Boekbespreking
1983-07-15
Een waardevolle handreiking voor de ouderling- Jaargang 27
- nummer 28
"Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente”.
- Onder redaktie van D. Koole en dr W. H. Velema.
Kok, Kampen. f 29,90.
Van de hand van enkele christelijk gereformeerde schrijvers is een bundel verschenen over het ambt van ouderling.
Onder redaktie van D. Koole. en dr W. H. Velema is iets tot stand gekomen wat je zou kunnen noemen een bewegwijzering op het terrein van de ouderling. Een handreiking voor een betere bewustwording van de taak die. de ouderling heeft in de gemeente van Christus.
De auteurs zijn erin geslaagd een goed leesbaar boek met veel informatie te doen verschijnen.
Vanuit verschillende invalshoeken wordt getoond wat ouderlingschap betekent in een tijd van veranderingen.
Drie ingrediënten vormen m.i, hierbij de hoofdschotel van het boek: Bijbeluitleg, kerkorde en pastoraat. In variërende samenstelling komen deze elementen in de acht hoofdstukken aan de orde.
Het boek begint met een nieuw-testamentische profielschets van de ouderling geschreven door.
Prof. dr J. P. Versteeg, Hij toont zich een zorgvuldig lezer en een boeiend uitlegger van de verschillende bijbelgedeelten over de oudsten.
Er wordt een duidelijk beeld gegeven van het ontstaan van het ambt van oudsten resp. opzieners, en van hun funktioneren in de beginperiode van de christelijke gemeente.
Aan de orde komen de aard en inhoud van het ambt van oudste volgens het boek Handelingen, de plaats in de gemeente volgens de eerste brief van Petrus en de praktijk van het ambt in de pastorale brieven van Paulus.
Bijzondere aandacht krijgen o.a. de voorbede van de oudste en de voorwaarden voor het ambt van oudste.
Deze onderwerpen worden besproken met grote fijngevoeligheid en er worden lijnen doorgetrokken naar de praktijk van vandaag. Een kritische kanttekening plaatst auteur bijvoorbeeld bij de gegroeide praktijk van handoplegging bij predikanten.
Meestal wordt dit voorbehouden aan andere predikanten. Volgens 1 Tim. 4: 14 zou dit veeleer een zaak zijn voor de raad van gezamenlijke oudsten. Je zou je ook nog kunnen afvragen waarom het niet gebeurt bij de bevestiging van oudelingen en diakenen.
Opmerkelijk is de uitleg van 1 Tim. 5 : 17 over het dubbele eerbewijs, wat de oudsten toekomt die zich belasten met prediking en ondericht (blz. 51). Hiermee zou niet bedoeld zijn een onderscheid te maken -tussen verschillende soorten oudsten (nl. regeer- en leeroudsten), als wel een onderscheid in deeltijds en voltijds ambtelijk werken. De konsekwenties van deze aannemelijke uitleg voor onze bijzondere plaats van predikanten te midden van de oudelingen wordt er echter niet verder uitgewerkt.
In het tweede hoofdstuk behandelt Prof. dr J. van Genderen het ambtsdrager zijn van de ouderling en de verhouding tussen ambt en gemeente. Daarbij komt duidelijk naar voren wat er nu zo 'gereformeerd" is aan de klassiek-gereformeede ambtsopvatting. Een opvatting die niet gestoeld is op hiërarchieke of demokratische overwegingen, maar ambtsdragers ziet als door de Heilige. Geest, in de gemeente geplaatst omtedienen.
Dit dienen is essentieel voor het ambt. Daarom lijkt het mij op zijn plaats dat het Akkoord van Kerkelijk Samenleven van de Nederlands Geref. Kerken zo nadrukkelijk spreekt van diensten.
De vraag komt opnieuw aan de orde of het onderscheid tussen predikanten en ouderlingen terecht is. Ook hier wordt 1 Tim. 5 : 17 aangevoerd maar dan juist met een tegenovergestelde uitleg als bij de schrijver van het vorige hoofdstuk (zie boven). Dat is waarschijnlijk inherent aan de opzet van een boek met diverse auteurs.
De kerkordelijke kant wordt belicht in een bijdrage van Prof. dr W. van 't Spijker. Besproken wordt de kandidaatstelling, de verkiezing en de bevestiging.
Hierover worden leerzame dingen gezegd. Er wordt bijvoorbeeld gewezen op de mogelijke verarming, die optreedt als de verkiezing plaatsvindt op een administratieve wijze. Op grond van praktische overwegingen wordt nl. in sommige gemeenten de verkiezing gereduceerd tot inlevering van een stembiljet. Een wezenlijk element, nl. het biddend samenzijn als gemeente, wordt daardoor aan de verkiezing ontnomen.
Ook allerlei praktische punten voor de verkiezing, zoals blanko stemmen en ontheffing vragen, worden besproken.
Vervolgens behandelt Van 't Spijker wat er in de kerkorde geregeld is over de opdracht van de oudelingen. Hier worden .enkele verschillen merkbaar tussen de besproken kerkorde en het Akkoord van Kerkelijk Samenleven, Bijvoorbeeld de betekenis van het afleggen van huisbezoek vóór en na' het vieren van het Avondmaal.
Al lezend bij Van 't Spijker kom je onder de indruk van de wijsheid van de Reformatoren en krijg je begrip voor de ideële doelstelling van deze en andere artikelen van de kerkorde, die in onze tijd enigszins uitgehold zij~ geraakt. Het lijkt erop, dat er bii de opstelling van het Akkoord wat meer aansluiting is gezocht bij het haalbare.' .
Prof. dr W. H. Velema heeft twee' hoofdstukken geschreven met de nadruk op het pastoraat. Eén over het werk van de ouderling in de gemeente en één over de ouderling en ethische vragen. Het iseen waardevolle inleiding op het pastorale werk. Terecht wordt het huisbezoek uitvoerig besproken.
De voorbereiding, het bezoek, het gesprek; 'thema's, het gebed, de rapportage, enz. Velema schrijft erover als was hij met z'n lezers in gesprek. Het plezierige is daarbij, dat er voor de lezer alle ruimte blijft. Er worden geen pasklare antwoorden gegeven. De lezer wordt aan het denken gezet. Met een afsluitende literatuurlijst wordt de lezer gediend om verder te lezen.
Geloofsvragen waarmee christenen kunnen zitten worden behandeld door Prof. dr B. J. Oosterhoff: Om er enkele te noemen: het probleem van het lijden, het gezag van de bijbel, de betekenis van andere godsdiensten.
Het is uiteraard een summiere bespreking.
Enkele hoofdlijnen van een probleem worden gegeven: oorzaken ervan en mogelijke beantwoording.
Een beknopte literatuurlijst zou hier wel hebben gepast.
Door Dr T. Brienen worden diverse speciale ouderlingen besproken: scriba, jeugdouderling, studentenouderling, bejaardenouderling, schippersouderling en evangelisatie-ouderling. Het voor én tegen ervan komt aan de orde en er wordt een toelichting gegeven op de taak ervan, het werkterrein en de vereisten.
Het boek wordt afgesloten met een benadering van de ouderling vanuit persoonlijke omstandigheden.
Verschillende praktische problemen worden belicht door D. Koole. O.a. spanningen, het gezin, toerusting en de persoonlijke omgang met God. Het is een fijngevoelige bespreking vanuit de eigen ervaring. Een waardige afsluiting van een waardevol boek.
Het geheel is zeker 'aantrekkelijk' te noemen. Als introduktie voor nieuwe ambtsdragers is het sterk aan te bevelen. Maar ongetwijfeld zullen ook andere gemeenteleden zinvolle leesuren beleven met dit boek. In het jaar van de gemeente-opbouw een opbouwend boek!
B. P. Vreugdenhil, Breukelen