ongelovigen moeten zo mogelijk gewonnen worden en met alle gelovigen de hemelse Vader verheerlijken. Zou het aan de ontrouw van de gelovigen liggen, dat er vrijwel geen werfkracht van de kerken of gemeenten uitgaat?
Sluiten we ons teveel op in eigen kring? Als kinderen van het licht zullen we niet alleen broeders en zusters liefhebben. En niet alleen goed doen in eigen kring. Maar we zullen állen liefhebben en alle mensen goed doen. Wij zullen niet zeggen van eigen gemeente: hier moet je wezen. Maar we moeten ons leven wel zo schikken en richten, dat de anderen mogen zeggen: daar moeten we zijn. Om vrede en troost te vinden. Onze vriendelijkheid en blijheid en geschiktheid enz. moeten alle mensen bekend zijn. Zo staat het er toch? Nu dan.

Kinderen van het licht worden ook kinderen van het Koninkrijk genoemd.
En mooier en heerlijker nog kinderen van God. Die uit God geboren zijn. D.w.z. die hun eigenlijk bestaan of leven niet aan vader en moeder hebben te danken, maar aan God. Er is een sekte, die zich "Children of God" noemt.
Die naam moet zich maar geen enkele kerk of sekte toeëigenen.
Die naam komt toe aan allen, die God kennen en afstaan van ongerechtigheid.

Johannes schrijft in zijn eerste brief: "Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden en wij zijn het" (3 : 1). En in vers 10 zegt hij: "Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels kenbaar (te onderscheiden): ieder die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenals wie zijn broeder niet liefheeft". We kunnen en mogen wel vertalen: ieder die geen goede werken doet, is niet uit God. Want wie uit God geboren is, wie dus een kind van God is, doet geen zonde. Is dat niet om te schrikken? Wie kan en durft zich dan een kind van God noemen? We hoeven niet te schrikken. Het wil niet zeggen dat we zonder zonde moeten zijn.
Johannes zegt op een andere plaats: "Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en doen de waarheid niet.
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouwen rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid".
Strijdt het één niet met het andere? Zondigen gelovigen nu niet of wél? - Ze maken van zondigen niet hun praktijk. Dat staat er precies. Ze kunnen en willen niet in de zonde léven! Maar ze kunnen wel struikelen en soms vallen. Doch ze blijven er niet in.
Ze gaan er niet mee door. Daar bewaart hen het "zaad" voor, dat in hen blijft. D.w.z. het Woord van de HERE blijft werken in hun leven. Het Evangelie, dat een kracht van God is tot zaligheid.
Dat Woord wederbaart hen, doet hen telkens weer opstaan als ze gestruikeld zijn. En leven als nieuwe mensen.

Als er staat dat niemand zonder zonde is, moet ons dat niet brengen tot een accoordje met een boezemzonde. Die we dan maar niet zo erg moeten vinden. Integendeel, we mogen niet ophouden sterke weerstand te doen, zoals ergens staat. Nooit denken of zeggen, dat de een of andere zonde in ons leven onoverwinnelijk is. Ik herinner mij een jonge man, die bekend stond als een rokkejager.
Hij ontkende niet, dat hij dat was.
Hij beleed het eerlijk. Maar hij kwam mij ook zeggen, dat hij er maar niet meer tegen streed. Hij gaf het op. Dat het niet deugde, stemde hij toe. Dat hij veel ellende teweeg bracht, wist hij ook. Maar 't zat hem nu eenmaal in het bloed. Hij kon er niet tegen op. Heb ik toen gezegd, dat hij de strijd maar moest opgeven? Zeker niet. Ik wees hem op de goddelijke kracht van de H. Geest. Die was toch sterker dan dat "duiveltje in hem"? Als hij op Christus vertrouwde, moest hij toch zeggen: "Ik vermag alles door Christus die mij kracht geeft". We kunnen en mogen toch superoverwinners zijn?
Vermoedelijk lijken veel mensen op deze jongeman. Ze verwachten veel te weinig van Gods genade en Geest. Ze klagen veel over "duivel, wereld en vlees". Dat zij sterke machten zijn, wie zal het ontkennen. Maar geloven we dan niet, dat God machtiger is dan de duivel? En geloven we dan niet, dat Jezus de wereld heeft overwonnen?
En dat onze oude mens met Christus gestorven en begraven is en dat we met Hem zijn opgewekt tot een nieuw leven?
We mogen er toch gelovig van uitgaan, dat we dood zijn voor de zonde en leven voor God door Jezus Christus?

Tenslotte: Durven we God aanspreken als onze Vader? Jezus leert ons dat. Maar als Hij dan onze Vader is, dan zij wij toch Zijn kinderen?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief